“Niet inzetten op zuivelproductie zou een gemiste kans zijn”
Aangemaakt op
Wanneer de melk opgehaald wordt zit de inspanning van de melkveehouder erop, maar begint die van de zuivelverwerking. Melkproductie en zuivelverwerking zijn onlosmakelijk aan elkaar vastgeklonken, benadrukt Lien Callewaert van zuivelverwerkersfederatie BCZ. “De melkveehouderij is een strategische sector, maar de zuivelverwerking is dat ook.”
De melk die uit de koe komt is dezelfde als die van tien jaar geleden, maar de zuivelmarkt is veranderd. Het melkquotum verdween in 2015. En waar melkveehouders aanvankelijk bij een aantal zuivelverwerkers richting de uitgang werden geduwd, keerde dit de laatste jaren 180 graden en startte er een war on milk. Dat leidde tot nieuwe spelers op de markt, maar ook bestaande die werden opgegeten. Dat alles terwijl vanuit natuur (stikstof) en klimaat (methaan) forse uitdagingen op het bord worden gelegd van de melkveehouders en dus ook de zuivelindustrie. Lien Callewaert is – in opvolging van Renaat Debergh - al twee jaar de nieuwe directeur van de Belgische Confederatie van de zuivelindustrie (BCZ). Zij ziet de uitdagingen, maar ook de opportuniteiten.
In zuivelmarktanalyses gaat het bij de onderliggende grondstromen vaak over de wereldmarkt. China importeert nu al drie jaar op rij minder zuivelproducten. Voor mageremelkpoeder gaat zelfs om een daling van 34% ten opzichte van 2022. Moeten we ons zorgen maken?
“Ik denk het niet. Het IFCN – dat wereldwijd data over de zuivelmarkt verzamelt – ziet een globale stijging van de vraag met vijftien procent tegen 2030. De verwachting is dat er in regio’s zoals Zuid-Oost-Azië, Vietnam, Indonesië en Thailand nog een sterke vraaggroei zal plaatsvinden. Zeker voor de melk uit regio’s die efficiënt en duurzaam produceren zoals in ons land of onze buurlanden biedt dit opportuniteiten.”
Ons land lijkt daarop in te spelen. Deze zomer raakte bekend dat er in ons land minder melkpoeder werd geproduceerd, maar meer mozzarella. Een goede keuze in die optiek?
“Dat is het huiswerk van elke ondernemer, om te kijken waar de marktkansen zijn en met welke producten hij de beste valorisatie kan bekomen. Een aantal van onze verwerkers hebben fors ingezet op kaas, net omdat de wereldvraag er is.”
Een instorting van de prijzen zie je dus niet meteen aankomen?
“Neen, IFCN spreekt in dat kader zelfs over een nieuw tijdperk. We kenden een absolute piek in 2022, maar het dal erna is uitgebleven en werd eerder een zachte landing. De verwachting is dat het basisniveau van de melkprijs op een merkelijk hoger niveau blijft.”
Blijft het niet vreemd dat zelfs een melkveehouder in het kleinste Vlaamse gehucht, afhankelijk is voor zijn melkprijs van het Verre Oosten?
“Onze zuivelverwerkers opereren nu eenmaal op een Europese en wereldmarkt. Als klein landje moeten we niet de illusie hebben dat we daar los van kunnen opereren. Dat zuivelbedrijven kunnen inspelen op marktkansen wereldwijd om hun melk te valoriseren is iets wat we moeten omarmen en is in het voordeel van de melkveehouders. Tegelijkertijd wil ik ook nuanceren. Meer dan 70% van wat onze zuivelverwerkers produceren, blijft binnen Europa, met onze buurlanden als belangrijkste bestemmingen. We voeren bovendien ook zuivel in, denk maar aan de Franse kazen.”
Die wereldhandel lijkt in de ban van de verhoogde handelstarieven van de VS. Een bedreiging?
“De VS staat voor zuivel op de twintigste plaats in de ranglijst van voor ons belangrijke exportlanden. De directe effecten blijven dus beperkt. Maar een verstoring van de internationale markt heeft altijd een negatieve impact. Spanningen tussen de VS en andere landen kunnen ons ook onrechtstreeks raken.”
Dat hoger basisniveau van de melkprijs waar je daarnet over sprak, zijn de BCZ-leden daar blij mee?
“Om te beginnen is het goed voor de melkveehouders dat er hogere prijzen zijn. Het geeft hen ademruimte en financiële buffer om de uitdagingen van de toekomst aan te gaan. Maar voor de zuivelverwerkers is de melkprijs een belangrijke kostenpost die ze onvoldoende kunnen doorrekenen. De marges van de hele voedingssector zijn laag, die van de zuivelindustrie nog lager en die marge is nog verder gedaald.”
Wat zijn de gevolgen?
“Er wordt nog altijd veel geïnvesteerd, maar er is toch enige terughoudendheid ingeslopen. De zuivelverwerkers zetten hun weerbaarheid op scherp, kijken nog meer naar hun strategie en productengamma. Ook de zuivelverwerking heeft marge nodig om in te zetten op de uitdagingen van de toekomst.”
Tezelfdertijd is de nationale melkproductie vorig jaar gedaald, een trend die zich alvast de eerste helft van dit jaar voortzette. Onderbenutte installaties bij de zuivelverwerkers zetten de marges nog meer onder druk.
“Sedert 2015 is er in ons land 22% meer melk bijgekomen. Onze leden hebben fors geïnvesteerd om al die bijkomende melk verder te verwerken. Als melkleveringen verder dalen, is er een risico op onderbenutting van de installaties, wat nefast is voor de efficiëntie en dus de competitiviteit van onze bedrijven. De vraag is dan hoe die uitdaging aan te gaan. De veranderingen in het Belgische zuivellandschap van de afgelopen jaren tonen dat zuivelverwerkers bekijken wat de efficiëntste manier van werken is, en hoe de beste valorisaties te bekomen.”
A-ware sluit de Olympiavestiging in Herfelingen. Moeten we nog vrezen voor verdere sluitingen van installaties of sites, zeker bij ondernemingen waar het beslissingscentrum in het buitenland ligt of is komen te liggen?
“Elke onderneming is gedwongen om ervoor te zorgen dat de efficiëntie en rendabiliteit top is. Ook onze leden evalueren voortdurend welke investeringen ze doen en hoe ze hun efficiëntie kunnen verhogen. Als land is het zaak om ervoor te zorgen dat de ondernemingscontext positief is zodat de bedrijven hier blijven produceren. De landbouw is als strategische sector benoemd, en dat is goed. Maar onze boodschap is: vergeet de industrie niet. Ook die is strategisch. Zonder melkveehouderij geen verwerkende industrie, maar omgekeerd geldt dat ook. We zijn communicerende vaten. Zorg ervoor dat we de Belgische zuivelverwerking hier kunnen houden, ten voordele van de hele sector. Ik denk daarbij aan de loonhandicap met ons omringende landen, aan de nog steeds toenemende regeldruk of de lange vergunningentrajecten.”
Zie je in de toekomst meer Belgische melk verwerkt worden in het buitenland?
“Daar ga ik niet van uit, hoewel de druk vanuit het buitenland er wel zal zijn. Maar net als de melkveehouderij is de zuivelverwerking lokaal verankerd. In principe wil een zuivelverwerker dicht bij de eigen site ophalen. We slagen er in ons land in om de producten met de juiste technische vereisten te produceren, en ook in het garanderen van een erg hoge voedselveiligheid hebben we toch als Belgische sector een mooie expertise aan te bieden. We hebben een weerbare sector, maar die is niet zomaar gegeven. Zowel het beleid, de verwerking als de melkveehouders zullen scherp moeten blijven.”
BCZ zette samen met de landbouworganisaties de duurzaamheidsmonitor op poten en zet ook mee de schouders onder de klimaatimpact-berekeningstool Klimrek. Kunnen we op het vlak van duurzaamheid als land voldoende zelf de lijnen uittekenen of zijn we afhankelijk geworden van wat internationale zuivelophalers opleggen?
“Net omwille van die bezorgdheid inventariseren we in de duurzaamheidsmonitor van MilkBE heel breed. Op die manier kan die een aanknopingspunt vormen voor heel veel verschillende insteken. Verwerkers kunnen er volgens hun eigen visie mee aan de slag, en als sector geeft het de data om te communiceren over de hele sector. Er gebeurt al heel veel, al is dat niet altijd even goed geweten bij het beleid of de consument. Uiteindelijk moeten we daartoe komen, dat de inspanningen die doorheen de keten gebeuren ook gewaardeerd worden door de consument.”
Maar als internationale hoofdkwartieren kiezen voor één aanpak, kan er dan voldoende rekening gehouden worden met lokale gevoeligheden?
“Het is een evenwicht tussen het aanpakken van lokale uitdagingen enerzijds en de internationale insteek van verschillende zuivelverwerkers anderzijds. Rond stikstof of het Convenant Enterische Emissies is het beleid nationaal. Dat nationale beleid moet er wel voor zorgen dat we als sector internationaal nog mee kunnen. De bekommernissen van de melkveehouders zijn ook de onze.”
Er zijn de grote thema’s zoals natuur en klimaat, maar soms zijn er ook (kleine) steekvlammen die onrust veroorzaken. Zo kwam eind vorig jaar het voederadditief en methaanremmer 3-nop onder vuur te liggen van complotdenkers.
“Het is jammer genoeg onvermijdelijk geworden dat er over tal van onderwerpen online misinformatie gespuid wordt. Terwijl het wetenschappelijke onderzoek wel duidelijk is. 3-nop is veilig voor melkkoeien,en er is geen enkele reden tot ongerustheid in deze rond voedselveiligheid. We vragen zelf voortdurend dat het beleid zich baseert op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek om tot langetermijnoplosssingen te komen. Die standaard moeten we aanhouden en durven kiezen voor technologie en innovatie, uiteraard mits de nodige onderbouwing en garanties met veiligheid voor dier én mens geleverd werden. Voor ons is 3-nop één middel om op een realistische manier vooruitgang te boeken op het vlak van methaanreductie, zonder toegevingen te doen op voedselveiligheid. Als we ons laten afschrikken telkens wanneer er ergens misleidende informatie over online verschijnt, wordt elk thema taboe.”
De effectiviteit van 3-nop blijkt met 26% vrij groot te zijn, maar er staat een kostenplaatje tegenover, zelfs na tussenkomst van de ecoregeling. Wie moet die overblijvende rekening opnemen?
“Er zijn zuivelverwerkers die tussenkomen voor de kosten van 3-nop. Anderen bieden andere premies of duurzaamheidsprogramma’s aan. Zuivelverwerkers zijn daar vrij in, er is geen one size fits all. Veel hangt af van hoe de schakels nà de zuivelverwerker willen meegaan in het verhaal. We moeten evolueren richting een systeem waarbij de inspanningen die doorheen de sector gebeuren verderop gevaloriseerd worden in de keten, tot bij de consument.”
Iedereen moet zijn deel doen?
“Zeker. Als sector scharen we ons volledig achter de verduurzaming; dit is een prioriteit. Alles wat klimaat betreft, lijkt meer en meer een license to produce te worden. Daarom dat we ook samen met de landbouworganisaties in MilkBE het duurzaamheidscharter opgesteld hebben, met een pakket aan maatregelen die de schakels op hun niveau kunnen nemen. Ik merk veel dynamiek in de keten om deze uitdagingen aan te gaan. Het grote aantal klimaatscans dat uitgevoerd is, toont aan dat de sector er werk van maakt. Ik zou een oproep willen doen aan melkveehouders om met de inzichten van klimaatscans zeker aan de slag te gaan en te kijken wat haalbaar is voor hun bedrijf. Het is door met zijn allen stappen vooruit te zetten dat we op sectorniveau iets kunnen bereiken. We moeten er samen de schouders onder zetten. Liever dat dan dat een rigide kader dat van bovenaf opgelegd wordt.”
Wordt er naar jullie geluisterd op beleidsniveau?
“Dat zou toch moeten. Het beleid heeft er alle belang bij de troeven van onze sector verder te benutten. De omzet van de voedingsindustrie is goed voor 25% van de totale industrie. Daarbinnen is de zuivelsector goed voor 9% en stelt ze 6000 mensen te werk. Daarnaast verwerken we een heel natuurlijk product, met nutritionele kwaliteiten en gezondheidseffecten die niet zomaar te evenaren zijn. Het recentste advies van de Hoge Gezondheidsraad herbevestigde de prominente plaats van zuivel in de aanbevelingen. 88% van de Belgische bevolking haalt de aanbevelingen voor zuivel echter niet. Dat betekent dat de gezondheidsvoordelen van zuivel nog niet volledig benut worden. Ook daar zijn dus nog mooie groeikansen voor zuivel. ”
Waar hoop je dat de sector over tien jaar staat?
“Ik hoop dat we over tien jaar onze sector verder hebben kunnen verankeren hier bij ons. En dat we stappen verder gezet hebben in het verduurzamen van de sector. Elke schakel op zijn manier, maar wel met de hele keten vooruit. De grondstromen binnen de zuivelsector zitten goed. Vraag en opportuniteit zijn er. Het zou een gemiste kans zijn mochten we er als België niet op inzetten. Maar daarvoor moeten we nu de juiste randvoorwaarden creëren.”
Vlaamse brouwgerst komt sterk uit het veld, maar voldoet ze ook aan de strenge eisen voor calibrage, eiwit en vocht? Ontdek waar kwaliteit het verschil maakt bij ontvangst en afname.
Te lichte biggen, oplopende uitval en een ontevreden afnemer: op een zeugenbedrijf met 280 zeugen stapelden de problemen zich op. DGZ vertelt hoe ze de boosdoener - PRRS - onder de knoet kregen.
De Europese Commissie zet veehouderij opnieuw centraal met een strategie richting 2040: meer rendabiliteit, minder vergunningenknelpunten, aandacht voor dierziekten, mest als grondstof en een sterker Europees eiwitplan.
De ene (te) warme periode is nog niet goed en wel verteerd, of daar is de volgende al. Zeker bij langere periodes van hitte is het nodig om in te zetten op maatregelen die het verschil maken.
Boerenbond vraagt meer nuance in het debat over eendagskuikens: een wettelijk verbod is volgens de sector technisch onzeker, duur en slecht voor de concurrentiekracht. Eerst overleg, dan beleid.