Voor ziektebeheersing in granen is er geen standaardrecept
Aangemaakt op
Het seizoen 2024-2025 werd gekenmerkt door een uitzonderlijk lage ziektedruk, vooral door de droge omstandigheden. Slechts op enkele locaties werd de behandelingsdrempel voor bladziekten overschreden, en dan nog hoofdzakelijk in de meest gevoelige rassen. Zo kwam gele roest vroeg in het voorjaar lokaal boven de drempel uit. Septoria bleef beperkt tot de onderste bladlagen van de gevoeligste rassen en had daardoor nauwelijks impact op de opbrengst, waardoor een behandeling economisch niet interessant was. Bruine roest dook pas later in het seizoen op en opnieuw vooral in gevoelige rassen.
Het seizoen 2024-2025 kenmerkte zich door een lage ziektedruk, als gevolg van de drogere omstandigheden. Een overschrijding van de behandelingsdrempel voor bladziektes deed zich beperkt voor op enkele locaties en dan voornamelijk in de ziektegevoelige rassen. Zo werd bij deze rassen vroeg in het voorjaar de drempel voor gele roest overschreden. Septoria was zeer beperkt aanwezig en dan enkel in de lagere bladlagen van de meest gevoelige rassen. Wat hierdoor slechts een beperkte impact heeft op de opbrengst. Behandelen hiertegen was financieel niet interessant. Bruine roest trad later in het seizoen op en voornamelijk in de gevoelige rassen.
In een droog jaar met een lagere ziektedruk loont intensief behandelen tegen bladziektes dus niet bij tolerantere rassen. Een goed beheer begint bij het kennen van het ras dat op het perceel staat. Een droog seizoen is algemeen ook een goed graanjaar. De opbrengst was algemeen hoog en van goede kwaliteit. Zowel tarwe als gerst kenden een zeer vlotte ontwikkeling, waardoor de oogst vroeger dan andere jaren viel. In de tweede helft van juni werd er al gerst gedorst en tegen 20 juli was quasi alle tarwe geoogst.
Zaaiomstandigheden najaar 2025
Door het vroege seizoen kwamen veel percelen al snel vrij. In sommige regio’s werd daardoor vroeg gezaaid. Dat kan leiden tot een vlotte opkomst en een sterke beworteling, maar het brengt ook enkele risico’s met zich mee. Vroeger zaaien betekent dat de wintergranen in het najaar langer worden blootgesteld aan bladluizen, waardoor het risico op dwergvergelingsvirus (BYDV) toeneemt. Dit is algemeen gekend in wintergerst, maar ook wintertarwe kan worden aangetast. Om het risico te beperken wordt er aangeraden om tolerante gerstvariëteiten uit te zaaien. Onderzoek van LCG toont aan dat deze rassen een voordeel hebben in regio’s of omstandigheden met een hoge aanwezigheid van bladluizen, zoals regio’s met veel (korrel)mais, gras en haver (als groenbedekker) of beschutte percelen. Voor wintertarwe is er in onze regio geen kennis over tolerantie van rassen. Men is dus hoofdzakelijk aangewezen op preventieve maatregelen, zoals niet te vroeg zaaien. Een insectenbehandeling is pas aangewezen wanneer de interventiedrempel van 10% planten met bladluizen wordt overschreden. In het najaar was de bladluisdruk duidelijk aanwezig en lokaal hoog, met op sommige percelen drempeloverschrijding, terwijl de druk later stabiliseerde maar opvolging noodzakelijk bleef - vooral op onbehandelde percelen.
Naast bladluizen werden afgelopen najaar ook cicaden waargenomen. Deze kunnen het Wheat Dwarf Virus (WDV) overdragen, die ondanks wat de naam doet vermoeden, ook gerst kan aantasten. De symptomen lijken sterk op dwergvergeling: vergeling, groeiremming en afsterven van planten. Tegen deze virussen zelf is er geen bestrijding mogelijk. Beperking van de verspreiding kan door de insecten op te volgen. Op vroeg gezaaide percelen is het dus aangewezen om bij opkomst alert te zijn voor bladluizen en cicaden. Na de winter kunnen de virussen verspreid worden, vanuit de bestaande aantastingen in het najaar. Gezien de winterprik in januari verwachten we lagere bladluisdruk bij uitkomen van de winter.
Vooruitblik naar komend seizoen
Invloed van klimaat, teeltkeuzes en ras op bladziekten
Dit voorjaar verwachten we op een aantal percelen symptomen van dwergvergeling. Hier kan je niet tegen behandelen. Wel kunnen we nog ingrijpen op de bladziekten. De aanwezigheid van bladschimmels is hoofdzakelijk gelinkt aan de klimaatomstandigheden die we in het voorjaar hebben, maar ook teelttechnische keuzes hebben een impact. Een vroege zaai en/of groeizaam najaar leidt tot meer biomassa van de wintergranen in de winter en meer infectiemateriaal voor schimmels om in het voorjaar tot uiting te komen. Daarnaast verlaagt een ruime gewasrotatie de ziektedruk en blijft het een belangrijke preventieve maatregel. De belangrijkste factor blijft toch de rassenkeuze.
Gevoeligheid bepaalt de strategie van ziektebeheersing
Uit de jaarlijkse waarnemingen van LCG blijkt dat de meest gevoelige rassen telkens het vroegst en het zwaarst worden aangetast. Vroeg in het seizoen is waakzaamheid vooral nodig voor meeldauw en gele roest. Septoria is vrijwel elk jaar aanwezig, maar vraagt vooral extra aandacht in nattere jaren. Deze schimmel past zich bovendien snel aan, waardoor rassen sneller gevoeliger kunnen worden dan bij roestziekten. Daarnaast wordt bij septoria ook resistentie opgebouwd tegen bepaalde gewasbeschermingsmiddelen.
De ervaringen van LCG in de voorbije jaren tonen verder aan dat bruine roest steeds vroeger in het seizoen wordt waargenomen dan voorheen. Vanaf de tweede helft van april kan deze ziekte al optreden, terwijl dit vroeger meestal pas rond half mei het geval was. Bruine roest wint daardoor aan belang en is een belangrijke factor om rekening mee te houden bij de rassenkeuze.
Middelenkeuze gericht op de ziekte en resistentiemanagement
Bij de bestrijding van bladziekten is een gerichte aanpak cruciaal, afgestemd op de aanwezige ziekten en de gevoeligheid van het ras. Septoria vertoont de voorbije jaren een toenemende resistentie tegen triazolen, naast de reeds gekende resistentie tegen SDHI’s. Tegen de actieve stoffen fenpicoxamide en kaliumfosfanaat is nog geen resistentie gevonden. Voor roesten zijn de triazolen, maar ook de strobilurines, algemeen nog steeds het best werkzaam. Ter beheersing van gele roest zijn dat tebuconazool en azoxystrobine. Bruine roest wordt best bestreden met pyraclostrobine. Ziektebeheersing in wintertarwe vraagt dus om doordachte middelenkeuze. Hou hiermee rekening bij het samenstellen van de schema’s. Wissel actieve stoffen af en combineer middelen met een andere werking uit verschillende chemische families voor een goed resistentiemanagement. Ken je ras, ken de zwakke punten en stem de middelenkeuze daar op af.
Bayer toont op zijn proefplatform hoe gewasbescherming evolueert naar gerichte, goed getimede combinaties. Van aardappelen tot tarwe en mais: resistentie, timing en formulering bepalen steeds vaker het verschil.
Beitems Bodemfestival bracht landbouwers, onderzoekers en machinebouwers samen rond bodemgezondheid, met demo’s, getuigenissen en praktijkinzichten over innovatie, precisielandbouw en duurzaam bodembeheer.
Boerenbond bracht landbouwers in Ronse en Wetteren samen rond slim energiebeheer, met praktische inzichten over zonnepanelen, batterijen en kosten op het erf.
Aardappeltelers in de EU schakelen terug na de prijs- en voorraadcrisis: het areaal consumptieaardappelen daalt fors, vooral in Vlaanderen, terwijl de vrije markt voor verwerking uitzonderlijk zwak blijft.
Doornappel rukt op in meerdere percelen: snel ingrijpen voorkomt zaadvorming en verspreiding. Kom meer te weten over de aanpak per teelt en lees hoe je planten veilig verwijdert.
De stormschade van 27 op 28 juni heeft heel wat mais doen omvallen. Landbouwcentrum voor Voedergewassen publiceerde nu een beslissingsboom die je helpt te beslissen wat je moet doen na schade.