FAQ masterclass stikstofdecreet

We bundelen hier de meest voorkomende vragen over de masterclass stikstofdecreet.

1. Algemeen

Het stikstofdecreet gaat in voege nadat het in het Belgisch staatsblad gepubliceerd is. Vanaf dat moment geldt alles dat erin is opgenomen (bv. de vergunningskaders, generieke maatregelen, het gekoppeld en specifiek beleid,…). Voor diverse aspecten kunnen er door de Vlaamse Regering nog uitvoeringsbesluiten worden opgemaakt. Er kunnen dus nog nadere regels worden bepaald. 

2. Reductieopgave

Voor elk varkens-, pluimvee- en rundveebedrijf wordt een emissieplafond bepaald: de PAS-referentie 2030. Ten laatste op 31 december 2030 mag het bedrijf (in principe) niet meer ammoniak uitstoten dan het plafond dat het werd opgelegd. Voor de berekening van je PAS-referentie 2030 gaat men uit van je emissies in 2021 en past men daarop de generieke maatregelen toe.  

In het stikstofdecreet is niet opgenomen dat bedrijven geïnformeerd zullen worden over wat hun PAS-referentie 2030 is. De Vlaamse Regering kan een online toepassing ter beschikking stellen om de PAS- referentie 2030 of de referentiesituatie 2021 te bepalen.   

Ja, wellicht wel! Voor élk varkens-, pluimvee- en rundveebedrijf wordt een emissieplafond bepaald, óók voor bedrijven die nog een vergunning hebben. Ongeacht de looptijd van de huidige vergunning, moet de vergunning uiterlijk tegen einde 2030 in overeenstemming gebracht worden met de PAS-referentie 2030.  

Mogelijks wel! Voor élk varkens-, pluimvee- en rundveebedrijf wordt een emissieplafond bepaald, óók voor bedrijven die nog een vergunning hebben. Voor de berekening van je PAS-referentie 2030 gaat men uit van de emissies in 2021 (op basis van de mestbankaangifte), niet van de vergunde dierplaatsen in 2021 (op basis van de vergunning).  

Hoewel er dus mogelijks geen reductieopgave meer is als op basis van de generieke maatregelen (bv als je stallen al AEA zijn uitgerust), dienen deze bedrijven hun vergunning tegen einde 2030 toch nog altijd in overeenstemming te brengen met de PAS-referentie 2030. Dus ook bedrijven die volledig AEA zijn dienen hun vergunning tegen 2030 desnoods aan te passen. 

Ja. Hoewel de generieke maatregel voor vleesvee inhoudt dat er geen emissiestijging mag zijn t.o.v. 2021, moeten vleesveebedrijven tegen uiterlijk einde 2025 ook een 5%-maatregel toepassen. 

De reductiedoelstellingen voor rundvee gelden zowel als sectordoelstelling, als dat ze doelstellingen op bedrijfsniveau zijn. 

Laat ons beginnen met de doelstelling op bedrijfsniveau. Wil je als rundveebedrijf je PAS-referentie 2030 berekenen, dan kijk je momenteel naar de reductiepercentages die als generieke maatregel in het decreet werden opgenomen, dat wil zeggen dat: 

  • De emissie van je vleesvee niet mag stijgen 
  • De emissie van je melkvee met 25% gereduceerd moet worden 
  • De emissie van je mestkalveren met 28 % gereduceerd moet worden 

 

Deze reductiepercentages op bedrijfsniveau kunnen echter doorheen de jaren geactualiseerd worden. Of en hoe die actualisatie er zal uitzien, zal afhangen van hoe de emissiereductie op sectorniveau loopt.  

Want ook op sectorniveau wordt een doelstelling gelegd. Tegen 31/12/2030 moeten de emissies van (ten opzichte van 2021): 

  • De vleesveesector niet gestegen zijn 
  • De melkveesector met 25% gereduceerd zijn 
  • De mestkalverensector met 28% gereduceerd zijn 

 

In 2026 staat een tussentijdse evaluatie van de sectordoelstelling voor rundvee gepland. Op het evaluatiemoment in 2026 verwacht men dat de deelsectoren halfweg zijn. Dat wil zeggen dat: 

  • De vleesveesector niet gestegen mogen zijn 
  • De melkveesector met 12.5% gereduceerd zijn 
  • De mestkalverensector met 14% gereduceerd zijn 

Als uit de evaluatie blijkt dat de deelsectoren niet halfweg is, zal dat effect hebben op de doelstellingen op bedrijfsniveau. De Vlaamse Regering kan dan immers de reductiepercentages van de generieke maatregelen aanpassen. Dat kan ze vanaf 2026 jaarlijks doen.  

Vanaf het actualisatiemoment zullen dus andere reductiepercentages gelden om je PAS-referentie 2030 te berekenen. De doelstelling op bedrijfsniveau wordt dus aangepast. Bracht je echter al vóór dit actualisatiemoment je vergunning in overeenstemming met de PAS-referentie 2030 (die je berekend had op basis van de originele reductiepercentages), dan heeft de actualisatie op jou geen invloed. Elk individueel melkveebedrijf moet dus tegen einde 2030 in overeenstemming zijn met de PAS-referentie 2030, en dit aan de hand van het al dan niet geactualiseerde reductiepercentage van de deelsector afhankelijk van wanneer je je vergunning in overeenstemming bracht met je PAS-referentie 2030. 

Als blijkt dat de sector niet halfweg is, zal, naast het actualiseren van de reductiepercentages voor de generieke maatregelen (de doelstelling op bedrijfsniveau), de VLM trouwens ook actieve NER opkopen.  

Voor elk pluimvee-, varkens- of rundveebedrijf zal een emissieplafond (PAS-referentie 2030) worden bepaald, steeds uitgaand van de referentiesituatie in 2021 waarop de generieke maatregelen worden toegepast. Concreet wil dit dus zeggen dat op de emissie die op het bedrijf in 2021 afkomstig was van varkens, de generieke maatregel voor varkens toegepast wordt. Het Stikstofdecreet laat toe om binnen je PAS-referentie 2030 met emissieruimte te schuiven tussen de diercategorieën varkens, pluimvee en rundvee. Omvormen van het bedrijf van de ene diercategorie naar de andere is bijgevolg mogelijk, zolang je uiterlijk einde 2030 voldoet aan je emissieplafond dat dus bepaald werd op basis van de emissiesituatie en aanwezige dieren in 2021. 

3. Vergunningen

Het stikstofdecreet geeft niet aan dat dit niet meer mogelijk is. De reductieopgave kan immers, naast het toepassen van technieken en maatregelen, ook gerealiseerd worden door het verminderen van dierplaatsen en/of via intern salderen.  

Het is niet uitgesloten dat het uitfaseren van niet AEA-stallen in de toekomst op de beleidstafel kan komen te liggen. 

Het stikstofdecreet focust enkel op de stikstofdepositie op SBZ-H. In het kader van vergunningverlening zullen ook andere parameters worden getoetst (geur, water, impact op VEN, …). Hiervoor voorziet het stikstofdecreet niet in “oplossingen”. Zo blijft bijvoorbeeld het geurkader op heden ongewijzigd. Bovendien is de vraag welke de juridische robuustheid is van vergunningen die worden afgeleverd op basis van het stikstofdecreet gelet op de kritische adviezen van de Raad van State. 

4. Maatwerkgebieden

5. Piekbelasters

Nee. Het stikstofdecreet heeft een nieuwe definitie van Piekbelasters. Voor elk bedrijf worden de impactscores van 2020, 2021 en 2022 berekend. Als twee van de drie impactscores groter dan of gelijk zijn aan 50%, dan ben je piekbelaster. Eerdere ‘rode lijsten’ en ‘rode brieven’ zijn niet meer van tel. Er is ook geen verschil in behandeling tussen bedrijven die vroeger al aangeduid waren als piekbelaster, en bedrijven die nu pas als piekbelaster worden bestempeld. 

In het stikstofdecreet is opgenomen dat de VLM piekbelasters ten laatste op 18 maand na de inwerkingtreding van het decreet informeert over het feit dat ze zijn aangeduid als piekbelaster, en dit via een beveiligde zending. Bedrijven die géén piekbelaster zijn, worden niet gecontacteerd. 

6. NER

Ja. In het stikstofdecreet is opgenomen dat de Mestbank bedrijven ten laatste tegen 1 september 2024 informeert over hoeveel NER geannuleerd zijn. Het is mogelijk om hiertegen bezwaar in te dienen, uiterlijk tegen 1 oktober 2024.