Van veld naar verdienmodel: ‘Teelt is maar één helft van het verhaal’
Tom Nijs en Ann Geys van het Nijswolkje in Rillaar (Aarschot) houden niet enkel schapen. Ze telen ook gele spliterwten, kikkererwten en quinoa. Ze doen aan akkerbouw om hun eigen dieren te voederen, maar ook om lokale plantaardige producten rechtstreeks bij de consument en professionele afnemers te brengen. Hun ervaring leert: de teelt is maar één helft van het verhaal. Zonder verwerking, afzet en samenwerking komt een nieuwe keten niet van de grond.
“In het begin teelden we granen en maïs”, vertelt Tom. “Door de dalende prijzen zijn we anders gaan denken. We telen nu mengteelten van granen en bonen, luzerne en erwten. Daarmee kunnen we de schapen van Het Nijswolkje voeren. Omdat onze zuivel en vlees al via de korte keten wordt verkocht, lag een volgende stap voor de hand: de akkerbouwgewassen per kilogram verkopen.”
Het zelf produceren van voer levert niet automatisch extra winst op. “Nee, het vraagt machines om te pletten en triëren, opslagruimte en veel arbeid. Krachtvoer kopen is eenvoudiger. De meerwaarde zit vandaag vooral in een duurzamer en geloofwaardiger verhaal.”
Ook bij gele erwt, kikkererwt, quinoa, zoete maïs en bonen blijft de afzet doorslaggevend. “De belangstelling voor eiwitgewassen groeit, maar een stijgend areaal is nog geen garantie op een stijgend inkomen”, zeggen Tom en Ann. “Contractteelt en projecten met grotere afnemers kunnen zekerheid bieden. In de korte keten kan een landbouwer een hogere prijs vragen en zo een deel van het teeltrisico opvangen, maar dan moet het product wel aantrekkelijk zijn voor de klant.”
De gele spliterwt illustreert die uitdaging. Het gewas heeft mogelijkheden als lokale eiwitbron, maar verkoopt minder vanzelfsprekend als consumentenproduct. “Quinoa heeft moderner imago”, weet Tom. “Zeker bij jongeren.” Voor gele erwt lijken grootkeukens, cateraars en verwerkers daarom kansrijker dan verkoop in zakjes via markten en hoevewinkels.
Toch biedt quinoa perspectief. Eenmaal goed ontwikkeld kan quinoa beter met droogte omgaan dan veel klassieke gewassen en het onderscheidt zich ook op een andere manier. “Geïmporteerde quinoa smaakt voor mij vrij neutraal, terwijl onze quinoa een uitgesproken, nootachtige smaak heeft”, legt Tom uit.
Lokale quinoa vraagt soms wat meer uitleg aan de consument. De uitdaging is om die troeven te vertalen naar toegankelijke toepassingen, van bereide maaltijden en salades tot brood, snacks en andere verwerkte producten.
Precies daar ligt de groeikans. Hoevewinkels kunnen het lokale verhaal zichtbaar maken, maar voor grotere volumes zijn cateraars, grootkeukens, voedingsbedrijven en retailers nodig. Nieuwe producten kunnen de drempel voor consumenten verlagen. “We moeten met Belgische quinoa naar buiten komen”, klinkt het. “Alleen als landbouwers, verwerkers en afnemers samen producten ontwikkelen, kan de korte keten uitgroeien tot een echte markt.”
Tom Nijs en Ann Geys van het Nijswolkje in Rillaar (Aarschot)
Maak de ketenklik
Nieuwe teelten worden pas succesvol wanneer vraag en aanbod elkaar tijdig vinden. Daarom brengt de provincie Vlaams-Brabant tijdens Ketenklik landbouwers, voedselverwerkers, producenten, onderzoekers en andere ketenpartners samen voor gerichte matchmaking en kennisuitwisseling. Het event vindt plaats op dinsdag 24 november 2026 in het Provinciehuis in Leuven, als namiddagprogramma van de voedseldag Eet-Wijs.
Heb je een lokaal gewas waarvoor je een afnemer zoekt? Werk je aan een voedingsproduct en wil je grondstoffen van dichtbij inkopen? Of beschik je over kennis, technologie of verwerkingscapaciteit die een keten vooruit kan helpen? Dan is Ketenklik de plek om concrete contacten te leggen en samen nieuwe producten van Vlaamse bodem marktrijp te maken.