Land- en tuinbouwers zijn ondernemers pur sang. Terwijl het aantal bedrijven daalt, stijgt de tewerkstelling in de sector. Daarbij valt vooral op dat het aandeel vaste medewerkers blijft toenemen. De werkelijkheid op het terrein is bovendien veelzijdiger dan vaak wordt aangenomen: er bestaan tal van werkvormen en manieren om arbeid te organiseren. Daarom vroegen we aan ons ledenpanel hoe arbeid vandaag is georganiseerd: wie werkt er mee op het bedrijf, en in hoeveel ondernemingen wordt externe versterking ingeschakeld?
Bedrijven worden groter, maar familie is basis
Slechts één op drie landbouwers werkt alleen in zijn bedrijf. In meer dan de helft van onze bedrijven is er op z’n minst hulp voorzien van familie. Meestal gaat het dan om de meewerkende partner, maar ook kinderen en/of ouders springen vaak mee in. Vaak zien we verschillende vormen van tewerkstelling. In 55% van de bedrijven doet men een beroep op externe arbeidskrachten, onder verschillende vormen. Een kwart doet een beroep op loonwerkers, vooral bij tijdelijke drukte of voor gespecialiseerde taken.
Waar vind je het meest eenmanszaken?
Het hoeft niet te verwonderen dat de meeste eenmanszaken zich bevinden in de dierlijke sectoren.
Vooral vennootschappen
Wie vaste medewerkers heeft, werkt bijna altijd met een vennootschapsstructuur. Dat is een belangrijk signaal, want de juridische organisatievorm bepaalt mee hoe arbeid praktisch en administratief kan worden ingevuld. Wie alleen werkt heeft meestal geen vennootschap. Slechts 28% van de bedrijven werkt dan via een vennootschap.
Loonsverwerking
Te veel en te complexe administratie blijft een terugkerend pijnpunt in de sector, en de loonadministratie is daarbij een van de meest gevoelige onderdelen. Toch geeft 9% van de respondenten aan de loonverwerking zelf te doen – goed voor bijna een kwart van de ondernemers die personeel tewerkstellen. En dat terwijl dit in de praktijk zowel complex als foutgevoelig is, met bovendien het risico op sancties wanneer er iets misloopt.
Wie schakel je in bij extra werk?
Vaste werknemers
15% van onze bedrijven geeft aan vaste medewerkers (arbeiders of bedienden) in dienst te hebben. Een belangrijke kanttekening daarbij is dat deze werknemers meestal worden gevonden via mond‑aanmondreclame of spontane sollicitaties — meteen ook de meest succesvolle wervingskanalen. Het zoeken via uitzendkantoren levert beduidend minder op. De VDAB wordt wel vaak ingeschakeld, maar blijkt in de praktijk minder effectief voor het vinden van nieuwe medewerkers.
Tijdelijke drukte
Bij piekdrukte zien we een duidelijk verschil tussen de dierlijke en plantaardige sectoren. In beide gevallen wordt eerst gekeken naar hulp binnen de eigen familie. In de dierlijke sectoren schakelt 68% daarnaast loonwerkers in voor specifieke taken. In de plantaardige sectoren gaat de voorkeur vooral uit naar seizoenarbeiders, aangevuld met jobstudenten en interimkrachten. Verder blijkt dat in beide sectoren één op de tien bedrijven regelmatig een beroep doet op collega‑landbouwers wanneer het extra druk is.
Flexi-jobs als oplossing?
Momenteel zijn flexi-jobs in de land- en tuinbouw slechts beperkt mogelijk. Het kan enkel binnen tuinaanleg en – onder heel strikte voorwaarden – bij volledig afgescheiden ‘verbredingsactiviteiten’ zoals een hoevewinkel.
We vroegen ons ledenpanel ook of ze erin geïnteresseerd zouden zijn gepensioneerden aan te werven als flexi-jobber, mocht dat wettelijk mogelijk zijn.
Hoewel de loonkost voor flexi-jobs veel hoger ligt dan voor seizoenarbeid, blijkt dat de meerderheid van de respondenten toch duidelijk voorstander is, met een vrij gelijkaardige verdeling over de verschillende (deel) sectoren, maar het meest in de sierteelt. Landbouwers die nu al een of meerdere vaste medewerkers hebben, zijn het sterkst vragende partij voor flexi-jobs. Landbouwers die nu zonder hulp werken, zien er het minst heil in.
Hoe zie je het aantal werknemers evolueren in de volgende 12 maanden?
Hoe vinden we werknemers?
Via welke kanalen vinden we al deze werknemers? Hoewel één op vijf respondenten bij het zoeken naar geschikte profielen een beroep doet op VDAB of Werkers als kanaal, blijkt dat de meeste seizoenarbeiders nog steeds gewoon via mond-aan-mondreclame worden gevonden.
Drempels
De grootste drempels om medewerkers aan te werven zijn in dalende volgorde de hoge loonkost voor vaste werknemers, de bijkomende administratie en de arbeidskrapte. Voor de landbouwers die aangaven in de komende 12 maanden personeel te willen aanwerven, is arbeidskrapte de allerbelangrijkste drempel. Dit zien we heel duidelijk bij seizoenarbeid: de arbeidsmarktkrapte dwingt ondernemers ertoe om steeds vaker buiten de landgrenzen en zelfs buiten de EU-grenzen op zoek te gaan naar personeel. Dit brengt op zijn beurt extra kosten en administratie mee voor onze ondernemingen. Bedrijven moeten dan bovendien zorgen voor een degelijke huisvesting van buitenlandse seizoenarbeiders en, wanneer het om werknemers van buiten de EU gaat, arbeidskaarten of gecombineerde vergunningen moeten aanvragen. Huisvesting op de private huurmarkt vinden voor grote groepen buitenlandse seizoenarbeiders die telkens maar kortstondig in België verblijven is verre van evident. Vandaar ook dat het niet hoeft te verwonderen dat – hoewel het om een kleine steekproef ging – uit onze bevraging bleek dat de meesten huisvesting op het bedrijf zelf voorzien.
Verplichte aansluiting bij externe dienst voor preventie op het werk
Het spreekt voor zich dat ondernemers een gezonde en veilige werkorganisatie belangrijk vinden, niet enkel voor zichzelf, maar ook voor iedereen die meehelpt op het bedrijf. In de landen tuinbouw kan je je hierbij – vaak gratis – laten bijstaan door Prevent Agri. Deze organisatie is opgericht vanuit onder meer Boerenbond met het doel om heel praktisch sectorgericht advies te kunnen geven omtrent veiligheid op het bedrijf.
Wanneer je als ondernemer werkt met werknemers – zelfs tijdelijk (bijvoorbeeld met jobstudenten of seizoenarbeiders) – ben je verplicht je aan te sluiten bij een externe preventiedienst. Positief is dat uit onze bevraging duidelijk blijkt dat onze leden goed weten dat dit een verplichting is én dat ze aangesloten zijn. Deze externe preventiedienst stelt dan samen met de ondernemer een dynamisch risicobeheersingssysteem op met een risicoanalyse. Vervolgens wordt aan de hand daarvan een preventieplan met jaarlijkse actieplannen uitgewerkt. Kortom, het is niet louter beperkt tot het betalen van aansluitingsgeld, de aansluiting bij een externe preventiedienst vergt ook heel wat administratie voor jou als ondernemer.
Uit de bevraging kwam naar voren dat een aantal bedrijven die géén werkgever zijn en uitsluitend opleiding geven aan een stagiair of enkel ruimte bieden aan een zorggast niet weten dat je ook in die situaties aangesloten moet zijn bij een externe preventiedienst. Voor alle duidelijkheid: dit wil helemaal niet zeggen dat deze ondernemers niet begaan zouden zijn met het welzijn van hun stagiair of zorggast!
Sinds een tweetal jaar merken we dat de overheid plots sterk focust op de formele aansluiting van dit type eenmansbedrijven bij een externe preventiedienst. Die striktere aanpak dreigt echter een onbedoeld neveneffect te hebben: een vermindering van het aantal stageplaatsen en van de bedrijven waar zorggasten welkom zijn.