De juiste spuittechniek hangt af van wat je wilt raken
De keuze van een spuitdop is meer dan een kwestie van driftreductie. Druppelgrootte, druppelsnelheid, spuitvolume, gewasstadium en het doelwit bepalen mee hoeveel spuitvloeistof uiteindelijk op de juiste plaats terechtkomt. Dat blijkt uit het vierjarige Optispray-project, waarin verschillende spuittechnieken werden onderzocht in wintertarwe, aardappelen en spruitkool. Ook labo- en bio-efficiëntieproeven met herbiciden leverden belangrijke nuances op. De conclusie: dé beste spuittechniek bestaat niet. De optimale keuze hangt af van de toepassing.
Driftreductie hoeft niet ten koste te gaan van werking
Een belangrijk uitgangspunt van Optispray was de vraag of driftreducerende doppen ook voldoende efficiënt blijven werken. In Vlaanderen moet bij gewasbescherming een hoge driftreductie worden gerealiseerd. Dat betekent in de praktijk vaak dat met grovere druppels wordt gewerkt. Die zijn minder gevoelig voor drift, maar gedragen zich anders wanneer ze op een plant terechtkomen.
Uit de labo-experimenten van KU Leuven bleek dat driftreducerende doppen in het merendeel van de onderzochte situaties een vergelijkbare bio-efficiëntie haalden als de fijnere referentiedop. In ongeveer 80% van de onderzochte dosis-responsrelaties was er geen significant verschil. Dat betekent dat een driftreducerende dop bij de maximale veld-dosering doorgaans een goede bestrijding kon geven.
De uitzonderingen zijn net interessant voor de praktijk. Vooral bij kleine doelwitten, moeilijk bevochtigbare onkruiden, bepaalde contactherbiciden en spuitoplossingen met een hoge oppervlaktespanning werd de dopkeuze belangrijker. Bij een klein onkruid is de kans bijvoorbeeld kleiner dat een zeer grove druppel het doelwit goed raakt. Op een moeilijk bevochtigbaar blad kan een druppel bovendien afkaatsen of uiteenspatten wanneer hij met een hoge snelheid inslaat.
Ook binnen de groep van driftreducerende doppen bestaan verschillen. Niet alle doppen met bijvoorbeeld 90% driftreductie zijn even robuust. De proeven wijzen erop dat niet alleen de druppelgrootte, maar ook de snelheid waarmee de druppel het blad bereikt een rol speelt.
Fijne druppels geven meer bedekking, maar zijn niet altijd de beste keuze
De veldproeven in wintertarwe, aardappelen en spruitkool bevestigen dat de techniek anders kan presteren afhankelijk van waar in het gewas de spuitvloeistof terecht moet komen.
Bij wintertarwe werd onder meer gekeken naar depositie en bedekking op verschillende plaatsen in het gewas. Daaruit bleek dat de verschillen tussen technieken niet overal hetzelfde waren. Luchtondersteuning in combinatie met fijne druppels gaf op bepaalde plaatsen een hoge bedekking. Een grove, driftreducerende druppel gaf daar minder bedekking. Dat is logisch: kleinere druppels kunnen een groter oppervlak bedekken.
Dat betekent echter niet dat fijne druppels altijd de voorkeur verdienen. De keuze voor grovere druppels blijft belangrijk om verliezen door drift te beperken. De uitdaging is dus om een druppelspectrum te kiezen dat voldoende driftreductie combineert met een goede depositie op het doelwit.
Ook de bio-efficiëntieproeven in tarwe tonen hoe belangrijk de omstandigheden zijn. In 2025 was de ziektedruk erg laag, waardoor geen significante verschillen tussen de geteste technieken konden worden vastgesteld. In 2026 was wel duidelijk dat behandelen een effect had ten opzichte van de onbehandelde controle, maar onderling waren de verschillen tussen de technieken opnieuw beperkt. In één waarnemingsmoment was er wel een aanwijzing dat de Wingsprayer beter presteerde dan de referentietechniek voor gele en bruine roest. Dat resultaat moet volgens de onderzoekers wel voorzichtig worden geïnterpreteerd.
In aardappelen blijft de onderzijde moeilijk bereikbaar
Ook in aardappelen waren de verschillen tussen technieken niet overal even groot. De proeven lieten vooral zien dat het moeilijk blijft om de onderzijde van bladeren goed te bereiken. Luchtondersteuning en de Wingsprayer konden op verschillende posities in het gewas een betere depositie en bedekking geven dan de standaardtechniek. De twee technieken vertoonden onderling bovendien vrij vergelijkbare resultaten.
De CFD-simulaties bevestigden dat beeld. Ze maakten het mogelijk om te berekenen hoe druppels zich door verschillende gewassen bewegen en waar ze uiteindelijk terechtkomen. Daarbij werd ook het effect van de rijsnelheid zichtbaar. In de simulaties nam de bedekking toe wanneer trager werd gereden.
De bio-efficiëntieproeven in aardappelen leverden dan weer niet elk jaar duidelijke verschillen op. In 2025 was er nauwelijks ziektedruk, waardoor geen verschillen tussen de spuittechnieken konden worden vastgesteld. In 2026 werd vroeger gestart met de behandelingen, maar ook toen bleven de verschillen beperkt. Dat illustreert meteen een beperking van veldproeven: wanneer de natuurlijke plaag- of ziektedruk laag is, is het moeilijk om verschillen tussen toepassingstechnieken zichtbaar te maken.
In spruitkool is de plaats van het doelwit bepalend
In spruitkool kwam nog een andere nuance naar voren. In het project werden onder meer zogenoemde droplegs getest. Daarbij worden verticale buizen aan de spuitboom gemonteerd, met onderaan doppen die zijwaarts en omhoog in het gewas spuiten. De techniek is bedoeld om dieper in het gewas te komen.
De proeven bevestigden dat potentieel, maar toonden ook de beperking. Wanneer het doelwit zich bovenaan het gewas bevindt, hebben droplegs meer moeite om daar te komen. Voor plagen die zich vooral aan de onderzijde van bladeren bevinden, kan de techniek wel interessant zijn. Luchtondersteuning scoorde dan weer goed voor de bedekking hoger in het gewas.
Ook hier bleek dus opnieuw dat er niet één techniek is die voor elke situatie het beste werkt.
Meer water betekent niet automatisch meer werking
Een van de opvallendste resultaten uit de labo-experimenten ging over het spuitvolume. Op watergevoelig papier zorgt een hoger volume uiteraard voor meer bedekking. Maar wanneer dezelfde proeven op echte planten werden uitgevoerd, leidde een hoger spuitvolume niet automatisch tot een betere bestrijding.
Binnen het onderzochte traject van 120 tot 360 liter per hectare was 120 liter per hectare nooit significant slechter dan de hogere volumes. Bij driftreducerende doppen werd bovendien vaker een lagere bio-efficiëntie vastgesteld wanneer het spuitvolume werd verhoogd.
Dat effect was vooral duidelijk bij moeilijk bevochtigbare onkruiden en bij bepaalde herbiciden. Een verklaring is dat een groter volume de werkzame stof en ook de formulering en hulpstoffen sterker verdunt. Meer vloeistof op het blad betekent daardoor niet noodzakelijk dat er meer werkzame stof effectief wordt opgenomen.
Hulpstoffen kunnen het verschil verkleinen
De laboresultaten tonen ook dat de eigenschappen van de spuitvloeistof zelf belangrijk zijn. Hulpstoffen kunnen de spreiding en retentie van druppels verbeteren en daardoor de verschillen tussen doppen gedeeltelijk wegwerken.
In bepaalde proeven verdween het verschil in bio-efficiëntie tussen een fijne referentiedop en grovere driftreducerende doppen wanneer een geschikte hulpstof aan de spuitoplossing werd toegevoegd. De onderzoekers benadrukken daarbij dat dit niet zomaar betekent dat de dosering kan worden verlaagd. Het gaat vooral om een efficiëntere en robuustere toepassing.
Bovendien moet de keuze van een hulpstof altijd worden afgestemd op het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en de toegelaten toepassingen. Niet elke combinatie is geschikt of erkend.
Van 700 simulaties naar een praktische keuze
Om de grote hoeveelheid mogelijke combinaties beter te kunnen beoordelen, ontwikkelde Optispray een CFD-model. CFD staat voor Computational Fluid Dynamics en laat toe om met computers te simuleren hoe lucht en druppels zich door een gewas bewegen. In het project werden modellen gemaakt voor tarwe, aardappel en spruitkool en werden meer dan 700 simulaties uitgevoerd.
De onderzoekers konden het model toetsen aan metingen uit de veldproeven. Daardoor kunnen ook combinaties worden onderzocht die niet allemaal afzonderlijk in het veld getest kunnen worden. De simulaties kijken niet alleen naar de hoeveelheid spuitvloeistof die het gewas bereikt, maar ook naar de verdeling over verschillende delen van de plant.
Die resultaten vormen de basis voor de Optispray-beslissingstool. Daarbij wordt niet vertrokken van één specifiek merk of type dop, maar van eigenschappen zoals het druppelgroottespectrum. De gebruiker kan zo verschillende instellingen en technieken met elkaar vergelijken.
Voor landbouwers is dat uiteindelijk de belangrijkste boodschap van het project: kijk bij de keuze van een spuittechniek niet alleen naar het percentage driftreductie. Bepaal eerst wat je wilt raken, waar het doelwit zich bevindt en onder welke omstandigheden je werkt. Pas daarna komen druppelgrootte, spuitvolume, druk, rijsnelheid en eventuele luchtondersteuning of hulpstoffen in beeld.
De meest efficiënte bespuiting is dus niet noodzakelijk die met de fijnste druppels, het grootste volume of de meest geavanceerde techniek. Het is de combinatie die voldoende driftreductie koppelt aan een goede depositie en werking op het doelwit.
Op de Vlaamse Carbon Farming Dag in Lennik ontdekten landbouwers, onderzoekers en bedrijven hoe levende bodems, nieuwe technologie en samenwerking carbon farming vooruit kunnen helpen.
Hoop op herstel van de graanhandel via de Zwarte Zee drukt de tarwe- en maïsprijzen. De markt blijft volatiel zolang de situatie rond Oekraïense export onzeker is.
Voor Patrick en Chiel Lemahieu-Ameloot begint een teeltplan niet bij de hoogste opbrengst, maar bij bodem, rotatie en wat hun bedrijf aankan. Ontdek hoe ze rekenen met gemiddelden én ruimte laten voor onzekerheid.
VCBT legt uit hoe appels en peren niet langer op buikgevoel worden beoordeeld: met vijf objectieve metingen maken ze sappigheid, knapperigheid, kleur, veegschade en plukmoment meetbaar.
Boerenbond heeft een aantal bedenkingen bij de nitraatresiducampagne die momenteel aan de gang is. We zoomen dieper in op de landbouwcijfers en gaan op zoek naar de lievelingskost van de Vlaming.
Op de Vlaamse Carbon Farming Dag in Lennik ontdekten landbouwers, onderzoekers en bedrijven hoe levende bodems, nieuwe technologie en samenwerking carbon farming vooruit kunnen helpen.
Meer dan 200 lokale mandatarissen volgden Boerenbonds webinar over het BRV. Ontdek waarom we hen vroegen landbouw een volwaardige plek te geven in het Vlaamse ruimtelijk beleid.
Voor Patrick en Chiel Lemahieu-Ameloot begint een teeltplan niet bij de hoogste opbrengst, maar bij bodem, rotatie en wat hun bedrijf aankan. Ontdek hoe ze rekenen met gemiddelden én ruimte laten voor onzekerheid.
Aardbeien telen vraagt lange dagen, maar Luc Fleerackers kiest bewust voor balans: naast zijn bedrijf maakt hij enthousiast tijd voor zijn gezin en de hobby's.
Voor het viaduct van Gentbrugge zijn zeven haalbare alternatieven geselecteerd. Ontdek tijdens een infomarkt wat de plannen betekenen voor de E17, E40 en R4 en hoe u uw mening kunt geven.
De eerste resultaten van frambozen onder zonnepanelen zijn veelbelovend: minder waterverbruik, meer klasse 1-fruit en een koeler teeltklimaat. Maar de opbrengst hangt af van het type paneel.