Extra dierenwelzijn versus milieu: een complexe afweging
Aangemaakt op
Als veehouder is het erg belangrijk om zorg te dragen voor de dieren en tegelijkertijd te voldoen aan de milieudoelstellingen. Probleem is echter dat vanuit het beleid de dierenwelzijnsvoorwaarden aangescherpt worden, terwijl er zware milieudoelstellingen moeten gehaald worden. Zo is aan de varkens- en pluimveebedrijven een taakstelling opgelegd om de ammoniakuitstoot van niet-emissiearme stallen tegen 2030 met 60% te verminderen. Tegelijkertijd wil men dat die dieren in ruimere en meer verrijkte omstandigheden worden gehouden, wat net voor meer stalemissies zorgt. Daarnaast wordt ook gevraagd om de carbonfootprint zo klein mogelijk te houden en zorgt voor een conflicterende situatie, waarbij het onmogelijk is voor een veehouder om een goede keuze te maken.
Verbod verrijkte kooi zet leghennenhouders voor het blok
Een paar jaar geleden besliste Minister Weyts om de verrijkte kooi uit te faseren, dit niettegenstaande een studie die hijzelf had besteld aangaf dat dit de legsector voor problemen zou stellen en er dan ook best afgewacht wordt naar wat Europa zal doen. Bovendien zijn wetenschappers het er niet over eens of de kippen in alternatieve systemen een substantieel beter dierenwelzijn hebben. Feit is dat de verrijkte kooi erg goed scoort op het vlak van de CO2-voetafdruk en de ammoniakemissie afhankelijk van het systeem zelfs 10 keer lager is dan in alternatieve systemen. Daarnaast zijn de productiekosten en is de arbeidsbehoefte in alternatieve systemen ook beduidend hoger. Wanneer deze bedrijven moeten overschakelen naar alternatieve systemen betekent dat ze, op basis van de ammoniakemissies, veel minder kippen zullen kunnen houden en zelfs in die mate dat het bedrijf niet meer rendabel is. Het ziet er dan ook naar uit dat de bedrijven met verrijkte kooien genoodzaakt zullen zijn om hun bedrijfsactiviteit te stoppen. Dat komt in de feiten dus neer op een koude sanering van de sector. Ons land is ondertussen niet meer zelfvoorzienend voor eieren en aangezien meer dan een derde van de leghennen nog in verrijkte kooisystemen wordt gehouden ziet het er naar uit dat de import van eieren alleen maar groter zal worden. De brekerijen zijn steeds op zoek naar het goedkoopste ei en dat betekent dat de import vooral zal bestaan uit eieren die in andere EU-lidstaten in verrijkte kooien zijn geproduceerd en uit import vanuit Oekraïne, waar de leghennen nog in traditionele kooien worden gehouden.
Reguliere versus trager groeiende braadkippen
Voor wat de braadkippen betreft wil men vanuit dierenwelzijnshoek dat er wordt overgestapt op trager groeiende kippenrassen die gehouden worden aan een veel lagere bezetting dan nu. Meer bepaald wordt dan gekeken naar de voorwaarden van het Better Chicken Commitment (BCC), die opgesteld zijn door de Europese dierenrechtenorganisaties. De maximale bezetting in de stal daalt van 42 naar 30 kg/m² en de trager groeiende kippen doen er een week langer over om het slachtrijp gewicht te bereiken.
Houderijsystemen vergeleken
Omdat er weinig gekend was over de gevolgen ervan voor het management, de productie, de rendabiliteit, de strooiselkwaliteit en het milieu werd een paar jaar geleden het demonstratieproject “OptiWel-Emis” uitgevoerd. Daarin werd de impact van dit houderijsysteem onderzocht en vergeleken met de standaardkip. Naast de voederproeven op ILVO, waar een evenwichtig voeder voor die kippen werd bekeken, vonden de praktijkproeven plaats op het Proefbedrijf Pluimveehouderij. Daar werden de effecten op emissie, welzijn en productie zijn opgevolgd. De proeven toonden aan dat trager groeiende kippen actiever en beweeglijker zijn en ook de strooiselkwaliteit in de stal is beter. Het strooisel blijft droger en ruller, wat resulteert in betere scores van de voetzoollaesies.
Hogere kostprijs en meer uitstoot
De kippen hebben wel 8 à 9 dagen extra nodig om hetzelfde eindgewicht te behalen als reguliere kuikens. Daardoor stijgen de voeder- en waterbehoefte en ligt de voederconversie duidelijk hoger, wat de kostprijs opdrijft en de CO2-voetafdruk fors verhoogt. Bovendien worden door de lagere bezetting en langere groeiperiode minder kuikens per jaar (en dus minder kg vlees) geproduceerd in de stal. Alle kosten moeten verdeeld worden over minder dieren, wat de productiekost verder verhoogt. Op basis van het Nederlandse handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN) 2024-2025 en de proefresultaten stijgt de kostprijs per kg geproduceerde kip bij trager groeiende kuikens aan 30 kg/m², wanneer niet kan worden uitgeladen met 27,5%. Bij hogere prijzen voor voeder en energie loopt deze meerkost nog verder op.
Ook de milieueffecten zijn aanzienlijk. De ammoniakconcentraties en ventilatiedebieten werden in de proeven continu gemeten. Zowel de lagere bezetting als de langere groeiperiode veroorzaken duidelijk hogere emissies. Bij trager groeiende kuikens aan 30 kg/m² verdubbelt de jaarlijkse ammoniakemissie per m² staloppervlakte, en per dier verdrievoudigt deze zelfs. Dit betekent, met het stikstofdecreet in het achterhoofd dat het aantal vleeskippen wanneer met zo een concept worden gewerkt niet 28,5% lager zal zijn in de stal, maar dat uiteindelijk 75% minder dieren kunnen worden gehouden om dezelfde stikstofuitstoot te realiseren. Dat wil zeggen dat de meerkost onmogelijk uit de markt te halen is en het in de praktijk zo goed als onmogelijk is om in Vlaanderen in te zetten op zulke concepten.
Varkensconcepten die inzetten op meer ruimte
Ook in de varkenshouderij zijn er meerwaardeconcepten die inzetten op meer ruimte voor de dieren, maar ook daar is de ammoniakemissie een belangrijk aandachtspunt. Zo is verankerd in de Vlaamse regelgeving dat de emissiefactor voor ammoniak op 2,5 kg per dierplaats per jaar ligt wanneer de beschikbare vloeroppervlakte per vleesvarken maximaal 0,8 m² bedraagt. Als de varkens een beschikbare oppervlakte hebben die hoger is dan die 0,8m³, dan bedraagt de emissiefactor voor ammoniak 3,5 kg per dierplaats per jaar, of 40% hoger. Dat wil dan ook zeggen dat varkenshouders die willen overschakelen naar een meerwaardelastenboek waarbij de oppervlaktenorm op 1 m² ligt daar rekening moeten mee houden en in de problemen kunnen komen wanneer ze een omgevingsvergunning moeten aanvragen. Bijkomend is het ook zo dat bedrijven in het kader van de PAS-reductiedoelstellingen bedrijven kunnen inzetten op het houden van minder dieren om de taakstelling te realiseren. Dit doen door gewoon één dier minder per hok te steken kan dus zuur gaan opbreken en dat er dus net meer ammoniak wordt geproduceerd. Men zet daarvoor dan ook best een heel compartiment leeg.
Een onoplosbaar dilemma?
Met bovenstaande voorbeelden is het wel duidelijk dat de veehouders onmogelijk kunnen voldoen aan de roep om zowel te investeren in de realisatie van de klimaatdoelstellingen en daarnaast ook nog eens de beste van de klas te zijn op het vlak van extra dierenwelzijn. Ik noem het hier uitdrukkelijk ‘extra’ dierenwelzijn omdat we ervanuit mogen gaan dat het dierenwelzijn in alle huisvestingssystemen in orde moet zijn. Daarnaast is het ook zo dat investeren in extra dierenwelzijn veel middelen vergt, gezien hiervoor veelal moet geïnvesteerd worden in nieuwe gebouwen, denk maar aan alternatieve houderijsystemen in de pluimveehouderij of vrijloopkraamhokken in de varkenshouderij. Deze investeringen worden op lange termijn afgeschreven en kunnen dan ook niet om de haverklap aangepast worden. De veehouders hebben in het verleden al veel geïnvesteerd meer dierenwelzijn en zullen dat ook verder doen, maar het is wel erg belangrijk dat de regelgevingen op elkaar zijn afgestemd. Feit is wel dat onze minister voor dierenwelzijn aan goldplating wil doen, terwijl hij geen rekening houdt met de klimaatdoelen die moeten gehaald worden. Meer nog, verschillende maatregelen die opgenomen zijn in de codex dierenwelzijn zorgen voor een verhoging van de ammoniakemissies, waardoor het voor de pluimvee en varkenshouderij bijna onmogelijk wordt om de taakstelling van 60% die eveneens in de Vlaamse wetgeving is opgenomen te realiseren. Onze veehouders vragen een rechtszeker kader en dat wil ook zeggen dat er geen conflicterende regelgeving is.
De stormschade van 27 op 28 juni heeft heel wat mais doen omvallen. Het (Landbouwcentrum voor Voedergewassen) publiceert nu een beslissingsboom die je helpt te beslissen wat je moet doen na schade.
Campo Solar groeide in tien jaar van een tuinfeest uit tot een festival voor 30.000 bezoekers, met landbouw als hart van de beleving: tussen mais, bloemen en lokale smaken.
Biggenprijzen zakken fors door meer aanbod, minder export en een zwakke vleesvarkensmarkt. De druk op de rendabiliteit van zeugenhouders neemt daarmee stevig toe.
ILVO-onderzoekster Sarah Garré gaat op zoek naar mogelijkheden voor onze boeren om ook in de toekomst nog goed te kunnen blijven telen, ongeacht of het nu veel of weinig regent; Willem Rombaut vertelt over het Steunpunt Groene Zorg; en we maken kennis met Harvestis, de nieuwe naam van de fusie van het Proefstation voor de Groenteteelt in Sint-Katelijne-Waver en Proefcentrum Hoogstraten.
Beitems Bodemfestival bracht landbouwers, onderzoekers en machinebouwers samen rond bodemgezondheid, met demo’s, getuigenissen en praktijkinzichten over innovatie, precisielandbouw en duurzaam bodembeheer.
Provincie Antwerpen blijft de landbouwkamer ondersteunen als adviesorgaan en maakt jaarlijks 25.000 euro vrij voor scholenbezoeken en imago-activiteiten rond landbouw.
De stormschade van 27 op 28 juni heeft heel wat mais doen omvallen. Het (Landbouwcentrum voor Voedergewassen) publiceert nu een beslissingsboom die je helpt te beslissen wat je moet doen na schade.
Peilbesluiten bepalen waterpeilen in Vlaanderen en beïnvloeden landbouw, natuur en bedrijfsvoering. Ontdek hoe de procedure verloopt, waar inspraak mogelijk is en wat de impact is op percelen.
VMM werkt aan een totaalplan voor de Getestreek om wateroverlast beter op te vangen, met maatregelen per deelgebied en prioriteit voor woonkernen. De stand van zaken van dit klimaatrobuuste project.