Ecosysteemdiensten, van maatschappelijke meerwaarde naar verdienmodel
Aangemaakt op
De afgelopen jaren is de belangstelling voor zogenaamde ecosysteemdiensten stelselmatig toegenomen. Samen met de belangstelling groeit ook het debat rond de financiering ervan. Ook landbouwers leveren regelmatig ecosysteemdiensten, we vinden het daarom belangrijk om een stem te hebben bij de uitwerking van de financieringsmodellen.
Wat zijn ecosysteemdiensten?
Ecosysteemdiensten zijn de voordelen die mensen ontvangen van een gezond en goed functionerend ecosysteem. Deze diensten kunnen verschillende vormen aannemen. Ten eerste zijn er productiediensten, waarbij het ecosysteem tastbare goederen levert zoals voedsel, drinkwater, medicinale planten en bouwmaterialen. Daarnaast zijn er regulerende diensten, die zorgen voor het in balans houden van natuurlijke processen. Denk hierbij aan klimaatregulatie, zuivering van water, lucht en bodem, het bestrijden van ziektes en het ondersteunen van de voortplanting van planten, bijvoorbeeld via bestuiving door insecten.
Een derde categorie zijn de culturele diensten, die immateriële voordelen bieden zoals recreatiemogelijkheden in de natuur, inspiratie voor kunst en cultuur, en spirituele beleving. Tot slot zijn er ondersteunende diensten, die de basis vormen voor alle andere ecosysteemdiensten. Voorbeelden hiervan zijn de kringloop van voedingsstoffen en het behoud van bodemvruchtbaarheid.
Samen zorgen deze ecosysteemdiensten ervoor dat de natuur niet alleen mooi en waardevol is, maar ook essentieel voor ons dagelijks leven en welzijn.
Nieuwe verdienmodellen
Samen met de belangstelling voor de ecosysteemdiensten wordt ook het debat gevoed rond de financiering ervan. Volgens sommigen moet de verstrekker van de diensten daarvoor niet vergoed worden omdat er bijgedragen wordt aan een maatschappelijk doel. Andere stemmen wijzen dan weer op het belang die ecosysteemdiensten net wel financieel of fiscaal te ondersteunen, niet alleen omdat er een bijkomende extra dienst wordt geleverd, maar ook omdat je op die manier nieuwe verdienmodellen kan creëren en met stimulerende maatregelen vaak meer kan bereiken dan met nieuwe verplichtingen. Ook vanuit Boerenbond pleiten we er trouwens voor dat landbouwers de geleverde ecosysteemdiensten financieel en/of fiscaal vergoed krijgen.
Wie vergoedt?
In het debat over het al dan niet financieren van ecosysteemdiensten worden vragen gesteld over wie die diensten moet financieren. Traditioneel wordt daarvoor naar de verschillende overheden gekeken. Die overheden zelf zoeken echter naar alternatieve financieringsmodellen, bijvoorbeeld via het uitreiken van zogenaamde credits. Vanuit de gedachte ‘de vervuiler betaalt’ gaat men ervan uit dat bedrijven betalen om hun klimaatimpact te compenseren. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar de koolstofdioxide (CO2) die uitgestoten wordt en de compensatie ervan door koolstofopslag.
Overigens is de overheid niet steeds nodig om dergelijke wisselwerking tot stand te brengen. Via het platform Claire (https://claire-co2.com), een initiatief dat ook door Boerenbond wordt ondersteund, worden bedrijven of overheden die hun koolstofuitstoot willen compenseren in contact gebracht met lokale bedrijven die dat kunnen doen. Ook landbouwers kunnen participeren en zorgen voor die compensatie door de aanleg en het beheer van grasland of door de aanplant en het beheer van hagen, heggen en houtkanten of door andere bodemmaatregelen. Dit motiverend beleid werkt doorgaans beter in de praktijk dan een verplichtend beleid met opgelegde maatregelen.
We pleiten ervoor dat landbouwers de geleverde ecosysteemdiensten vergoed krijgen.
Eerste blauwdrukken
Ondertussen zijn dergelijke projecten ook op de radar gekomen van de Europese Unie. Meer zelfs, de Europese Unie zou de Europese Unie niet zijn als ze niet nadenkt over regulerende initiatieven. Enkele weken geleden kon Boerenbond kennisnemen van de eerste blauwdrukken van een dergelijk systeem, waarbij een soort van ‘handelssysteem’ zou worden opgericht waardoor bijvoorbeeld bedrijven kunnen berekenen hoeveel ‘credits’ ze dienen op te nemen voor een eventuele compensatie en er garanties kunnen worden gegeven dat die compensatie ook wordt gerealiseerd.
Hoewel de Europese Unie met de zogenaamde omnibuspakketten een traject heeft opgestart om administratieve vereenvoudiging te realiseren, is dat principe van vereenvoudiging nog niet doorgedrongen tot de administraties die nieuwe dossiers voorbereiden. De voorgestelde werkwijze gaat immers uit van wantrouwen, waardoor er een administratief monster wordt gecreëerd dat eerder remmend zal werken dan faciliterend. Bovendien wordt er onvoldoende economisch gedacht, waardoor het aspect verdienmodel ontbreekt en er heel wat wolfijzers en schietgeweren in zitten die eerder een hindernis dan een oplossing of opportuniteit kunnen zijn. Het dreigen met compensaties, onvoldoende aandacht voor gronddruk - bijvoorbeeld omdat bedrijven zelf grond kopen en zelf compenseren, eerder dan beroep te doen op een derde partij -, om maar die te noemen, wijzen daarop.
Het debat is aan de gang ...
- Landbouwers leveren - soms onbewust - een bijdrage aan allerhande ecosysteemdiensten. Het is belangrijk dat ze daarvoor billijk vergoed worden. Dat kan zowel financieel als fiscaal zijn. De vraag is hoe ze eruit kan gaan zien en wie die betaalt?
- Carbon en nature credits kunnen een manier zijn om ecosysteemdiensten te financieren of te vergoeden. De eerste praktijkervaring wordt ondertussen opgedaan, bijvoorbeeld via het platform Claire. Hoe kan een echte marktwerking ontstaan zonder een resem administratieve verplichtingen?
- Aandachtspunten om het systeem van carbon en nature credits succesvol te maken, en bij uitbreiding alle ecosysteemdiensten voor landbouwers:
Zorg voor een echt verdienmodel, waarbij de vergoedingen in verhouding staan tot de geleverde inspanningen, ook op langere termijn;
Zorg voor een administratief eenvoudig systeem: zonder veel administratie, regels en verplichtingen en zonder nadelige gevolgen op lange termijn die het onwerkbaar maken en eerder remmend dan faciliterend werken;
We zien vandaag bij de voorlopers dat er inzake koolstofopslag vooral wordt gekozen voor graslandbeheer en niet voor de aanplant van hagen, heggen en houtkanten. De oorzaak daarvoor is simpel. Iedereen vreest voor de langetermijngevolgen wanneer de habitatrichtlijn van toepassing zou worden. Dit kan gevolgen hebben voor de aanpalende percelen. We hebben nood aan een specifiek statuut voor tijdelijke natuur in agrarisch gebied dat voldoende rechtszekerheid biedt;
Heb aandacht voor de problematiek van gronddruk. Het uitgangspunt van het hele systeem van carbon en nature credits is dat bijvoorbeeld landbouwers gaan zorgen voor de compensatie van bedrijven en daarvoor worden vergoed. Maar wanneer bedrijven zouden beslissen om zelf voor deze compensatie in te staan, kan dit leiden tot extra gronddruk. Landbouwers kunnen doorgaans financieel niet in competitie gaan met bedrijven uit de industrie voor aankoop van gronden. Het probleem wordt nog versterkt door het voornemen van de Europese Unie om compensatie te vragen wanneer terreinen die op een bepaalde manier zijn ingericht met carbon of nature credits nadien een andere inrichting krijgen. Ad infinitum zelfs, waardoor je op dat moment extra druk krijgt om ook voor die gronden compensaties te zoeken. In de eerste ideeën die voorliggen zou die compensatie ook niet één op één zijn, maar zou er meer (lees: een grotere oppervlakte) moeten worden gecompenseerd dan initieel aangelegd.
En wat met de druk vanuit de keten? De agrovoedingsindustrie wordt net zoals de andere industrie vanuit Europa aangemoedigd/verplicht om zijn koolstofuitstoot te beperken of te compenseren. We zien nu al dat deze uitdaging een doorvertaling krijgt naar de rest van de keten en dat de verwerkende sector aan de landbouwer garanties vraagt over hoe wordt omgegaan met koolstof in de bodem. De vraag zal zijn of en op welke manier deze vragen/eisen vergoed worden? Tegelijkertijd bestaat ook hier de kans dat deze industrie zelf gronden begint op te kopen om de compensaties te kunnen realiseren.
Om mee te kunnen wegen op het debat gaan we binnenkort in overleg met onze structuren om onze stand- en aandachtspunten te bepalen.
Eerste voorlopertrajecten gestart
De Europese Unie is op zoek naar nieuwe financieringsmechanismes voor diensten, onder meer om ervoor te zorgen dat industriële bedrijven mee betalen voor de compensatie van de eigen uitstoot. Daarbij wordt ook gedacht aan carbon en nature credits. Op verschillende plaatsen in Europa zijn de eerste voorlopertrajecten daarrond opgestart. Vanuit de ondersteuning van door landbouw geleverde ecosysteemdiensten kunnen nature en carbon credits interessant zijn. Dat geldt echter alleen wanneer er van bij de start voldoende aandacht is voor cruciale randvoorwaarden: rechtszekerheid op lange termijn, een realistisch verdienmodel, specifieke statuten zoals tijdelijke natuur in agrarisch gebied, administratief eenvoudige procedures én oog voor de mogelijke toename van gronddruk. Vanuit Boerenbond volgen we dit dossier verder op.
“Hou van bij de uitwerking van carbon of nature credits voldoende rekening met de gevolgen.”
Boerenbond nuanceert de commotie rond aardbeien en pesticiden: een expert plaatst de studie in perspectief en legt uit waarom de consument zich geen zorgen hoeft te maken.
Pitch je landbouwidee tijdens Schatten op de Boerderij en krijg feedback van experten, praktische tips en kans op een begeleidingstraject om je concept uit te werken tot een haalbaar businessplan.
Hoe haal je meer uit je grasland, zonder in te boeten op bodemkwaliteit of biodiversiteit? Op deze demo brengen Boerennatuur Vlaanderen en PVL drie lopende onderzoeksprojecten samen rond die centrale vraag.
Moet je irrigatiewater uit waterlopen melden? Ontdek wanneer een melding verplicht is, hoe het e-loket werkt en welke regels gelden voor onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.
Minister Brouns lichtte de nieuwe drinkwatermaatregelen toe voor land- en tuinbouwers in West-Vlaanderen. Ontdek wat de regels rond triazolen en bufferzones betekenen voor Blankaart, Gavers, Zillebeke en Dikkebus.
De Europese Commissie zet veehouderij opnieuw centraal met een strategie richting 2040: meer rendabiliteit, minder vergunningenknelpunten, aandacht voor dierziekten, mest als grondstof en een sterker Europees eiwitplan.