Menu

“Ik ga voor wederzijds respect tussen bio en gangbaar”

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 
Johan Martens werd in juni voorzitter van de werkgroep Bio van Boerenbond. Samen met zijn echtgenote Christine runt hij in Oostkamp een bescheiden legkippenbedrijf dat de integrale productie zelf tot bij de kleinhandel brengt.

Patrick Dieleman

Johan vertelt dat hij er al bij was toen de werkgroep werd opgestart. Toen men een nieuwe voorzitter zocht, schoof de groep hem naar voren. “Wellicht speelde het mee dat we een klein bedrijf hebben, waardoor ik misschien minder snel uit eigenbelang ga spreken. Persoonlijk vind ik dat ik een te klein bedrijf heb om de sector te vertegenwoordigen, maar de groep vond dat niet. Het is wel geruststellend dat iemand anders, Isabelle Piesschaert, de kippensector vertegenwoordigt. Haar bedrijf is meer standaard en dus representatiever voor de sector.”

Welke doelstellingen heb je gesteld bij het opnemen van je voorzitterschap?

“Ik vind het belangrijk dat de sector volledig vertegenwoordigd is, elke sector en elke regio. We hebben daar al wat aan gewerkt, maar ik lanceer bij deze een warme oproep naar de melkveesector. Dat is een belangrijke sector die ten volle moet vertegenwoordigd zijn. We moeten ook loskomen van de typische discussie tussen gangbaar en biologisch. Ik vind het belangrijk dat we in wederzijds respect kunnen overleggen en dat bio als een volwaardige landbouwtak wordt aanvaard binnen Boerenbond. Er is nog wat werk op dat vlak. Bio heeft in de vuurlinie gestaan. Er zijn vanuit de gangbare landbouw wat netelige vragen gesteld richting bio, er was wat terughoudendheid. Boerenbond is een organisatie van de volledige landbouw, dus vooral van gangbare boeren. Het is misschien wel normaal dat die terughoudendheid ook daar aanwezig was. Maar ik hoop dat dit uitvlakt en evolueert naar wederzijds respect en wederzijdse nieuwsgierigheid tegenover elkaar.

We kunnen immers veel leren van elkaar. Bio heeft bepaalde troeven. De waardering door de maatschappij en de marge per eenheid product liggen bijvoorbeeld veel hoger bij bio, en we zijn minder kapitaalintensief. Dat zijn elementen waar de gangbare landbouw toch wat mee worstelt. Ik denk dat geen enkele gangbare landbouwer zal ontkennen dat er grenzen zijn aan de vereiste productiviteitsstijging om het inkomen op peil te houden en steeds maar meer produceren tegen een steeds kleinere marge. Daar ontsnappen we voorlopig nog aan met de biosector. Laat ons hopen dat dit zo blijft. De hogere marge per eenheid verplicht ons minder om de productie steeds maar weer op te drijven. Rationaliseren mag en moet, maar we moeten vermijden dat dit steeds in functie moet gebeuren van een grotere productie met een kleinere marge om uiteindelijk maar evenveel of minder te verdienen. De grote kapitaalinzet, de sterk schommelende en meestal te lage prijzen en het sterk wisselende inkomen zetten druk en stress op de boer en zijn gezin.

Bio laat ook toe dat meer mensen actief zijn in de sector en het mooie beroep van landbouwer kunnen uitoefenen. Ik ben zelf actief binnen de Landelijke Gilden, waar gezin en leven op het platteland centraal staan. Studies wijzen uit dat er voor het maatschappelijk leven op het platteland voldoende boeren moeten blijven. Het platteland ontvolkt niet in Vlaanderen, maar het ontvolkt wel op agrarisch gebied. Bio biedt daartoe kansen, en korte keten in het algemeen. Veel van de argumenten die ik hier opsom, gelden trouwens ook voor de korte keten. Voor bio en korte keten geldt ook dat de boer soms meer voldoening kan halen uit zijn productie. Hij heeft meer voeling met zijn product, mede door de veel nauwere band met de consument en hij krijgt er een positieve feedback over. Boeren zijn niet alleen ondernemers, het zijn ook mensen van vlees en bloed. Iedereen heeft wel eens positieve feedback nodig. Maar laat me, in die discussies, nogmaals benadrukken dat er respect moet zijn van beide kanten. Iedereen boert op zijn manier en moet maken dat hij er komt. Ook de gangbare landbouw heeft immers zijn pro’s. Ze kunnen soms op een rationelere en meer geautomatiseerde manier produceren en bijgevolg tegen een lagere prijs. Er zijn schaalvoordelen.”

De markt voor bio groeit?

“Persoonlijk vind ik dat we in een fantastische tijd en in een fantastische regio vol kansen leven. Vlaanderen is dichtbevolkt en heeft dus veel – en bovendien koopkrachtige – consumenten. Iets meer dan 10 jaar geleden had je ook wel al een groep die bio belangrijk vond, maar de overgrote massa koos uiteindelijk in de supermarkt toch voor het goedkoopste. Dat geldt nog steeds voor 80 tot misschien 90% van de bevolking, maar dat andere deel doet dat niet meer. Er is een bevolkingsgroep ontstaan die wil weten hoe en waar iets geproduceerd is, en die consequent is en bereid om daar een waardige prijs voor te betalen. Van die prijs kan de boer fatsoenlijk leven, al zal die daar niet rijk van worden. Als producent moet je dan ook een eerlijke prijs vragen. Met ons type bedrijf en afzet hoeven we onze prijs niet passief te ondergaan. We kunnen die zelf zetten, vertrekkend vanuit de kostprijs en de gewenste marge. En hiermee kunnen onze afnemers, als ze willen, duidelijk concurreren met grootwarenhuizen. Mooi toch?

Bio staat voor mij dus ook deels voor een andere economievorm. Als producent krijg je een eerlijke marge, de afnemer weet dit en probeert niet te marchanderen naar je nullijn. Anderzijds ga je als producent ook bewust niet profiteren van de onwetendheid van de klant of van een schaarste om je prijs de hoogte in te sturen, een beetje ‘leven en laten leven’. Misschien klinkt dit wat naïef of utopisch maar het voltrekt zich hier en daar in bio (en korte keten). En laat ons hopen dat dit zo kan blijven. Er wordt veel geklaagd dat er niets meer mogelijk is, maar ik vind dat er nog heel veel mogelijk is, ook binnen de landbouw. Je moet natuurlijk kijken wat de maatschappij vraagt, er naartoe produceren, en misschien ook nog wat creatief zijn in je vermarkting. Maar dat verwacht men tegenwoordig van een ondernemer: dat hij creatief is in de keuze van wat hij produceert en hoe hij het verkoopt en financiert. In bio (en korte keten) kan je er zelf bewust voor kiezen om klein te zijn, of alvast op jouw maat, en om geen grote financiële last te torsen. Door ‘licht bepakt’ te zijn ben je heel wendbaar als het morgen minder goed zou gaan. Maar dit is geen blaam in de richting van mensen die andere keuzes maakten. Dit is ook niet voor iedereen weggelegd, ook niet in de biosector. Als je echt rationeel grote getallen wil produceren, dan moet je wel serieus investeren. Maar ik geloof wel dat er nog veel segmentjes zijn waarin je licht bepakt kan werken. Er is echt vraag naar speciallekes. Dat geldt niet voor heel de samenleving, maar dat is ook niet nodig, want we kunnen die toch niet allemaal bevoorraden. De markt lijkt me ruim genoeg. Er komen kansen, en talloze boeren bewijzen dat het mogelijk is om daarop in te spelen, ieder op zijn manier.

Bio staat in eerste instantie ook voor het niet gebruiken van niet-natuurlijke productiehulpstoffen. De groep van consumenten die bereid is iets meer te betalen om vanuit het voorzorgsprincipe (geen risico nemen op het inbrengen van natuurvreemde stoffen in je lichaam via de voeding) producten te kunnen eten die niet in aanraking zijn gekomen met gewasbeschermingsmiddelen zal zeker nog groeien, tenzij de gangbare landbouw op dat gebied dichter bij de biosector zou komen. Denk bijvoorbeeld aan een label dat garandeert dat producten geproduceerd zijn met een minimum aan synthetische gewasbeschermingsmiddelen. Eigenlijk is die ontwikkeling al bezig. Zie bijvoorbeeld bepaalde grootwarenhuizen die geen Bintje meer willen, omdat dat ras te gevoelig is voor de aardappelplaag en te veel behandelingen vergt. Voor de biosector is het een uitdaging zich te blijven onderscheiden en zijn marktsegment te behouden. Daar ligt zeker ook een uitdaging voor onze werkgroep.”

Hoe werkt de werkgroep Bio nu en kan daar eventueel nog iets aan verbeteren?

“Recent hebben we met de werkgroep onze werking bekeken en in samenspraak met de leiding van Boerenbond drie kerntaken vooropgesteld. Een eerste is verankering van bio binnen Boerenbond en het aanvaard worden als een volwaardige vorm van landbouw binnen het landbouwlandschap. Dat hangt ook samen met mijn bezorgdheid dat gangbare landbouw en bio zich niet verder zouden afzetten tegenover elkaar. Het tweede domein is vorming en voorlichting en het derde is vertegenwoordiging en belangenbehartiging. In het verleden was de werkgroep vrij informatief naar de leden toe, maar we zijn bijvoorbeeld wel als klankbord opgetreden bij de voorbereiding van de nieuwe Europese verordening inzake biologische productie en de etikettering van biologische producten. Dat gebeurt ook bij andere dossiers, zoals het MAP. Aspecten van het landbouwbeleid die neerdwarrelen over de volledige sector kunnen een heel specifieke impact hebben op ons, omdat we bijvoorbeeld bij het MAP niet kunnen overschakelen op kunstmest om aan de stikstofbehoefte te voldoen wanneer fosfor het inzetten van dierlijke mest beperkt. Dergelijke zaken brengen we in samenspraak met BioForum aan bij het beleid. Het is goed dat de biosector met BioForum een specifieke organisatie heeft, maar het is zeker ook een pluspunt dat we met onze werkgroep binnen Boerenbond werken en zo automatisch afstemming en overleg hebben met de gangbare sectoren. De biosector wordt zo sneller verankerd als volwaardige landbouwtak.

Kan bio iets leren van gangbare landbouw, en omgekeerd?

Het is zeker zo dat de gangbare teelt kan leren van bio, bijvoorbeeld op het vlak van gewasbescherming, maar ook andersom. De mechanisatie ontstaat voor een groot deel in de gangbare landbouw, omdat die markt groter is. Nadien wordt die aangepast voor bio, maar daardoor ontstaat ook echt kruisbestuiving. De in bio ontwikkelde onkruidbestrijding wordt nadien weer overgenomen door de gangbare landbouw. We voelen dat de gangbare landbouw daar ook gretig naar kijkt. Ze kan daar iets uithalen om de toenemende druk tot het reduceren van het gewasbeschermingsmiddelengebruik op te vangen. Ook bij geïntegreerde gewasbescherming of het ontwikkelen van meer natuurlijke gewasbeschermingsmiddelen merk je die kruisbestuiving. De gangbare landbouw is daarnaar op zoek, maar de biologische zeker ook.”

Het mooie van onze tijd is dat er plaats is voor veel verschillende niches.

Bioteler Johan Martens

Welke uitdagingen zie je voor de biosector?

We hebben al een en ander aangeraakt, maar een hele belangrijke uitdaging vind ik de discussie of je met bio al dan niet de mensheid zou kunnen voeden. Bio mag niet voorbehouden worden voor een elite die het kan betalen. Sommigen beweren dat er een duidelijk tekort aan voedsel zou zijn als men massaal overschakelt naar bio. Anderen stellen dat je het bredere plaatje moet bekijken. Voedingsgewoonten wijzigen ook, bijvoorbeeld doordat men minder vlees zal eten. Daardoor levert iedere ha meer rechtstreeks consumeerbaar eiwit en energie en vlakt dit de lagere productiviteit enigszins uit. Verder stijgt de productiviteit ook in de biolandbouw. De gangbare landbouw zal dit niet graag horen, dit ligt gevoelig, maar men kan zich afvragen of het huidige landbouwsysteem kan blijven duren tot in de eeuwigheid, onder andere in de mate dat het de bodem uitput. Ik ben er wel van overtuigd dat je binnen de gangbare landbouw perfect duurzaam kan produceren, maar dan moet je met je bodem bezig zijn. De groep gangbare landbouwers die dat al doet, groeit.

Een andere uitdaging is ruimte voor natuur. De biosector voert aan dat ze ecologisch goed bezig is. De gangbare landbouw zegt dan dat het misschien beter is hoogproductief te zijn op een bepaalde oppervlakte zodat er ruimte kan ontstaan voor ecologisch beheer of natuur op andere plaatsen. De biosector argumenteert dan weer dat heel zijn oppervlakte al ruimte laat voor ecologie. Dat is een discussie. Wat is de beste optie op dat gebied? Intensief op een kleine oppervlakte of gespreid en meer in samenhang met de natuur over de hele oppervlakte?

Tot slot wil ik hier ook die uitdaging noemen om die andere vorm van economie waar we al over spraken in stand te houden: minder een race to the bottom inzake steeds meer produceren tegen steeds lagere marges, minder risico op verknechting van de boer door kapitaal, leveranciers of verwerkers/afnemers. Maar nogmaals … laat ons hopen dat dit kan standhouden.”

Keuze voor bio
De ouders van Johan hadden een melkveebedrijf, dat door zijn broer en nu diens zoon wordt verder gezet. Zelf studeerde hij landbouw in Leuven en werd verzekeringsagent bij KBC. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In een stal op de oude boerderij die ze zowat 20 jaar geleden verbouwden, begonnen ze bij wijze van hobby met een paar honderd leghennen. “Doordat we een meerwaarde wilden realiseren voor onze eieren van vrije uitloop, zijn we toen bij bio terechtgekomen”, legt Johan uit. “Twintig jaar geleden was er nog geen label voor kippen met buitenbeloop. Dat werd toen nog niet au sérieux genomen. Colruyt verkocht wel al dergelijke eieren, maar wij waren te klein om daar aan te leveren. Door de stap te zetten naar bio had ik wel een label en controle-organisme en konden we afleveren aan lokale afzet. Zo kwamen we in een marktsegment terecht dat wel ernstig werd genomen.” De eieren worden verkocht in Brugge en Gent aan winkels, horeca en collega-boeren die op markten staan. Eén keer in de week belevert Christine alle klanten. Nog maar goed 2 jaar geleden werd Johan fulltime landbouwer. Daartoe hebben ze het aantal hennen verdubbeld, maar het blijft een klein bedrijf. “Ons bedrijf bevindt zich echt wel in een niche. Misschien is bio op zich nog altijd een niche, maar door onze rechtstreekse afzet zitten we in een bijkomende niche. Dat is niet voor iedereen weggelegd, maar het mooie van onze tijd is dat er plaats is voor veel verschillende niches.”

Deel deze pagina: 

Meer informatie

Regio: 
Sector: