Een agro-fotovoltaïsche installatie op een Frans landbouwbedrijf (Picardië) als innovatie én bijverdienste. Zonnepanelen leveren energie, beschermen de teelten en besturen tegelijk een efficiënt irrigatiesysteem.
Boeren aan beide kanten van de oceaan staan voor gelijkaardige uitdagingen, maar hun politieke en maatschappelijke omgeving verschillen. Oplossingen zijn niet noodzakelijk dezelfde, ook al gaat het in beide gevallen om meer zekerheid, duurzaamheid, veerkracht, innovatie, grond en arbeid, generatiewisseling, lagere kosten en betere prijzen, kortom om rentabiliteit. Ondanks alle verschillen, ook in verdienmodellen en voedselsystemen, vinden boeren en boerinnen van over de hele wereld uiteindelijk elkaar in … het boer(in) zijn.
Smaken verschillen
Boerenleiders uit Canada, de VS, Mexico en de EU komen tweejaarlijks bijeen om de balans op te maken, ervaringen uit te wisselen en moed bijeen te scharen om tegen de boze wereld in te gaan. De 41ste ‘North American - EU Agriculture Conference’ werd georganiseerd door Copa-Cogeca, de Europese koepel van landbouworganisaties en -coöperaties, waarvan Boerenbond stichtend lid is. “We zitten allemaal in hetzelfde bootje ook al ligt er een oceaan tussen ons”, zei Copa-ondervoorzitter Søren Søndergaard. De conferentie vond plaats in het Italiaanse Como aan het gelijknamige meer in de Italiaanse Alpen. De Italiaanse landbouwminister Francesco Lollobrigida verwees naar Stresa, gelegen aan het naburige Lago Maggiore, waar in juli 1958 de grondslagen van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) werden gelegd. Voedselzekerheid was toentertijd de aanleiding en doelstelling van het GLB en dat is het vandaag nog steeds.
Hij legde als eerste de vinger op een zwakke plek: hoe kunnen we jongeren nog overtuigen om voor een loopbaan in de landbouw te kiezen? Het probleem stelt zich wereldwijd. Hij gaf zelf het antwoord: “Het is niet dat jongeren niet willen, maar zij zijn op zoek naar een lucratieve sector om hun toekomst uit te bouwen.” Dat is landbouw blijkbaar niet. Lollobrigida zou geen Italiaan zijn mocht hij geen lans breken voor ‘smaak’. Echter, smaken verschillen en daar valt niet over te redetwisten. Of toch? Omdat gevreesd werd dat Italianen smaak boven voedselveiligheid zouden stellen werd lang geaarzeld om het Europese voedselagentschap EFSA in de Italiaanse stad Parma te vestigen. Schimmels, gisten en bacteriën vormen de basis van smaak — tenminste, de juiste (lees: goede) micro-organismen. Denk aan kazen, vleeswaren, alcoholische dranken, gefermenteerde producten… Ook Helsinki (Finland) met een meer noordelijke visie op voedselveiligheid was kandidaat.
Van boer tot bord
Tussen Europa en Noord-Amerika zijn meningsverschillen niet anders. Soms zijn zij subtiel, een andere keer fel uitgesproken. Neem bijvoorbeeld het begrip ‘voedselveiligheid’. Aan de andere kant van de oceaan heeft voedselveiligheid met het ‘product’ te maken. Het product op je bord.
Producten moeten voedselveilig zijn. In Europa moet het hele ‘productieproces’ veilig zijn, product inbegrepen. Dat heet: ‘van boer tot bord’ en betekent: ‘veilig voor mens, dier én milieu’. Amerikanen begrijpen dat niet. Want, wat eet je op? Toch het product, niet het productieproces. Het product kan je gezondheid schaden. Europa zegt: niet alleen het product, ook het productieproces kan je schaden. Voor Amerikanen volstaat het dat een product op het einde van het productieproces desnoods met een grove maar veilige borstel voedselveilig wordt gemaakt. Denk aan de behandeling met chloorwater van geslacht pluimvee- of varkensvlees tegen salmonella. Dat mag niet in de EU. Hier moet de hele productieketen salmonellavrij zijn, van moederkip tot filet of kippenbil. De EU verbiedt dan ook dat Amerikaanse ‘chloorkippen’ in de EU worden ingevoerd die volgens het Amerikaanse systeem voedselveilig zijn gemaakt. Het argument luidt: ‘gelijk speelveld’. Maar strikt wetenschappelijk heeft de EU geen (kippen)poot om op te staan.
Voedselveiligheid anders bekeken
Voeg daar nog aan toe dat Amerikanen, ook Britten, zeer gevoelig zijn voor biologische voedselveiligheid (bacteriën), minder voor chemische voedselveiligheid (residuen, contaminanten, additieven). Je zal Amerikanen nooit rauw of nog bloederig vlees zien eten. Een steak moet voor hen bioveilig zijn, dus goed doorbakken (‘well done’). Ze hebben hun spuitbus bij de hand om het vlees nog eens extra te ontsmetten vooraleer het op de barbecue gaat. In de EU wordt een steak vooral ‘à point’, ‘saignant’, zelfs ‘bleu’ gegeten. “Is ‘filet americain’ dan geen rauw rundsgehakt?” hoor ik je denken. Jazeker, maar dat heeft niets met Amerikanen te maken. De versie van de ‘steak tartaar’ die in Brussel in de jaren twintig van vorige eeuw op de markt kwam kreeg de verwijzing naar Amerika gewoon omdat dit in die jaren hip was. Deze verschillen in voedingsgedrag zijn historisch perfect te verklaren.
Verhaal kunnen doen
Europeanen daarentegen zijn uitermate ‘chemofoob’, hun vrees voor chemicaliën tart elke verbeelding. Door onze sterke vrees voor chemicaliën zoals residuen heeft de EU sneller dan anderen in de wereld grote kuis gehouden in zijn arsenaal gewasbeschermings- en diergezondheidsmiddelen, maar ook in voedingsadditieven zoals kleur en aroma’s. De EU stelt zeer scherpe maximale residunormen (mrl’s). In tegenstelling tot de VS waar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, kleur- en smaakstoffen veel minder in vraag worden gesteld totdat de huidige Amerikaanse minister van volksgezondheid, Robert F. Kennedy Jr., daar dit jaar opeens met zijn MAHA-project (‘Make America Healthy Again’) zijn vinger in de boter zet. Zelfs het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt in vraag gesteld. Ongezien voor de VS en de Amerikaanse landbouw. Slechte voeding, vooral ultrabewerkte voeding, ophoping van chemicaliën in de voeding uit het milieu maar ook uit de landbouw zijn volgens de MAHAcommissie oorzaak van chronische kinderziektes en obesitas. Opeens stond niet enkel de voedingsindustrie maar het Amerikaanse landbouwmodel aan de schandpaal. “We hadden er grote moeite mee,” zegt Zippy Duvall, voorzitter van de American Farm Bureau Federation. “Maar vandaag, bijna tien maanden later, hebben we geleerd dat deze aanval ons juist de gelegenheid gaf om ons verhaal te doen en duidelijk te maken waarom wij welke producten in de landbouw gebruiken.” De landbouw heeft zijn verhaal kunnen doen. En daar is het een landbouworganisatie vaak om te doen. Want wie niet wordt beluisterd, kan niet worden gehoord.
Handelsbelemmeringen
Amerikaanse soja was al onderwerp van discussie bij de oprichting van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het was toen al ‘soybeans for cars’. Dat is het vandaag nog.
Europa is altijd al strenger geweest dan anderen voor residuen, contaminanten en additieven in voeding. Denk aan de normen voor PFAS of dioxines. Het spreekt dan ook voor zich dat daarop streng wordt toegekeken bij invoer van producten uit derde landen. Dat brengt ons bij de zogenaamde niet-tarifaire handelsbelemmeringen. Tarieven zijn eenduidig. Maar naast tarieven spelen heel wat niet-tarifaire handelsbelemmeringen een grotere rol in het handelsverkeer. Zij vallen onder het SPS-akkoord binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen. Alle landen hebben dergelijke maatregelen om hun eigen bevolking te beschermen (lees: de markt af te schermen) en die kunnen in onderhandelingen worden op- of afgebouwd. Europa heeft er echter best veel en dat werkt op de zenuwen van handelspartners zoals de VS en Canada. Meer zelfs, iedereen is het erover eens dat handel aan regels moet voldoen, ook het bordspel Monoply heeft een spelreglement, maar voor Canada en de VS moeten die regels ‘science based’ zijn, wetenschappelijk onderbouwd. Europeanen leggen daar in hun discours over handelsbetrekkingen minder nadruk op want een verbod op chloorkippen, hormonenvlees of ggo’s is is niet onomstreden ‘ science based’ te noemen. Hier botsen opnieuw verschillende visies van omgaan met wetenschappelijke resultaten. Enerzijds is er het Europese voorzorgsprincipe (‘precautionary principle’) en anderzijds het meer Amerikaanse vertrouwelijkheidsprincipe (‘familarity principle’). Het voorzorgsprincipe gaat uit van ‘beter voorkomen dan genezen’. Wanneer wetenschap ook maar enige twijfel toont, kan het worden ingeroepen. Amerikanen vertrouwen op de laatste wetenschappelijke bevindingen, de zogenaamde ‘last science’. Voeg daar nog aan toe dat in de EU de politiek het laatste woord heeft bij risicobeheer en dat politiek kan afwijken van de wetenschap omdat ook maatschappelijke bevindingen relevant kunnen zijn. Gevolg is dan dat nieuwe ontwikkelingen in de VS sneller worden geïmplementeerd dan in de EU. Maar dat men in de VS soms eens een product terug uit de markt moet nemen zoals het melkhormoon (BST), niet omwille van volksgezondheid maar van dierenwelzijn (mastistis). Het product werd in de EU nooit toegelaten. Echter wie te veel voorzorgen neemt, komt vaak te laat.
Wetenschap of emotie
“Regels voor het handelsbeleid moeten op wetenschappelijke bevindingen zijn gestoeld en niet op emoties”, zei Keith Currie, voorzitter van de Canadian Federation of Agriculture (CFA). Hij stond dan weer wel achter het Europese standpunt om de multilaterale handelsonderhandelingen in het kader van de Wereldhandelorganisatie (WTO) nieuw leven in te blazen, wat dan weer door de Amerikanen werd weggewuifd. Dat handel noodzakelijk is, betwijfelt niemand. Want geen voedselzekerheid zonder handel. Tot nog toe legde de WTO een ‘multilaterale’ basis waarop bilaterale handelsafspraken konden verder bouwen. Dat is niet langer het geval sinds de VS de stekker uit de WTO heeft getrokken. Vandaag draait alles om bilaterale akkoorden zonder enige vorm van gemeenschappelijk basis. Europees landbouwcommissaris Christophe Hansen maakte in zijn uiteenzetting een rondje langs de verschillende handelsakkoorden en handelsdeals die er momenteel lopen en blikte vooruit op de toekomst. Wat de EU en de VS betreft, hoopt hij nog altijd op een ‘zero’ voor ‘zero’-handelsdeal. Inmiddels mag niet worden vergeten dat de combinatie Canada, de VS en Mexico op zich al één van de machtigste handelsblokken in de wereld is. In 2026 wil Trump trouwens het USMCA, de opvolger van NAFTA, nieuw leven inblazen nadat hij eerder door zijn wederkerige handelstarieven zijn twee Noord-Amerikaanse handelspartners uit elkaar heeft gespeeld.
Meer toegevoegde waarde
Harry Smit van Rabobank was duidelijk: “Voedingsmarkten zullen op wereldvlak blijven groeien. De belangrijkste groei zal echter niet in volume zijn maar in toegevoegde waarde.” Die boodschap sloeg aan. Zowel Mexicaanse als Amerikaanse boeren weten dat zij de weg naar meer toegevoegde waarde moeten inslaan. De vraag is alleen wie het meeste voordeel haalt uit die toegevoegde waarde, de boer of de daaropvolgende schakels in de keten. Hier kunnen coöperaties het verschil maken. Toegevoegde waarde bracht ons terug naar het gastland Italië en het smaakpleidooi van de Italiaanse landbouwminister Lollobrigida. Smaak en beleving worden ook als toegevoegde waarde beschouwd. Italië zet al sinds de eerste Europese verordening van 1992 zwaar in op Europese beschermde oorsprongsbenaming (BOB) met tot nog toe 858 van de 3000 Europees erkende streekproducten. Een geografische aanduiding (GI) is een erkend intellectueel eigendom en als dusdanig beschermd. Op deze manier kan zowel binnen als buiten de EU meerwaarde worden gecreëerd. In Europese handelsakkoorden spelen erkende streekproducten een steeds grotere rol, wat door handelspartners zoals de VS en Canada niet graag wordt gezien. “Waarom zouden we in Texas ook geen Grana Padano mogen maken”, liet Zipp Duvall, voorzitter van de grootste Amerikaanse landbouworganisatie, American Farm Bureau Federation, zich ontvallen. Meteen een gevoeligheid die kwam bovendrijven. Er zouden er nog volgen. Lollobrigida wist toen nog niet dat de Amerikaanse president Trump dertien Italiaanse pastafabrieken een extra handelstarief van 92% wil opleggen bovenop het huidige algemene invoertarief van 15%. Naar verluidt omdat zij in de VS aan dumpingprijzen zouden verkopen. Hij zou er de Amerikanen in de wandelgangen zeker op hebben aangesproken. Amerikanen zitten wat verveeld met het feit dat zij goede landbouwgrondstoffen uitvoeren en vooral voeding invoeren. Waarom van de grondstoffen niet meer zelf voeding maken? Dat is wat Trump beoogt met zijn handelstarieven, maar dat keer je niet in een handomdraai.
Aan het werk
Dat brengt ons terug naar het begin van ons verhaal en het nabijgelegen Stresa. De Italiaanse landbouwminister verwees ernaar omdat daar in 1958 het Europees landbouwbeleid werd ontworpen. Aan de tafel zaten naast Europees landbouwcommissaris Sicco Mansholt en de toenmalige zes EEGlidstaten ook vertegenwoordigers van de landbouworganisaties, onder meer van Boerenbond. Met andere woorden de boeren zaten mee aan de ontwerptafel van het Europees landbouwbeleid. Er werd niet over hen, maar mét hen gesproken. Jazeker, het heeft dan nog vier jaar geduurd vooraleer het beleid volledig ingevuld geraakte en het GLB in 1962 van start kon gaan maar er werd geluisterd naar de ‘boots on the ground’. Inmiddels is het maatschappelijk speelveld veranderd. Vandaag zouden daar ook milieu-, klimaat- en consumentenorganisaties aanwezig zijn geweest. Hoe dan ook willen boeren hun verhaal kunnen en mogen doen. Zij willen gehoord worden boven alle andere belangen, toeters en bellen uit wanneer het om hun toekomst gaat. Bij zijn thuiskomst in de VS wachtte Zippy Duvall een koude douche. Door de ‘shutdown’ van de Amerikaanse overheid en dus ook van het USDA kan de fel bevochten en beloofde noodsteun niet worden uitbetaald. Hij moet zijn leden opnieuw mobiliseren om congresleden en het Witte Huis onder druk te zetten. De Europese boerenleiders moesten nog dringend hun volgende ‘flash actie’ tegen de Europese voorstellen van het MFK voorbereiden. Ook voor de Canadese en Mexicaanse boerenleiders was het werk op het thuisfront niet blijven liggen. Hun regeringen moesten dringend worden aangespoord om in Washington de Amerikaanse handelstarieven aan te vechten en in Brussel de administratieve rompslomp die de Europese verordening inzake ontbossingsvrije producten oplegt.
Beitems Bodemfestival bracht landbouwers, onderzoekers en machinebouwers samen rond bodemgezondheid, met demo’s, getuigenissen en praktijkinzichten over innovatie, precisielandbouw en duurzaam bodembeheer.
De stormschade van 27 op 28 juni heeft heel wat mais doen omvallen. Het (Landbouwcentrum voor Voedergewassen) publiceert nu een beslissingsboom die je helpt te beslissen wat je moet doen na schade.
Peilbesluiten bepalen waterpeilen in Vlaanderen en beïnvloeden landbouw, natuur en bedrijfsvoering. Ontdek hoe de procedure verloopt, waar inspraak mogelijk is en wat de impact is op percelen.
VMM werkt aan een totaalplan voor de Getestreek om wateroverlast beter op te vangen, met maatregelen per deelgebied en prioriteit voor woonkernen. De stand van zaken van dit klimaatrobuuste project.
Campo Solar groeide in tien jaar van een tuinfeest uit tot een festival voor 30.000 bezoekers, met landbouw als hart van de beleving: tussen mais, bloemen en lokale smaken.
Proefstation voor de Groenteteelt en Proefcentrum Hoogstraten fuseren tot Harvestis. De directeurs leggen uit hoe die nieuwe praktijkonderzoeksfederatie telers beter wil ondersteunen met gerichte innovatie.