Brandveiligheid in serres

Serres vallen inzake brandveiligheid sinds 1 augustus 2009 ook onder bijlage 6 ‘Industriële gebouwen’. De eisen die voor een ‘klassiek’ industriegebouw gelden, zijn dus ook van toepassing bij (ver)nieuwbouw van een serre.

Maar een serre verschilt sterk van een klassiek industriegebouw, dus zijn die eisen niet gemakkelijk te respecteren.

De wetgeving voorziet algemeen in een mogelijkheid om een afwijking te vragen voor eisen die je niet kunt respecteren, op voorwaarde dat je een alternatief met een gelijkwaardig veiligheidsniveau voorstelt. In de praktijk betekent dit dat een tuinder de laatste jaren bij de bouwaanvraag voor een serre een afwijkingsdossier moest indienen en lang moest wachten op een beslissing. Onder leiding van Boerenbond is er een typeoplossing uitgewerkt voor serrebedrijven. Daarover is een akkoord bereikt dat de doorlooptijd van een bouwaanvraag sterk kan verkorten en de maatregelen meer laat aansluiten bij de praktijk.

Typeoplossing verkort de doorlooptijd

Wie deze typeoplossing gebruikt, heeft veel kans dat het afwijkingsdossier meteen aanvaard wordt en de behandelingstijd aanzienlijk korter wordt. Bij de laatste besprekingen gaf de Commissie voor Afwijking richtinggevend een doorlooptijd van 2 maanden aan.

De volledige typeoplossing (versie 2, oktober 2017) kan je in dit pdf-document nalezen:

Volledige wetgeving

Meer info vind je ook via www.besafe.be

Afwijking over grootte van compartimenten en compartimentswand

Grootte van de compartimenten (artikel 3.2)

Door de lage brandbelasting in de serre is het mogelijk om zeer grote compartimenten te creëren, maar sommige serres zijn groter dan de maximaal toegestane oppervlakte op basis van de brandbelasting.
Deze maximale toegelaten oppervlakte wordt bepaald door de deling van 5700 GJ door de maatgevende brandbelasting. In geval van een maatgevende brandbelasting van 50 MJ/m² (= de aangenomen brandbelasting voor tomaten, aardbeien,…) is een maximale oppervlakte van 11,4 ha ofte 114 000 m² toegelaten.  

Grotere oppervlaktes zijn toegestaan op voorwaarde dat het enkel om het kweekgedeelte van de serre gaat, maar dat administratieve lokalen, loodsen en technische lokalen zoals de stookplaats of WKK een afzonderlijk brandcompartiment vormen.

Compartimentswand (artikel  3.4)

De brandweerstand van de compartimentswand is afhankelijk van de brandbelasting in de serre en loods. Aangezien de brandbelasting in de loods nagenoeg altijd hoger zal zijn dan in de serre, bepaalt de brandbelasting in de loods de grootte van de brandweerstand.
De brandweerstand van de wand dient aan de volgende voorschriften te voldoen:

  • Indien de brandbelasting in de loods groter is dan 350 MJ/m² (klasse B of C) dient de brandweerstand van de wand minstens EI 120 te bedragen.  Een wand in metselwerk (zowel bakstenen, betonblokken als cellenbeton) met een minimale dikte van 14 cm voldoet hier doorgaans aan.
  • Indien de brandbelasting in de loods kleiner is dan of gelijk aan 350 MJ/m² (klasse A) dient de brandweerstand van de wand minstens EI 60 te bedragen.   Een wand in metselwerk (zowel bakstenen, betonblokken als cellenbeton) met een minimale dikte van 9 cm voldoet hier doorgaans aan, maar er bestaan ook sandwichpanelen die EI 60 hebben.

De openingen in de wanden tussen loods en tuinbouwkas die noodzakelijk zijn voor de doorgang van gebruikers en voertuigen zijn afgesloten met zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren met een brandweerstand EI1 60.
Indien deze deuren bij brand zelfsluitende deuren zijn, is een automatische branddetectie in de loods verplicht.
Bij serrebedrijven moet de wand niet boven het dak van de loods en/of de serre uit te steken.  Het volstaat dat deze wand tot tegen de onderzijde van het dak aangesloten wordt zodat er geen openingen zijn tussen het dak en de wand.

Compartimentswand bij bestaande loods/serre (artikel 3.4)

Indien er sprake is van een uitbreiding van serre en er is nog geen brandwerende scheiding voorzien tussen de bestaande loods en de bestaande serre of tuinbouwkas, is het niet altijd eenvoudig om een compartiments¬wand tussen de bestaande loods en de serre te voorzien.
Desalniettemin is een brandwerende scheiding vanaf een bepaalde totale oppervlakte van het geheel vereist. 

De belangrijkste moeilijkheid is het realiseren van een brandwand die ook gedurende 60 minuten blijft staan, indien de draagstructuur geen specifieke brandweerstand heeft (bvb. stalen spanten zonder bescherming).
In dergelijke bestaande situatie waar toch een compartimentswand vereist is tussen een bestaande loods (klasse A) en een bestaande serre, worden volgende oplossingen aanvaard:

  1. Een wand in metselwerk, beton of cellenbeton (min. 9 cm) of brandwerende sandwichpanelen EI 60 bevestigd aan de betonnen kolommen die de draagstructuur van de bestaande loods vormen;
  2. Een wand in metselwerk, beton of cellenbeton (min. 9 cm) of brandwerende sandwichpanelen EI 60 met aangepaste smeltankers bevestigd aan zowel de draagstructuur van de bestaande loods als de draagstructuur van de bestaande serre;
  3. Een wand in metselwerk, beton of cellenbeton (min. 9 cm) of brandwerende sandwichpanelen EI 60 die langs de binnenkant van de draagstructuur van de bestaande loods bevestigd zijn zodanig dat de kolommen ten opzichte van een brand in de loods beschermd zijn.  De blootstelling van de kolommen langs de kant van de serre zal doorgaans beperkter zijn.
  4. Een wand in metselwerk, beton of cellenbeton (min 9 cm.) die tussen de flenzen van de stalen draagstructuur van de bestaande loods geplaatst is zodat de kolommen grotendeels beschermd zijn en trager opwarmen.  Het metselwerk, beton of cellenbeton zal de snelle opwarming van het staal verhinderen.

Voor de nieuwe loodsen en voor eventuele andere oplossingen voor bestaande loodsen (of loods klasse B of C) dient de brandweerstand aangetoond te worden.

Een afwijking aanvragen

Een afwijkingsdossier kun je aanvragen bij de Commissie voor Afwijking 

Adres: Commissie voor Afwijking 
Waterloolaan 76 
1000 Brussel
Meer info vind je op deze pagina.

De volledige typeoplossing (versie 2, oktober 2017) kan je in dit pdf-document nalezen:

Vast opgestelde individuele verbrandingstoestellen in de serre: bvb warmeluchtblazers en CO2-branders

Enkel vast opgestelde individuele verbrandingstoestellen (zoals warmeluchtbranders en CO2-branders) zijn toegestaan (dus verplaatsbare toestellen zijn niet toegelaten).

De verwarmingsinstallaties moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld zijn of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar voorkomen wordt.  Warmeluchtblazers en CO2-branders hangen minstens 0,50 m onder het brandvertragend schermdoek. Daarbij wordt de opstelling zo gedaan dat de verwarmingstoestellen niet onder het samengevouwen schermdoek hangen. De afstand tot ander brandbaar materiaal bedraagt 3 meter.

De verwarmingsinstallaties met warme lucht (warmeluchtblazers) moeten aan volgende voorwaarden voldoen: de temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten 80 °C niet overschrijden en de eventuele aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn.

De afvoerkanalen bij warmeluchtblazers worden voorzien van een dubbelwandige geïsoleerde schouw als er een schermdoek voorzien wordt of als ze door plastiekfolie gaan. De dubbelwandige geïsoleerde uitvoering is minimaal verplicht vanaf 80 cm onder het schermdoek tot 80 cm boven het schermdoek en/of plastiekfolie.

De vast opgestelde individuele verbrandingstoestellen (warmeluchtblazers en CO2-branders) die vloeibare of een gasvormige brandstof gebruiken, moeten zodanig uitgerust zijn, dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen:

  • bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander;
  • van zodra de vlam toevallig uitdooft;
  • van zodra er oververhitting of overdruk in de wisselaar voorkomt;
  • in geval van onderbreking van de elektrische stroom, voor de warmtegeneratoren die vloeibare brandstoffen gebruiken.

Daarnaast worden voor deze toestellen op de toevoer minstens 2 manueel afsluitbare kranen voorzien die vlot bereikbaar zijn:

  • 1 handkraan bij de start van de hoofdleiding (zo dicht mogelijk bij tank of reservoir van vloeibare brandstoffen of bij hoofdkraan bij gasvormige brandstoffen)
  • 1 handkraan het toestel zelf

De gebruikte leidingen moeten voldoen aan de regels van goed vakmanschap!

In de lokalen die met warme lucht verwarmd worden door een generator op aardgas met rechtstreekse warmtewisseling, moet de druk van de warme lucht in de generator altijd hoger zijn dan deze van de gassen die doorheen de verbrandingskamer trekken en moet een inrichting automatisch de ventilator en de generator stilleggen in geval van abnormale stijging van de temperatuur van de warme lucht.

Afwijking over afstand tussen gebouwen en percelen

Afstand tussen gebouwen (artikel 6.1)

Om te vermijden dat een brand in een werkplaats of woning overslaat naar een tuinbouwkas of omgekeerd, bestaat naast compartimentering ook de mogelijkheid om deze afzonderlijk van elkaar te bouwen op een voldoende afstand van elkaar.  Deze afstand tussen gebouwen wordt bepaald door de  straling van een brand te beperken tot 15 kW/m².   In tabel 4 van bijlage 6 zijn verschillende oplossingen uitgerekend voor industriegebouwen die ongeveer 12 m hoog zijn.  Tuinbouwkassen zijn vaak veel lager, waardoor deze type-oplossingen uit tabel 4 niet aangepast zijn voor tuinbouwkassen.  

In de onderstaande tabel, zijn enkele berekeningen uitgevoerd voor tuinbouwkassen.  Indien de afstand tussen een tuinbouwkas en een naburig gebouw groter is dan of gelijk aan de afstanden vermeld in de onderstaande tabel, dan wordt verondersteld dat de tuinbouwkas voldoet aan de voorschriften van punt 6.1 van bijlage 6 en is er geen afwijking nodig.

Spiegelsymmetrie ten opzichte van de perceelsgrens (artikel 6.2)

De afstand tot naburige percelen dient groter of gelijk te zijn aan de helft van de minimale afstand tussen gebouwen. Onderstaande tabel geeft de minimumafstand tot perceelsgrenzen.

Afwijking over uitgangen en bereikbaarheid

Af te leggen weg tot een uitgang (artikel 7.2) 

Het aantal personen dat gelijktijdig in een serre aan de slag is, is vaak heel beperkt (enkele personen per ha).  Ook al zijn het er weinig, ze moeten in alle gevallen veilig de tuinbouwkas kunnen verlaten.
Daartoe dient elke serre te beschikken over  minstens 2 verschillende uitgangen. De uitgangen liggen in tegenovergestelde zones en zijn zo ontworpen dat ze toelaten voldoende mensen te evacueren.  Die uitgangen worden bij voorkeur voorzien aan de uiteinden van het betonpad of in het verlengde ervan. 
In serres met rijenteelt dient er langs beide uiteinden van de rijen een pad voorzien te zijn, dus ook langs de kopse gevels,  zodat de werknemers vlot van de ene rij naar de andere kunnen bewegen en zo dwars op de kappen kunnen evacueren.  Dit gangpad is minstens 0,80 m breed.  
In elk van de volgende gevallen volstaat een gangpad langs één van de uiteinden van de rijen (bijvoorbeeld het centrale gangpad):

  • de rijen zijn niet langer zijn dan 60 m;
  • het is mogelijk om onder de gewasgoten door te kruipen, hiertoe is een minimale vrije hoogte van 0,70 m vereist onder de gewasgoten en de bijhorende constructies en leidingen;
  • het is mogelijk om over de gewasgoten en/of planten te stappen, hiertoe is een maximale hoogte van 0,30 m vereist van de gewasgoten en de bijhorende constructies en leidingen en moet je vlot tussen de planten en eventuele geleiders van de planten door kunnen. 

In de kopgevel moeten geen nooduitgangen voorzien worden omdat werknemers logischerwijs via een andere rij naar het centrale betonpad van de serre zullen terugkeren. Vandaar kunnen ze één van de minstens 2 verschillende uitgangen aan het uiteinde van dat  betonpad of het verlengde ervan, kiezen.
In serres met vlakke teelten is het mogelijk om in alle richtingen te evacueren naar de uitgangen.  De voorziene gangpaden volstaan.

In serres met verplaatsbare teeltgoten of teelttafels (of andere systemen waar de teelten via een doorschuifsysteem kunnen verplaatst worden) moeten aan de uiteinden van het doorschuifsysteem waar personeel gewoonlijk werkt (bijvoorbeeld plant- en/of oogstwerkzaamheden verricht) (beton)paden worden voorzien. De breedte van het pad bedraagt ten minste 0,8 m. Vanop het (beton)pad moet je twee uitgangen kunnen bereiken die in tegenovergestelde zones liggen.

Breedte van de uitgangen (artikel 7.3)

De breedte van de uitgangen en de draairichting van de uitgangen zijn voldoende voor de totaal aantal gebruikers in de tuinbouwkas.  Door de lage bezettingsgraad in serre zijn ook schuifdeuren als uitgang toegelaten.  Deze schuifdeuren mogen meegerekend worden voor de evacuatie van ten hoogste 10 personen.  Een draaideur die in vluchtzin opendraait en minstens 80 cm breed is, laat evacuatie van ten hoogste 60 personen toe. De totale capaciteit van alle uitgangen samen dient hoger te zijn dan of gelijk aan het maximaal aantal personen dat in de tuinbouwkas of serre aanwezig is.    

Bereikbaarheid en toegankelijkheid (artikel 8.1)

De hulpdiensten moeten in geval van een incident, makkelijk het industriegebouw kunnen bereiken.  Voor de bereikbaarheid van een tuinbouwkas is het vooral belangrijk dat de loods, het administratief deel (bureaus, voorzieningen voor personeel zoals refter …), eventuele huisvesting voor seizoenarbeiders …) en de stookplaats bereikbaar moeten zijn voor de brandweervoertuigen. Hierbij dient waar zinvol, rekening gehouden te worden met de opstelling van ladderwagens. 

De bereikbaarheid van het kweekgedeelte van de tuinbouwkas is door de beperkte brandbelasting en risico’s minder noodzakelijk.  Door de grootte van de tuinbouwkassen is het vaak niet mogelijk om alle zones bvb. vanaf ladderwagens te beschermen.  De bereikbaarheid van alle buitenwanden van de tuinbouwkas met brandweervoertuigen is bijgevolg niet nodig. 

Bij de bereikbaarheid van de waterbassin wordt lokaal afgesproken hoe water uit de bassin zo vlot mogelijk kan ingeschakeld worden voor de bluswerkzaamheden en welke plaats er nodig is voor de opstelling van de bluswagens.

Typeoplossing één keer per jaar bijwerken

Het is de bedoeling dat de typeoplossing één keer per jaar bijgewerkt wordt. Er werd vroeger immers gesteld dat de typeoplossing niet statisch is, maar aangepast kan worden aan nieuwe inzichten. Om het geheel overzichtelijk te houden, werd afgesproken om voorstellen tot wijziging telkens in september te bespreken. Dit leidde dit jaar tot een tweede versie die goedgekeurd werd in oktober 2017. Als er knelpunten naar boven komen bij de toepassing van deze typeoplossing, kun je die signaleren. Er kan dan bekeken worden of die in eerste fase individueel opgelost kunnen worden en erna in de besprekingen ter voorbereiding van een nieuwe typeoplossing (september 2018) mee opgenomen kunnen worden.

Voor wat kan ik een afwijking aanvragen?

Specifiek voor serres of serreloods combinaties kunnen er voor onderstaande punten uit de wetgeving een afwijking aangevraagd worden.

Artikel

Onderwerp

Indien

3.2

Grootte van de compartimenten

> 5700 GJ

3.4

Compartimentwand

 

5.2

Branddetectie, waarschuwing, melding

Compartimenten > 2.000 m²

5.3

Rook- en warmteafvoer

Compartimenten > 10.000 m²

5.6

Centrale controle- en bedieningspost

 

6.1

Afstand tussen gebouwen

Afstand < dan in tabel

6.2

Spiegelsymmetrie ten opzichte van de perceelsgrens

Afstand < dan in tabel

6.6

Brandgedrag van daken

 

7.2

Af te leggen weg tot een uitgang

Loopafstand meer dan 60 m is

7.3

Breedte van de uitgangen

 

8.1

Bereikbaarheid en toegankelijkheid

 

 

Voor andere punten kan geen afwijking aangevraagd worden en moeten de bepalingen van bijlage 6 toegepast worden.

 

 

 

Afwijking over branddetectie, rook- en warmteafvoer en centrale controlepost

Branddetectie, waarschuwing, melding (artikel 5.2)

De serre moet uitgerust worden met handbrandmelders die het mogelijk maken dat de aanwezige personen snel het begin van een brand kunnen melden. Deze handbrandmelders zijn makkelijk bereikbaar en zichtbaar opgesteld aan de uitgangen van de serre en langs de betonnen paden in de serre.  De maximaal af te leggen afstand op het betonnen pad tot een handbrandmelder bedraagt 30 m.  Dit wil zeggen dat deze maximaal ongeveer 60 m uit elkaar mogen liggen.

De handbrandmelders zijn aangesloten op het systeem dat in geval van brand ook de aansturing van het alarm en het openen van de verluchtingsopeningen regelt. 
Deze handbrandmelders zijn niet vereist indien de tuinbouwkas niet uitgerust is met een elektrische installatie.
Het begin van brand kan aanleiding geven tot een abnormale temperatuurstijging in de tuinbouwkas.  Deze temperatuurstijging kan gedetecteerd worden door de aanwezigheid van een klimaatbeheersingssysteem in de tuinbouwkas.

Indien een klimaatbeheersingssysteem in de serre aanwezig is, dient deze elke abnormale temperatuurstijging te melden omdat dit kan wijzen op het begin van brand.
In het geval van een serre met rijenteelt dienen er minstens 2 meetpunten zijn per hectare die abnormale temperatuurverhoging kunnen meten . Hiervoor kunnen de bestaande meer gesofisticeerde meetinrichtingen zoals klimaatboxen die ook vochtigheid en dergelijke meten gebruikt worden. Deze kunnen met elk ander systeem dat enkel temperatuur(stijging) meet aangevuld worden indien er geen 2 meetinrichtingen per hectare zijn, zodanig dat er telkens twee meetpunten per hectare zijn (bvb. een klimaatbox en een temperatuurssensor). 

In geval van een serre met vlakke teelten volstaan de bestaande meetinrichtingen zoals klimaatboxen, ongeacht het aantal meetpunten per hectare.
Zowel het klimaatbeheersingssysteem als het branddetectiesysteem zijn voorzien van noodstroomvoeding. Dit kan bijvoorbeeld via:

  • een automatisch alarm bij uitvallen van de stroom waarna de noodstroomgroep manueel opgestart wordt met minimaal een gegarandeerde stroomvoorziening voor de branddetectiecentrale en de klimaatcomputer door bvb een batterijsysteem of een kleine elektrische groep
  • een batterijsysteem dat automatisch invalt als de stroom uitvalt  en de werking van branddetectiecentrale en klimaatcomputer voldoende lang verzekert
  • een automatisch opstartende noodstroomgroep waarop minstens de branddetectiecentrale en de klimaatcomputer aangesloten zijn

Bij de realisatie van klimaatcomputer/branddetectiecentrale is het belangrijk dat de brandweer en de tuinder/zijn aangestelde ten allen tijde kunnen zien welk detectiepunt eerst een signaal gegeven heeft.

Rook- en warmteafvoer (artikel 5.3)

De verluchtingsopeningen dienen automatisch te openen in geval van brand. Dit betekent dat als iemand manueel een brand meldt via een handbrandmelder of als er een abnormale temperatuur(stijging) wordt vastgesteld door het klimaatbeheersingssysteem, de verluchtingsopeningen automatisch openen indien de verantwoordelijke niet ingrijpt.  

De verantwoordelijke (bijvoorbeeld de tuinder) mag de activatie van de verluchtingsopeningen regelen zodat er tijd is om zich ervan te vergewissen dat het geen ongewenste melding is.  In dat geval, krijgt de verantwoordelijke eerst een waarschuwing dat er een handbrandmelder geactiveerd wordt of één van de temperatuurmetingen een afwijkende temperatuurverhoging geeft.  De verantwoordelijke dient dan tijdig (hoogstens binnen 60 s) te bevestigen dat hij deze waarschuwing heeft ontvangen en krijgt dan meer tijd om na te gaan of de melding echt op een brand wijst.  Indien deze niet tijdig bevestigt, dan stuurt de klimaatcomputer de ramen van de serre automatisch open en gaat het evacuatiealarm af. 
Indien deze wel tijdig bevestigt, krijgt hij een vastgestelde uitsteltijd om na te gaan of het alarm echt is of ongewenst.  Ziet de tuinder of de aangestelde dat het echt brandt, dan activeert hij het evacuatie-alarm en stuurt de klimaatcomputer de verluchtingsopeningen open. Ziet de tuinder of aangestelde dat het een ongewenst of vals alarm is, dan annuleert hij het alarm. Indien het alarm niet geannuleerd wordt binnen de vastgesteld uitsteltijd, dan stuurt de klimaatcomputer de ramen van de serre automatisch open en gaat het evacuatiealarm af. De uitsteltijd bedraagt maximum 10 minuten.

Gelijktijdig met het openen van de verluchtingsopeningen in geval van brand, worden de schermdoeken samengevouwen worden als ze op moment van alarm gesloten zijn. Zo kan de rook maximaal afgevoerd worden en wordt risico van verdere brandverspreiding via het schermdoek geminimaliseerd. 
De installatie voor het openen van de verluchtingsopeningen (motoren, elektrische voeding en leidingen) is niet de beschouwen als een vitale installatie en moet dus niet gedurende een zekere tijd in werking blijven in geval van brand.  Desalniettemin dient de installatie zo ontworpen te zijn dat een algemene buitendienststelling door een lokaal incident zoveel mogelijk vermeden wordt.
Dit kan bijvoorbeeld doordat de motoren voor het openen van de verluchtingsopeningen aan één zijde van de nok op een andere stroombaan worden aangesloten dan die voor het openen van de verluchtingsopeningen aan de andere kant van diezelfde nok of door 2 afzonderlijke stroombanen per spant (van paal tot paal tussen de kappen) te gebruiken voor de sturing van de motoren voor het openen van de verluchtingsopeningen. De elektrische stroombanen moet niet brandwerend zijn en ook niet door een noodstroomvoeding gevoed worden. 

Centrale controle- en bedieningspost (artikel  5.6)

Er moet een plaats voorzien worden waar de brandweer veilig de detectiecentrale en/of klimaatcomputer kan raadplegen. Men moet er kunnen zien:
•    Welke detector afgegaan is of welke handbrandmelder geactiveerd werd
•    Technische systemen die aanwezig zijn en hun status: RWA (open/toe?), stookinstallatie (aan/uit?), …
•    Plan met de aanwezige detectoren en handbrandmelders en hun positie in de serre/loods
Deze plaats moet veilig toegankelijk zijn voor de brandweer. Dit is hetzij een lokaal in de loods/bij de serre die rechtstreeks toegankelijk is van buiten of zo toegankelijk dat de wanden van de toegang brandwerend uitgevoerd zijn. Dit is EI 60 voor de muren en EI1 30 voor deuren. De loopafstand tot het lokaal is bij voorkeur minder dan 15 meter van de buitentoegang gemeten.

Ofwel kan dit ook een bedieningspost zijn die op een andere manier raadpleegbaar/toegankelijk is: bvb klimaatcomputer die in woning van de bedrijfsleider staat, draadloze systemen waar de klimaatcomputer en de te raadplegen gegevens zichtbaar zijn.
Dit lokaal moet altijd toegankelijk zijn, ook als de bedrijfsleider er niet is. Dit betekent minstens dat als de brandweer ter plaatse aankomt dat ze in contact kunnen komen met de verantwoordelijke of een aangestelde van het gebouw.

Andere aandachtspunten

Blustoestellen

Het beperkte risico op een snelle branduitbreiding in een tuinbouwkas, verantwoordt een aangepast aantal draagbare brandblustoestellen in tuinbouwkassen.  In de tuinbouwkassen wordt 1,5 bluseenheid per 60 meter betonpad voorzien (bvb opgesteld bij de handbrandmelders op dat betonpad) en minstens 3 bluseenheden per teeltcompartiment. Voor teeltcompartimenten < 500 m² volstaat 1 bluseenheid.

Zwavelverdampers

Indien aanwezig in de tuinbouwkas, zijn de zwavelverdampers zo gekozen en geplaatst dat het risico op het ontstaan van brand beperkt is.
Hiertoe worden zwavelverdampers gebruikt die ofwel een thermische beveiliging hebben en waarbij voorkomen wordt dat de temperatuur van 200 °C overschreden wordt ofwel  wordt de warmtebron mechanisch afgeschermd zodat de genaakbare delen nooit de temperatuur van 200 °C  overschrijden. De zelfontbrandingstemperatuur van zwavel is 235°C - 248 °C. 
De zwavelverdampers worden op een afstand van minstens 0,80 m van het schermdoek geplaatst.
De zwavelverdampers zijn aangesloten op een afzonderlijke stroombaan met automatische zekering waarop geen andere toestellen zijn aangesloten.

Insectenvangers

Insectenvangers zijn beveiligd tegen opstelling in een vochtige omgeving, minstens klasse  IPx4 of IPx5.

Batterijlaadstations

Batterijlaadstations  staan opgesteld in een voldoende geventileerde/verluchte ruimte (om explosiegevaar te voorkomen). Dit kan in een speciaal daartoe ingerichte ruimte zijn of in de serre zelf. In de zone van 1,5 meter rond de laadzone wordt brandbaar materiaal vermeden.
Bij opstelling van laders in de serre wordt een beschutting boven het laadstation geplaatst om deze te beschermen tegen vocht en andere weersinvloeden. Stopcontacten worden zo geplaatst dat ze zich buiten een zone van 0,5 m naast of boven de op te laden batterij bevinden.

Brandwerende schermdoeken

Indien aanwezig in de tuinbouwkas, moeten het brandgedrag van schermdoeken minstens voldoen aan klasse B-s1, d0 volgens NBN EN 13501-1 of voldoen aan de Nederlandse norm NTA 8825.

Stookplaatsen compartimenteren

Een stookplaats en/of warmtekrachtkoppeling zijn specifieke brandrisico’s in een tuinbouwkas.  Deze stookplaats of WKK mag niet in het kweekgedeelte van de tuinbouwkas geplaatst worden, maar bevindt zich in een afzonderlijk lokaal of gebouw.
Indien deze zich in de loods bevindt (zowel nieuwe als bestaande loods), dient deze in een afzonderlijk lokaal opgesteld te worden.  Dit lokaal moet gecompartimenteerd te zijn ten opzichte van de rest van loods met wanden die een brandweerstand hebben die minstens EI 60 bedraagt en met brandwerende zelfsluitende deuren die minstens EI1 30 hebben.  De structurele elementen die zich in dit lokaal bevinden dienen een brandweerstand die minstens R 60 hebben.

Huisvesting voor personeel compartimenteren

De lokalen voor nachtbezetting (bvb. voor de overnachting van seizoensarbeiders) mogen niet in de loods gelegen zijn, maar moeten een afzonderlijk gebouw of bouwdeel vormen.  Een nachtverblijf moet altijd gecompartimenteerd worden van de loods en/of het kweekgedeelte van de tuinbouwkas met een wand met brandweerstand EI60 (voor klasse A) of EI120 (voor klasse B of C).  De inrichting van deze nachtbezetting moet voldoen aan de basisnormen (bijlage 2/1, bijlage 3/1 en eventueel lokale voorschriften naargelang type en gemeente). Hiervoor wordt een apart advies van door de brandweer gegeven.

Typeoplossing en toepassingsgebied

Deze typeoplossing is van toepassing voor serres waar beroepsmatig groenten, fruit en sierteeltgewassen geteeld worden. De tuinbouwkas is opgebouwd uit voornamelijk onbrandbare materialen zoals glas, staal, aluminium ... al zijn ook in beperkte mate kunststoffen mogelijk.

Het gebruik van kunststoffen in de bouw van de nieuw op te richten tuinbouwkas is beperkt tot:

  • het gebruik van dunne kunststoffolies die in één laag of twee lagen met lucht tussen geblazen worden toegepast in het dak en/of de wanden van de tuinbouwkas (bijvoorbeeld bij folieserres). De enkele of dubbele kunststoffolies mogen samen maximaal 440 µm dik zijn;
  • het gebruik van meerwandige kanaalplaten in polycarbonaat (klasse B-s2,d0 volgens NBN EN 13501-1 of beter) die worden toegepast in de wanden van de tuinbouwkas (niet in het dak van de tuinbouwkas);
  • het gebruik van sandwichpanelen met een kern in kunststofschuim (klasse B-s2,d0 of beter) die worden toegepast in het dak en/of de wanden van de tuinbouwkas.

Behoudens de energieschermen of schermdoeken (zie 1.9.5) zijn geen plastiekfolies of noppenfolies in de kap gespannen of aan de zijwanden bevestigd.

Indien je de tuinbouwkas ontwerpt volgens deze voorschriften en rekening houdt met het toepassingsgebied, dan zal deze aanvraag tot afwijking naar alle waarschijnlijkheid aanvaard worden. Het bestaan van deze type-oplossing sluit niet uit dat er ook nog individueel voor andere oplossingen kan gekozen worden. Deze moeten dan onderbouwd worden in de afwijkingsaanvraag en zullen door de Commissie voor Afwijking geval per geval beoordeeld worden.