Toegang tot voldoende betaalbare landbouwgrond is essentieel voor het duurzaam behoud van een sterke land- en tuinbouwsector in Vlaanderen en moet ook voorop blijven staan in het ruimtelijk beleid. De open ruimte kent evenwel ook andere ruimtegebruikers, met elk hun eigen ruimtevraag. Zo is het platteland ook de thuis van heel wat paardenhouders.
Het huidige regelgevend kader is niet altijd even helder als het gaat over paardenhouderij. In sommige gevallen wordt ze beschouwd als zone-eigen (bijvoorbeeld de professionele paardenfokkerij), terwijl ze in andere gevallen duidelijk geen para-agrarisch karakter meer heeft, en dus wordt aangemerkt als zonevreemd.
Voor Boerenbond is paardenhouderij, in al zijn verschijningsvormen, geen land- of tuinbouwactiviteit.
Visie rond paardenhouderij in landbouwgebied
Voor Boerenbond is het duidelijk dat paardenhouderij, in al zijn verschijningsvormen, geen land-of tuinbouwactiviteit is. Anderzijds is er ook begrip voor de ruimtelijke vragen vanuit de sector. Binnen de structuren werd daarom ook een visie opgebouwd rond paardenhouderij in het landbouwgebied. Die visie bouwt voort op de eerder ontwikkelde visie rond zonevreemde functiewijzigingen:
Paardenhouderij is geen land-en tuinbouwactiviteit, maar moet wel een plaats kunnen krijgen in het agrarisch gebied binnen het kader van een zonevreemde functiewijziging. De vestiging van een paardenhouderij in een leegstaande landbouwzetel zonder landbouwpotentieel is daarom een valabele piste, op voorwaarde dat ze een professioneel karakter heeft. Om te spreken van een professionele paardenhouderij lijkt het creëren van een economische meerwaarden met ten minste 20 paarden het minimum.
Gronden die echter niet strikt noodzakelijk zijn voor de nieuwe functie moeten echter nog steeds maximaal gevrijwaard blijven voor landbouw.
De woning kan als bedrijfswoning behouden blijven en ook gebouwen, constructies en verhardingen kunnen behouden blijven, op voorwaarde dat ze noodzakelijk zijn voor de nieuwe bedrijfsvoering. Als dat niet het geval is, dan is het logisch dat ze worden gesloopt en onthard.
Het is uiteraard denkbaar dat er voor de nieuwe functie van paardenhouderij bepaalde investeringen, verbouwingen, uitbreiding of zelfs nieuwe gebouwen of constructies nodig zijn. Het is evident dat die enkel kunnen worden toegestaan als de bestaande infrastructuur aantoonbaar ontoereikend is en de investeringen strikt noodzakelijk zijn voor de professionele uitbating. Voor landbouwbedrijven is dat overigens niet anders. Voor Boerenbond is het logisch dat een dergelijke ontwikkeling wel altijd moet gebeuren binnen het bestaande ruimtebeslag op de site, dat de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet mag worden overschreden en dat er een kwalitatieve landschappelijke inpassing gebeurt;
Een dergelijke functiewijziging kan uiteraard steeds maar vergund worden binnen het bestaande emissieplafond van de site. Maar het is daarbij niet buitensporig om ook te verwachten dat er nog een bijkomende reductie-inspanning wordt geleverd, zodat ook de paardensector zijn steentje bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen.
Tot slot spreekt het voor zich dat ook professionele paardenhouders zich moeten schikken naar de omgevingsregels in landbouwgebied en dus op dat vlak op dezelfde manier moeten worden behandeld als landbouwbedrijven.