De voorbije winter was relatief zacht en droog en ook maart en april waren warm en zonnig. Daardoor ontwikkelden de wintergewassen zich sneller dan normaal en konden de voorjaarswerken vroeg en vlot van start gaan. April was erg droog, maar de regen begin mei kwam net op tijd, waardoor de gewassen nu goed groeien.
Het weer tijdens de winter en het vroege voorjaar
De voorbije winter (december 2025 – februari 2026) was warm en eerder droog. Gedurende het grootste deel van het seizoen lagen de temperaturen boven de normale waarden, met slechts een kortere koudere periode rond de jaarwisseling. De uiteindelijke gemiddelde temperatuur in Ukkel lag met 5,8°C ruim boven de normale waarde van 4,1°C. Het aantal vorst- en ijsdagen was beperkt (22 dagen tegenover 29,7 dagen normaal). Eind februari werden uitzonderlijk hoge temperaturen bereikt, lokaal bijna tot 20°C.
December 2025 was een zeer droge maand en ook januari verliep net iets droger dan gemiddeld. Februari was dan wel een zeer natte maand, maar dat kon niet verhinderen dat de winter in zijn totaal iets droger was dan gemiddeld in Ukkel (208,9 mm neerslag tegenover 228,6 mm normaal). Vooral in het zuiden en het uiterste noorden van het land was het droog (Figuur 1).
December was ook zeer zonnig en werd gevolgd door een nog zonnigere januari. Februari was dan weer iets somberder dan normaal. Over de ganse winter scheen de zon in Ukkel 194u 43min (normaal 180u 17min).
Maart 2026 begon erg warm. Na enkele frissere dagen half maart stegen de temperaturen terug om vanaf 25 maart weer onder de normale waarden te duiken (Figuur 2). De uiteindelijke gemiddelde maandtemperatuur bedroeg 9,1°C in Ukkel en lag ver boven de normale waarde van 7,1°C. Vooral de hoge maximumtemperaturen vielen op. Begin maart sneuvelden maar liefst 3 dagrecords. Maart was ook veel zonniger dan normaal. In Ukkel scheen de zon maar liefst 196u 03min tegenover 125u 45 min normaal.
In Ukkel viel er net iets meer neerslag dan normaal (67,6 mm tegenover 59,3 mm normaal). Regionaal zien we echter duidelijke verschillen (Figuur 3). In de kustregio bleef het erg droog en viel er nauwelijks de helft van de normale hoeveelheid neerslag. In Haspengouw was het dan weer iets natter dan normaal.
April 2026 was, net zoals maart, een warme en zonnige maand, maar vooral ook een zeer droge maand. In april viel er in Ukkel slechts 9,1 mm neerslag (normaal 46,7 mm), verspreid over 7 dagen (normaal 13,2 dagen). In de kustregio en in delen van Henegouwen viel er in april nauwelijks 10% van de normale hoeveelheid neerslag (Figuur 4). Ook in de rest van het land bleef het opvallend droog.
Na een frisse start stegen de temperaturen in april snel tot boven de gemiddelde waarden om op het einde van de maand opnieuw rond de normalen te schommelen (Figuur 5). De uiteindelijke gemiddelde maandtemperatuur in Ukkel bedroeg 11,7°C en lag daarmee iets boven de normale waarde van 10,4°C.
April 2026 was ook een zeer zonnige maand. In totaal scheen de zon in Ukkel maar liefst 241u 00min (normaal 171u 16min).
Seizoensoverzicht
Figuur 6 toont de temperatuur- en neerslagsom van 1 januari tot en met 30 april 2026 voor de verschillende landbouwregio’s.
De temperatuursom ligt in alle regio’s hoger dan gemiddeld (tussen +16% in de Kempen en +28% in de Ardennen). In Wallonië is het verschil iets groter dan in Vlaanderen.
De neerslagsom varieert naargelang de regio. Aan de kust en in het zuiden van het land ligt de neerslagsom gemiddeld zo’n 12% lager dan normaal. In overige regio’s schommelt de neerslagsom rond het gemiddelde of iets daarboven.
Omwille van de droge aprilmaand zijn de grondwaterstanden, waterpeilen en debieten in Vlaanderen algemeen afgenomen. Begin mei waren de grondwaterpeilen laag tot zeer laag op 62% van de meetlocaties. De neerslag van begin mei zal wellicht zorgen voor een (lichte) verbetering.
Observaties vanuit de ruimte
Figuur 7 toont het verloop van de NDVI vegetatie-index sinds januari ten opzichte van de langjarige referentiewaarde. Deze index is afgeleid uit Sentinel-3 satellietbeelden. Sinds het begin van de winter ligt de index boven het gemiddelde. In de Polders, de droogste regio, was het verschil in januari iets minder uitgesproken.
Vanaf eind februari zien we een duidelijke toename in de vegetatie-index, vooral in regio’s met een groot aandeel wintergranen (Leemstreek, Polders). Dankzij de zachte winter en het groeizaam weer tijdens het voorjaar ontwikkelden de winterteelten zich sneller dan normaal, waardoor de index in maart tot ruim boven de gemiddelde waarde steeg. Dat blijkt ook uit Figuur 8 die de vegetatie-index van de maanden maart en april vergelijkt met het langjarig gemiddelde. In maart kleurt de kaart bijna volledig groen.
De droge weersomstandigheden in april remden de groei van de winterteelten echter licht af. Tegelijk maakten deze omstandigheden een vroege aanleg van de zomerteelten mogelijk, wat tijdelijk resulteerde in lagere NDVI-waarden. Eind april lag de index in alle regio’s echter nog steeds rond of net boven het gemiddelde. Hier en daar zien we wel gele en oranje zones verschijnen op de kaart van april.
Overzicht van de gewassen: huidige toestand
Wintergranen:
In Wallonië vertoonde de wintergerst de voorbije weken een snelle en gelijkmatige groei. Eind maart bevond de gerst zich op het merendeel van de Waalse referentiepercelen in het stadium “eerste knoop” (BBCH 31). Sommige percelen hadden reeds het “tweede knoop” stadium bereikt (BBCH 32). Dankzij de gunstige temperaturen begin april versnelde de ontwikkeling. Rond 21 april werd in vrijwel alle percelen het stadium “laatste blad zichtbaar” (BBCH 37) bereikt. Lokaal was het laatste blad al volledig uitgerold (BBCH 39) en het verschenen de eerste baarden. Eind april zette de aarvorming in (BBCH 51-55).
De wintertarwe ontwikkelt zich eveneens sneller dan normaal. Op twee derde van de Vlaamse percelen die door het LCG opgevolgd worden, bevond de tarwe zich eind april tussen de stadia “derde knoop” (BBCH 33) en “laatste blad zichtbaar” (BBCH 37). Op ongeveer een derde van de percelen was het stadium “tweede knoop” (BBCH 32) bereikt. In de meest gevorderde situaties was het laatste blad al volledig uitgerold (BBCH 39) of werden zelfs al de eerste tekenen van aarzwelling waargenomen (BBCH 43). Op hetzelfde moment in 2025, nochtans een vroeg jaar, bevond het merendeel van de percelen zich slechts in het “derde knoop”stadium (BBCH 33). Ook in Wallonië wordt een voorsprong in de ontwikkeling van de wintertarwe vastgesteld. In de periode van eind maart tot eind april evolueerde de tarwe op de referentiepercelen van het stadium “aar op 1 cm” (BBCH 30) naar “laatste blad volledig uitgerold” (BBCH 39).
De ziektedruk is over het algemeen matig. Meeldauw blijft beperkt en stabiel. Bladseptoria is algemeen aanwezig, maar zonder duidelijke toename in intensiteit, met variatie tussen percelen en rassen. Roest is daarentegen duidelijk in opmars: zowel gele als bruine roest nemen toe in intensiteit en komen voor op een groter aantal percelen, waarbij in verschillende gevallen de behandelingsdrempel wordt overschreden.
Aardappelen:
Door de zachte weersomstandigheden kon het pootseizoen dit jaar vroeg van start gaan, melden FIWAP en Inagro/ViaVerda. De eerste aardappelen werden al half maart gepoot in Haspengouw, op percelen met een gunstige bodemstructuur, vóór de regenperiode en de afkoeling op het einde van de maand.
De pootwerkzaamheden kwamen op de meeste plaatsen pas goed op gang vanaf de tweede week van april. De bodemstructuur was doorgaans goed, al bleven de bodems in de diepte vaak nog koud. Dit vereiste enige voorzichtigheid bij de bodembewerkingen, aangezien werken in te natte omstandigheden kan leiden tot versmering en verdichting onderaan de rug, wat de wortelontwikkeling, afwatering en opkomst kan bemoeilijken.
De voortgang van het planten verliep echter heterogeen, afhankelijk van de regio, het bodemtype, de bedrijfsomstandigheden en de beschikbaarheid van pootgoed. Rond 21 april werd geschat dat zo’n 50 tot 60% van het aardappelareaal gepoot was, met aanzienlijke verschillen tussen telers: sommige waren al klaar, terwijl andere nog maar een beperkt deel van hun areaal hadden aangelegd. West-Vlaanderen, de regio Doornik en vooral Haspengouw kenden op dat moment de grootste voorsprong. Daarnaast wordt gemeld dat een aantal kleinere producenten (minder dan 5 ha) omwille van de crisis in de sector dit jaar geen aardappelen heeft geplant.
Begin mei was het merendeel van de aardappelen gepoot. Net als vorig jaar gebeurde dit dus globaal gezien onder gunstige omstandigheden en relatief vroeg in het seizoen.
Op lichtere en drogere gronden verliep de rugvorming plaatselijk moeilijk door de zeer losse, poederige bodem. De neerslag begin mei zou moeten bijdragen tot het stabiliseren van de ruggen, waarna de onkruidbestrijding onder betere omstandigheden kan worden uitgevoerd.
Suikerbieten:
Ook de zaai van de suikerbieten verliep vlot. Over een periode van minder dan een maand (van 20 maart tot 17 april) werd nagenoeg het volledige Belgische suikerbietenareaal ingezaaid volgens het KBIVB. De zaai verliep in twee golven. Een eerste golf, goed voor ongeveer een derde van de percelen, vond plaats tussen 20 en 24 maart en werd onderbroken door de terugkeer van de neerslag eind maart – begin april. Een tweede, meer uitgesproken golf startte vanaf 5 april en strekte zich uit over een periode van ongeveer tien dagen.
De opkomst van de bieten verloopt over het algemeen goed, al worden lokaal enkele onregelmatigheden waargenomen in de percelen die in maart werden ingezaaid. Deze zijn voornamelijk te wijten aan korstvorming aan het bodemoppervlak. Enkele tientallen hectaren bieten moesten opnieuw worden ingezaaid. Eind april hadden de percelen die in maart werden ingezaaid het vierbladstadium bereikt (BBCH 14). Op de later gezaaide percelen zal de achterstand dankzij de gunstige weersomstandigheden wellicht snel worden ingehaald.
Reeds vanaf de opkomst werden intensieve vluchten van aardvlooien waargenomen. Waar het zaad behandeld was bleven de bieten beschermd tot het vierbladstadium, waardoor geen bladbehandelingen nodig waren. Door de hogere temperaturen begin mei werden al veel gevleugelde groene bladluizen waargenomen in de bietenpercelen. De eerste waarnemingen van groene, ongevleugelde bladluizen werden overigens eind april gerapporteerd, voornamelijk in percelen in het vierbladstadium en in percelen waar geen zaadbehandeling werd toegepast. De behandelingsdrempel werd op de meeste plaatsen nog niet bereikt. De eerste nuttige insecten werden eveneens waargenomen.
Mais en grasland:
Het jaar startte met een eerder gemiddelde januarimaand, zowel wat temperatuur als neerslag betreft. Februari en maart waren dan weer warmer dan gemiddeld, waarbij er in februari ook meer neerslag viel. Vanaf 15 februari kon er op de hoger gelegen graspercelen mest worden uitgereden, meldt LCV/Hooibeekhoeve. Op de lager gelegen percelen moest nog wat gewacht worden, maar tegen eind maart was toch al een groot deel van het grasland bemest. Lokaal kregen sommige percelen geen drijfmest toegediend vanwege minder gunstige bodemomstandigheden.
Door de relatief hoge temperaturen bleef de grasgroei echter goed doorgaan. Opvallend was wel dat vooral de meerjarige graspercelen een heterogene stand vertoonden. De oorzaak hiervan ligt vermoedelijk in de natte jaren 2023 en 2024, die voor structuurschade zorgden, gevolgd door het zeer droge jaar 2025, waarin het gras op veel plaatsen te lijden had onder droogtestress.
Half april werd er al gemaaid. De vroeg bemeste percelen en percelen met Italiaans raaigras kwamen als eerste aan de beurt. Een 10-tal dagen later volgden de overige percelen. De opbrengsten vielen over het algemeen mee, maar het schrale weer eind april zorgde ervoor dat het gras soms sterk uitdroogde waardoor het in veel gevallen te droog de kuil inging. Op veel plaatsen bleek het gras bovendien zeer suikerrijk, wat in sommige gevallen leidde tot verstoppingen van de hakselaar tijdens het maaien. De pas ingezaaide graspercelen kwamen trager op gang. De droge maand april laat hier al haar sporen na. Enerzijds beperkt het gebrek aan neerslag de groei, anderzijds heeft het ook een negatieve invloed op de opname van de gestrooide kunstmest.
Ook de mais kon dankzij het droge weer in april vroeger dan normaal en onder gunstige omstandigheden worden gezaaid. Zodoende was begin mei het grootste deel van het maisareaal ingezaaid. De opkomst verloopt tot dusver ook voorspoedig. Op de percelen na gras bestond eerst de vrees dat door de weinige neerslag in april de bodem te droog zou zijn. De regen begin mei kwam echter net op tijd. Alles kreeg de nodige neerslag voor een vlotte kieming en een goede werking van de vooropkomstbehandelingen.