De afwisseling van warme en koelere periodes in mei en juni, gecombineerd met voldoende neerslag, was erg bevorderlijk voor de gewasgroei en zorgde voor een versnelde ontwikkeling. De terugkerende hitteperiodes zetten de gewassen echter onder druk. Daarnaast hebben hevige onweersbuien, vaak gepaard met rukwinden en hagel, plaatselijk schade veroorzaakt.
Voor wintergerst worden mooie opbrengsten verwacht. Voor wintertarwe liggen de opbrengstverwachtingen mogelijk iets lager, al kan een goede korrelkwaliteit dit deels compenseren. De opbrengst van de vroege aardappelen ligt voorlopig iets onder het meerjarig gemiddelde. De vooruitzichten voor de suikerbieten zijn overwegend gunstig. Bij de maïs zal het weer tijdens de bloei bepalend zijn voor de opbrengst. Voor de zomerteelten blijven de weersomstandigheden in de komende weken cruciaal. Verdere periodes van hitte en onvoldoende neerslag kunnen de uiteindelijke opbrengst negatief beïnvloeden.
Het weer in mei en juni
Mei 2026 was een zeer warme en eerder natte maand. Na een warme start volgde een langere periode met koelere dagen. Tegen het einde van de maand liepen de temperaturen echter opnieuw sterk op (Figuur 1). Er was zelfs bijna sprake van een hittegolf. Tussen 22 en 30 mei bedroegen de maximumtemperaturen in Ukkel dagelijks minstens 25°C, maar slechts op 2 dagen werd de grens van 30°C bereikt, waardoor we niet over een officiële hittegolf kunnen spreken. De uiteindelijke gemiddelde maandtemperatuur kwam in Ukkel uit op 15,4°C, ruim boven de normale waarde van 13,9°C.
In mei viel er 79,0 mm neerslag in Ukkel (normaal 59,7 mm), verspreid over 16 dagen (normaal 14,7 dagen). In de kustregio was het echter iets droger met een neerslagtekort van zo’n 30%. In Haspengouw en Brabant viel daarentegen lokaal tot 70% meer neerslag dan normaal (Figuur 2). Dat was vooral het gevolg van het zware onweer van 30 mei. Op die dag trokken verschillende onweerscellen van west naar oost over een relatief smalle zone, waarbij sommige gebieden meermaals werden getroffen. Langs de Samber- en Maasvallei werd gemiddeld 55 tot 75 mm neerslag geregistreerd, met lokaal zelfs 100 tot 110 mm (Figuur 3). De intense neerslag veroorzaakte plaatselijk aanzienlijke modderstromen, vooral op percelen met voorjaarsgewassen. De hevige windstoten die met de onweersbuien gepaard gingen, leidden bovendien tot legering in tal van graanpercelen. Lokaal werd ook zware hagel waargenomen, met hagelstenen tot 4 à 5 cm diameter. Deze veroorzaakten aanzienlijke schade aan de gewassen.
Mei leek aanvankelijk een sombere maand te worden. Tijdens de eerste 20 dagen scheen de zon slechts 73u 43min (normaal 122u 39min). Tijdens de periode van 21 tot 31 mei maakte de zon dat tekort echter ruimschoots goed. Sinds het begin van de metingen in 1931 was het in Ukkel tijdens deze periode nooit zonniger. Daardoor eindigde de maand uiteindelijk toch met meer zonneschijn dan gemiddeld (207u 15min tegenover een normale waarde van 198u 18min).
Juni 2026 was een zeer warme en overwegend natte maand. Het warme weer van eind mei hield nog even aan in juni, waarna opnieuw een koelere periode volgde. Vanaf 16 juni werd het echter opnieuw zeer warm. Ditmaal werd er in Ukkel wel een officiële hittegolf geregistreerd. Die liep van 17 tot en met 28 juni. Op 26 juni steeg het kwik in Ukkel tot maar liefst 35,5°C, een nieuw record voor de huidige referentieperiode.
Opvallend waren ook de hoge minimumtemperaturen tijdens de hittegolf (gemiddeld 19,7°C met een piek van 24,1°C). Door de koelere periode in de eerste helft van de maand strandde de gemiddelde maandtemperatuur voor juni uiteindelijk op 19,8°C (normaal 16,7°C). Opmerkelijk is dat juni al de 17de maand op rij was met een gemiddelde maandtemperatuur boven de normale waarde. In totaal viel er in juni 114,6 mm neerslag in Ukkel (normaal 70,8 mm), verspreid over 17 dagen (normaal 14,1 dagen). De meeste neerslag viel in de Kempen, een kwart meer dan normaal. Dat was vooral het gevolg van een hevig onweer dat ozuiden van het land was het daarentegen droger dan normaal en viel er slechts 60% van de normale neerslaghoeveelheid.
De eerste helft van juni verliep bijzonder somber. In Ukkel werd slechts 58u 22min zonneschijn geregistreerd tegenover 95u 43min normaal. Tijdens de tweede helft van de maand werd dat tekort echter ruimschoots goedgemaakt. Met 177u 22min zonneschijn (normaal 105u 14min) werd zelfs een nieuw record voor de huidige referentieperiode gevestigd. Juni eindigde uiteindelijk met 235u 44min zonneschijn, aanzienlijk meer dan de normale waarde van 199u 17min.
Seizoensoverzicht
Figuur 7 toont de temperatuur- en neerslagsom van 1 januari tot en met 30 juni 2026 voor de verschillende landbouwregio’s.
De temperatuursom ligt in alle regio’s ruim hoger dan gemiddeld. Het verschil varieert van +16% in de Kempen tot +23% in de Ardennen. In Wallonië is het verschil iets groter dan in Vlaanderen.
Met uitzondering van de Polders viel er in de Vlaamse landbouwregio’s iets meer neerslag dan normaal (gemiddeld 5%), terwijl in de Waalse regio’s de neerslagsom gemiddeld zo’n 9% lager lag dan normaal. De grootste tekorten deden zich voor in de Famenne, de Hoge Ardennen, de Ardennen en de Jurastreek. Ondanks deze verschillen bleven de neerslagsommen in alle landbouwregio’s wel binnen de normalespreiding van de referentieperiode.
De SPEI-3-index in Figuur 8 geeft de waterbalans van de voorbije drie maanden weer op 10 juli 2026. Deze index houdt niet alleen rekening met de neerslag, maar ook met de evapotranspiratie: de hoeveelheid water die verdampt of door bodem en vegetatie wordt verbruikt. Daardoor biedt de SPEI-3-index een breder beeld van droogte dan indicatoren die uitsluitend gebaseerd zijn op neerslag. Hoewel de omstandigheden in een groot deel van het land nog als normaal kunnen worden beschouwd, worden in sommige regio's reeds droge tot zeer droge omstandigheden vastgesteld. Dit geldt met name voor de kustregio, de Jurastreek en delen van de Ardennen.
De relatief natte junimaand zorgde voor een licht herstel van de grondwaterstanden, meldt de VMM. Toch blijven de grondwaterstanden begin juli in de helft van de meetlocaties laag tot zeer laag voor de tijd van het jaar. In Vlaanderen geldt code geel voor droogte. Waterbeheerders, landbouwers en andere terreinbeheerders worden gevraagd om zoveel mogelijk water vast te houden om de verdere daling van waterpeilen en grondwaterstanden te beperken. Op een aantal locaties gelden tijdelijke onttrekkingsverboden op onbevaarbare waterlopen.
Observaties vanuit de ruimte
Figuur 9 toont het verloop van de NDVI vegetatie-index sinds januari ten opzichte van het langjarig gemiddelde. Deze index is afgeleid uit Sentinel-3 satellietbeelden. Op het einde van de winter en in het vroege voorjaar (maart) lag de index in alle landbouwregio’s ruim boven de gemiddelde waarde. De droge weersomstandigheden in april remden de groei van de winterteelten echter licht af. Tegelijk maakten ze een vroege aanleg van de zomerteelten mogelijk, wat resulteerde in tijdelijk lagere NDVI-waarden. Afgezien van een koudere periode half mei die de opkomst vertraagde en de ontwikkeling van de wintergranen tijdelijk temperde, waren de weersomstandigheden in mei en juni erg gunstig voor de gewasgroei. Voldoende neerslag, gecombineerd met afwisselend zeer warme en koelere periodes, resulteerde in een versnelde ontwikkeling van de meeste teelten. Tegen eind juni steeg de index dan ook tot ruim boven de gemiddelde waarde. In de Kempen en de Leemstreek werden zelfs waarden bereikt die dicht bij het langjarig maximum lagen. Alleen in de Polders, de droogste regio, was de stijging iets minder uitgesproken. Een eventuele impact van de hittegolf was eind juni nog niet zichtbaar in de vegetatie-index.
Figuur 10 vergelijkt de vegetatie-index eind juni 2026 met het langjarig gemiddelde. Ook hier zien we dat de gewassen het iets minder goed doen in de Polders en plaatselijk ook in de Leemstreek en de Condroz (gele en oranje zones op de kaart).
Overzicht van de gewassen: huidige toestand
Wintergranen
In mei en juni zagen we een opeenvolging van periodes met hoge temperaturen, vaak gevolgd door hevige onweersbuien. Daarbij werden de graangewassen niet gespaard. Afhankelijk van de locatie en de intensiteit van de onweersbuien liepen wintertarwe- en gerstpercelen schade op door hagel. Daarbij werden bladeren beschadigd, aarspilletjes geraakt en in sommige gevallen zelfs volledige aren afgeslagen. Volgens waarnemingen varieerden de opbrengstverliezen doorgaans tussen 10 en 30%, al werden lokaal ook percelen met zeer zware tot zelfs totale schade gemeld.
Naast deze directe schade zorgden de onweersbuien ook voor legering. Percelen die eind mei getroffen waren, konden zich soms gedeeltelijk herstellen, maar werden tijdens de onweersperiode in de tweede helft van juni op sommige plaatsen opnieuw getroffen. Hierdoor neemt niet alleen het risico op opbrengstverlies toe, maar ook op een verminderde kwaliteit van de oogst.
Wintergerst
De zachte winter en het warme voorjaar zorgden voor een snelle ontwikkeling en een vervroegde afrijping van de wintergerst. De hitte eind juni versnelde dit proces nog verder, waardoor de oogst in sommige regio’s al eind juni van start ging. Naast de eerder vermelde onweerschade waren er nog verschillende factoren die het opbrengstpotentieel van het gewas beperkten. Zo werd de wintergerst getroffen door een koude periode tijdens de aarvorming eind maart, natte weersomstandigheden tijdens de bloei in mei, gevolgd door een hittegolf op het einde van mei tijdens de korrelvulling. Desondanks wijzen de eerste berichten op goede gerstopbrengsten, weliswaar lager dan de uitzonderlijke opbrengsten van 2025, maar beter dan in 2024.
Wintertarwe
Voor wintertarwe blijft de opbrengstverwachting voorlopig onzeker. Mogelijk worden iets lagere opbrengsten gecompenseerd door een goede korrelkwaliteit. De koude periode rond half mei en de opeenvolgende hittegolven tijdens de bloei en de korrelvulling hebben ook de wintertarwe onder druk gezet. Dankzij de neerslag vóór deze warme periodes bleef de schade in veel gevallen wel beperkt. Door de hoge temperaturen eind juni verloopt de afrijping echter versneld en vertonen sommige percelen tekenen van hittestress. De oogst wordt daardoor vroeger dan gebruikelijk verwacht.
Aardappelen
De aanhoudend hoge temperaturen tijdens de voorbije weken hebben de ontwikkeling van de aardappelen aanzienlijk versneld, melden FIWAP/Inagro/Viaverda. Initieel verliepen de opkomst en groei traag door de relatief koude temperaturen in de eerste helft van mei, maar nadien kenden we dankzij de combinatie van warm weer en voldoende vocht in de bovengrond een vlotte groei. In diverse percelen werden wel symptomen van fytotoxiciteit vastgesteld na toepassing van bodemherbiciden, waarbij de ernst varieerde naargelang de lokale omstandigheden, de gebruikte werkzame stoffen of het tijdstip van toepassen (te kort bij opkomst).
In de vroegste percelen werd eind mei reeds het haakstadium bereikt, wat overeenkomt met het begin van de knolvorming. Begin juni waren de rijen op deze percelen al grotendeels gesloten. Staalnames begin juli in het vroege ras Amora tonen een opbrengst die voorlopig iets onder het meerjarige gemiddelde uitkomt.
Hevige onweers- en hagelbuien eind mei en in juni veroorzaakten plaatselijk aanzienlijke schade. In de Luikse Condroz leidden modderstromen tot erosie op hellende percelen, waarbij grond werd afgevoerd naar lagergelegen zones. Tijdelijke wateroverlast in de laagstgelegen delen bevorderde bovendien het optreden van knolrot. In de zwaarst getroffen percelen werd aanbevolen om niet-oogstbare zones af te bakenen en licht te bewerken om zo de aangetaste planten te vernietigen en gezondheidsrisico’s te beperken. Hierdoor gingen plaatselijk enkele procenten van het aardappelareaal verloren.
De gewasontwikkeling verloopt momenteel overwegend gunstig, al blijven de verschillen tussen percelen groot afhankelijk van de neerslagverdeling en de impact van lokale onweersbuien. De bladluisdruk blijft voorlopig beperkt. Hoewel bladluizen aanwezig zijn in alle opgevolgde percelen, worden de populaties goed onder controle gehouden door natuurlijke vijanden, waardoor een specifieke bestrijding momenteel niet noodzakelijk is. Hoge temperaturen remmen de ontwikkeling van bladluizen af, maar bevorderen daarentegen die van coloradokevers. De druk van coloradokevers varieert sterk tussen percelen, waardoor regelmatige monitoring aangewezen blijft. Wat de aardappelziekte (Phytophthora infestans) betreft, blijft de situatie gunstig. De beperkte infecties die werden vastgesteld, voornamelijk op afvalhopen of bij primeuraardappelen onder tijdelijke afdekking, droogden snel uit onder invloed van het warme en zonnige weer, waardoor het risico op verdere verspreiding laag blijft.
Het is momenteel nog onduidelijk welke gevolgen de hittegolf zal hebben op het gewas, maar de temperaturen liepen in de bodem lokaal zeer hoog op, waardoor het optreden van doorwas later dit seizoen zeer waarschijnlijk is.
Suikerbieten
De suikerbieten ontwikkelen zich over het algemeen goed volgens het KBIVB. De hoge temperaturen in het voorjaar stimuleerden de groei. Op de vroegste percelen waren de rijen al begin juni gesloten. Plaatselijk veroorzaakten de onweersbuien van mei en juni, vaak vergezeld van hagel, aanzienlijke bladschade. In dit groeistadium konden de suikerbieten zich doorgaans goed herstellen door de vorming van nieuw blad. Als gevolg van de hagelschade werd plaatselijk ook de bacterieziekte Pseudomonas waargenomen, maar deze symptomen verdwenen meestal spontaan.
De warme omstandigheden bevorderden ook de ontwikkeling van groene bladluizen, terwijl koelere en nattere periodes hun ontwikkeling tijdelijk afremden. Vanaf eind juni nam daarnaast de druk van bladziekten toe door de combinatie van hoge temperaturen, neerslag en vochtige omstandigheden in de ochtend. Begin juli werden de eerste symptomen van Cercospora waargenomen en lokaal kwam ook roest voor. In sommige percelen werd bovendien vergelingsziekte vastgesteld. Voor het derde jaar op rij werd hier en daar ook valse meeldauw (Peronospora farinosa f.sp.) waargenomen.
Ondanks de hagelschade en de toenemende ziektedruk lijken de opbrengstverwachtingen voorlopig gunstig voor de suikerbieten. De meeste schade trad op in een groeistadium waarin de bieten nog een groot herstelvermogen bezitten, waardoor de impact op de uiteindelijke opbrengst vermoedelijk beperkt blijft.
Maïs
Na een vlotte opkomst waren de weersomstandigheden in het voorjaar van 2026 over het algemeen gunstig voor de maïs. Half mei vertraagde de groei tijdelijk door de lagere temperaturen. De neerslag in deze periode vulde echter de vochtvoorraad in de bovenste bodemlagen aan, waardoor het gewas beter bestand was tegen de hoge temperaturen die eind mei volgden. De eerste helft van juni was opnieuw koeler en natter, maar tegen het einde van de maand werden weer uitzonderlijk hoge temperaturen bereikt. Aangezien maïs een warmteminnend gewas is, stimuleerden deze omstandigheden de ontwikkeling en groei. Tegelijkertijd begon zich echter een vochttekort af te tekenen, wat het opbrengstpotentieel kan beperken naarmate de waterbehoefte van het gewas verder toeneemt. Op de lichte percelen zijn de eerste tekenen van het droge, warme weer al zichtbaar. De bladeren krullen in de loop van de namiddag op.
Indien de warme en droge omstandigheden aanhouden tijdens de bloei, kan dit een negatieve invloed hebben op de bevruchting, met een slechte kolfvulling als gevolg. De weersomstandigheden in de komende weken zullen daarom bepalend zijn voor de uiteindelijke opbrengst. Het warme weer zal wellicht ook zorgen voor een vroege oogst.
Zowel in Vlaanderen als in Wallonië veroorzaakten de onweersbuien en de storm van 27 op 28 juni plaatselijk aanzienlijke schade in maïspercelen. Volgens het LCV kwam de schade in meer of mindere mate over heel Vlaanderen voor, met de zwaarste impact in Vlaams-Brabant. De schade varieerde van bladschade door hagel tot gelegerde of zelfs volledig platgeslagen en geknakte planten. Vooral de grootste en verst ontwikkelde percelen bleken gevoelig, terwijl ook perceelskenmerken zoals de aanwezigheid van bomen, blootstelling aan valwinden en de rijrichting de schade beïnvloedden.
Wanneer de planten enkel gelegerd waren, konden ze zich doorgaans opnieuw oprichten, al bleef vaak een karakteristieke kromming van de stengel zichtbaar waardoor de planten later het typische uitzicht van een “wandelstok” krijgen. In dergelijke gevallen wordt er doorgaans nog een normale kolf gevormd en blijft de opbrengstschade meestal beperkt. Ernstiger is de situatie wanneer stengels werden geknakt (greensnapping), waardoor de sapstroom wordt onderbroken en de getroffen planten geen normale opbrengst meer leveren. De uiteindelijke impact op de opbrengst hangt dan af van het aandeel beschadigde planten op het perceel. Bij minder dan 20% geknakte planten is er wel opbrengstverlies, maar blijft het perceel oogstwaardig. Bij 20 tot 50% geknakte planten wordt de rendabiliteit twijfelachtig en dient eenperceelsgebonden afweging gemaakt te worden op basis van opbrengstverwachting, voederbehoefte en herinzaaimogelijkheden. Indien meer dan 50% van de planten geknakt is, zal de opbrengst doorgaans onvoldoende zijn om nog rendabel te oogsten. In dat geval is klepelen en onderwerken meestal de beste keuze.
Tenslotte werden in Wallonië, vooral in Henegouwen, voor het eerst lokaal aantastingen door Geomyza gemeld. Deze plaag, die tot nu toe vooral bekend was in het westen van Frankrijk, lijkt zich ook aan onze klimaatomstandigheden te kunnen aanpassen. De larven tasten voornamelijk jonge maïsplanten aan door in de stengel door te dringen na de eileg aan de plantvoet. Dit kan leiden tot groeivertraging, verwelking van de eerste bladeren en in ernstige gevallen zelfs tot het afsterven van de plant. De symptomen lijken soms op schade door ritnaalden, maar zonder aantasting van de stengelbasis. De schade bleef in de getroffen percelen doorgaans beperkt tot zo’n 15-20% van de planten, waardoor herinzaai meestal niet nodig was. Sommige planten kunnen de aantasting bovendien gedeeltelijk compenseren door de vorming van een zijstengel. Deze eerste waarnemingen wijzen er echter op dat een verhoogde waakzaamheid in jonge maïspercelen aangewezen is.
Grasland
Ondanks de droge voorjaarmaanden, de plaatselijk hevige onweersbuien en de hitte eind mei en eind juni kan het voorjaar van 2026 voorlopig als gunstig voor grasland worden beschouwd. De grasgroei lag in Wallonië zelfs ongeveer 20% hoger dan het langjarig gemiddelde. Ook in Vlaanderen konden op veel bedrijven reeds drie kwalitatief goede snedes worden geoogst. Op de demonstratiepercelen van Hooibeekhoeve werd tegen half juni al ongeveer 8 ton droge stof per hectare geoogst, verdeeld over drie snedes. De derde snede werd op veel bedrijven relatief vroeg geoogst om de voederkwaliteit te vrijwaren vóór de aangekondigde warme en droge periode. Hoewel dit de kwaliteit van het ruwvoeder ten goede kwam, kan een zeer korte maaibeurt de hergroei bemoeilijken doordat het grasland minder beschermd blijft tegen uitdroging en opwarming van de bodem.
De hoge temperaturen eind juni hebben de grasgroei echter duidelijk afgeremd, vooral op percelen die sterker werden blootgesteld aan droogte. Percelen met voldoende bladmassa bleven beter doorgroeien dan kort afgegraasde of zeer kort gemaaide percelen. De grasvoorraden blijven voorlopig over het algemeen voldoende om de begrazing verder te zetten, maar een aanhoudend neerslagtekort kan de grasgroei in de komende weken verder afremmen.
Ecorobotix ARA 620 combineert AI, camera’s en individuele dopaansturing voor ultralokale onkruidbestrijding. Zo spuit de machine alleen waar nodig en beperkt ze drift en middelengebruik.
Landbouwers kunnen tot 18 september 2026 subsidie aanvragen voor boslandbouw: tot 75% van de aanplantkosten, mits voldaan wordt aan strikte voorwaarden rond perceel, boomdichtheid en behoud.
Tijdelijk onttrekkingsverbod in bijna heel Antwerpen door aanhoudende droogte. Vanaf 17 juli mag water niet meer uit onbevaarbare waterlopen en grachten worden gepompt, met enkele uitzonderingen.
Hoe kunnen innovatieve technologieën bijdragen aan een rendabele en betrouwbare koolstoflandbouw? Tijdens de Vlaamse Carbon Farming Dag brengen we landbouwers, technologieaanbieders, beleidsmakers en andere stakeholders samen rond de nieuwste ontwikkelingen in carbon farming.
Hittegolven in Frankrijk en handelsverstoringen duwen de graanprijzen omhoog, met tarwe op het hoogste niveau sinds juni 2025 en toenemende zorgen over de maïsoogst.
Ecorobotix ARA 620 combineert AI, camera’s en individuele dopaansturing voor ultralokale onkruidbestrijding. Zo spuit de machine alleen waar nodig en beperkt ze drift en middelengebruik.
Landbouwers kunnen tot 18 september 2026 subsidie aanvragen voor boslandbouw: tot 75% van de aanplantkosten, mits voldaan wordt aan strikte voorwaarden rond perceel, boomdichtheid en behoud.
Tijdelijk onttrekkingsverbod in bijna heel Antwerpen door aanhoudende droogte. Vanaf 17 juli mag water niet meer uit onbevaarbare waterlopen en grachten worden gepompt, met enkele uitzonderingen.
Hoe kunnen innovatieve technologieën bijdragen aan een rendabele en betrouwbare koolstoflandbouw? Tijdens de Vlaamse Carbon Farming Dag brengen we landbouwers, technologieaanbieders, beleidsmakers en andere stakeholders samen rond de nieuwste ontwikkelingen in carbon farming.