Bodemverontreiniging en sanering

Gevolgen voor de land- en tuinbouwsector.

De wet bepaalt dat tegen 2036 de sanering van alle historisch vervuilde gronden gestart moet zijn. Omdat de kosten van sanering hoog kunnen oplopen, volgt Boerenbond dit dossier nauw op. Zo onderzoeken we de haalbaarheid van een bodemsaneringsfonds <link> voor de land- en tuinbouw. 

Landbouwbedrijven die met bodemonderzoek te maken krijgen, zitten met tal van vragen. De belangrijkste doen we in dit dossier uit de doeken:

Wat is een risicogrond?

Een risicogrond is een grond waarop potentieel bodembedreigende activiteiten uitgevoerd worden of werden. Deze indeling is geïntegreerd met de milieuvergunningsplichtige activiteiten (de Vlaremlijst en de rubrieken op een milieuvergunning). Let wel op: niet elke milieuvergunningsplichtige activiteit is een risicoactiviteit.

Afhankelijk van de startdatum van de activiteiten van de risico-inrichting geldt er een andere indelingslijst:

  • gestart vóór 1 juni 2015: bijlage I van Vlarebo
  • gestart vanaf 1 juni 2015: bijlage I van Vlarem II

Wanneer er een letter vermeld wordt bij een activiteit, wil dit zeggen dat er een bodemonderzoek vereist is en er dus een (periodieke) onderzoeksplicht geldt.

Enkele voorbeelden van risico-inrichtingen uit onze sectoren:

  • opslag van zware stookolie, diesel of lichte stookolie met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20.000 liter
  • opslag van meer dan 1 m³ zwavelzuur
  • werkplaats voor nazicht, herstellen en onderhouden van motorvoertuigen
  • brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met meer dan 2 verdeelslangen
  • installaties voor elektriciteitsproductie (zoals een wkk of gasturbine) met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 150 kW.

Welke soorten oriënterende bodemonderzoeken zijn er?

Een bodemonderzoek kan op meerdere manieren uitgevoerd worden en het heeft niet steeds hetzelfde doel. We gaan eerst in op de onderzoeksmethode.

Volledig bodemonderzoek

Bij een volwaardig oriënterend bodemonderzoek, bijvoorbeeld in het kader van verkoop, wordt het hele terrein gescreend op bodemverontreiniging, met een extra focus op de risicolocaties. Na zo’n onderzoek kan een overdracht plaatsvinden. Er worden stalen genomen en geanalyseerd van het vaste deel van de bodem én van het grondwater. Deze stalen worden onderzocht op de stoffen die in de bodem kunnen voorkomen als gevolg van de activiteiten. Wanneer je bijvoorbeeld brandstof opslaat, wordt onderzocht of de stalen minerale olie bevatten. OVAM heeft een standaardprocedure voor het oriënterend bodemonderzoek opgesteld, die beschrijft op welke plaats geboord moet worden, welke stalen genomen worden en op welke stoffen de stalen geanalyseerd worden.

Exploitatie-onderzoek

Een exploitatie-onderzoek is een bodemonderzoek dat zich beperkt tot de zones waar risico-activiteiten plaatsvinden, bijvoorbeeld rond de opslag van brandstof of aan de tankplaats van de tractor. Het wordt alleen uitgevoerd bij de periodieke onderzoeksplicht of bij het stopzetten van een specifieke risicoactiviteit. De resultaten van dit onderzoek volstaan niet om je grond te verkopen. Dat staat ook letterlijk vermeld op het bodemattest.

Administratief onderzoek

Wanneer de uitbater van het bedrijf kan aantonen dat er op het terrein geen verontreiniging ontstaan kan zijn, doordat hij voldoende maatregelen heeft genomen, volstaat in bepaalde gevallen een administratief onderzoek. In dit geval worden er geen of minder boringen gedaan of peilbuizen geplaatst. De erkende bodemsaneringsdeskundige moet de mogelijkheid dat een bodemverontreiniging ontstaan is inschatten. Hij kijkt dan naar de aard van de risicolocatie, bijvoorbeeld naar het volume van de brandstofopslag, de plaats van de opslag en de maatregelen die getroffen werden om de bodem te beschermen. Hij moet goed motiveren waarom geen of minder veldwerk nodig is. De standaardprocedure van het oriënterend bodemonderzoek heeft hiervoor een doorstroomschema. Na het doorlopen van dit schema wordt besloten of er effectief stalen van de bodem en het grondwater genomen moeten worden.  

(vraag beantwoord door OVAM)

Wanneer moet ik welk type bodemonderzoek uitvoeren?

Ik wil mijn terrein overdragen

Wanneer je een terrein wil overdragen, moet er een volledig oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd worden. In dit geval wordt het volledige terrein gescreend en de risicolocaties worden onderzocht. Op die manier krijgt men een totaalbeeld van de bodem- en grondwaterkwaliteit van het terrein.

Ik wil stoppen met mijn activiteiten

Wanneer je wil stoppen met je activiteiten, moet je een exploitatieonderzoek laten uitvoeren. Onder bepaalde voorwaarden kan een volwaardig oriënterend bodemonderzoek gebruikt worden voor de stopzetting van de activiteiten zowel als voor de overdracht van de grond. Het is dan wel aangewezen dat alle activiteiten effectief beëindigd zijn vooraleer het bodemonderzoek uitgevoerd wordt.

Ik kreeg een brief in verband met de periodieke onderzoeksplicht

Wie van OVAM een brief krijgt over de periodieke onderzoeksplicht, hoeft alleen een exploitatie-onderzoek te laten uitvoeren. Daarbij worden alleen de risicolocaties op je terrein onderzocht, dus de zones waar mogelijk bodemverontreiniging ontstond. Denk aan de omgeving van een brandstofopslag (tank), een (garage)werkplaats of een tankinstallatie. Omdat de rest van het terrein niet onderzocht wordt, volstaat het resultaat van dit onderzoek niet wanneer je het terrein overdraagt aan iemand anders, bijvoorbeeld bij een verkoop.

(vraag beantwoord door OVAM)

Boort men door asfalt en door beton om grond- en waterstalen te nemen?

Het is de bedoeling om tijdens een onderzoek een beeld te krijgen van de ondergrond van het terrein. Daarom zal er steeds geboord moeten worden op de plaatsen waar een verontreiniging kan voorkomen. Een bodemonderzoek is een steekproef, dus het is belangrijk dat die zorgvuldig uitgevoerd wordt. Soms zal er dus wel door beton of asfalt geboord moeten worden. Als er onverharde alternatieve locaties zijn waar een representatief staal genomen kan worden, is het uiteraard wenselijk om daar het veldwerk uit te voeren.

(vraag beantwoord door OVAM)

Hoe weet ik zeker of ik al dan niet een oriënterend bodemonderzoek moet doen?

Om de gronden waarop een onderzoeksplicht rust in kaart te brengen, vertrouwt OVAM onder meer op de gegevens van de milieuvergunningen die ze doorkrijgt van de gemeente. Deze gegevens worden opgenomen in de gemeentelijke inventaris en ze bevatten de administratieve vergunningstoestand van de grond.

Eerst en vooral is het belangrijk dat bepaald wordt of de milieuvergunning overeenkomt met de feitelijke situatie op het terrein. De kans is immers groot dat de vergunning meer activiteiten omvat dan de werkelijke activiteiten die er plaatsvinden of er in het verleden plaatsgevonden hebben. Maar de onderzoeksplicht geldt ook als deze activiteiten aanwezig zijn of waren op uw grond zonder milieuvergunning. Of er een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden, is dus afhankelijk van de werkelijke situatie.

Wanneer er twijfels blijken te zijn of een onderzoek uitgevoerd moet worden, dan neem je het best contact op met je gemeente. Zij kunnen de gemeentelijke inventaris aanpassen aan de werkelijke toestand. In eenvoudige gevallen kan de gemeente dat zelf doen. In complexere gevallen is een interpretatie door een erkende bodemsaneringsdeskundige nodig. Hij kan dan een gemotiveerde verklaring opstellen dat een bodemonderzoek niet nodig is. 

(vraag beantwoord door OVAM)

Hoe vermijd ik dat ik nog een oriënterend bodemonderzoek (OBO) moet uitvoeren?

Als je kunt aantonen dat je bepaalde risico-activiteiten stopgezet hebt vóór het eerste oriënterende bodemonderzoek uitgevoerd wordt, dan hoef je voor deze activiteiten hierna geen onderzoek meer te laten uitvoeren. In dat geval moet je de stopzetting van de activiteiten melden aan OVAM, via het formulier op www.ovam.be/sluiting.

De stopzetting van een risicoactiviteit betekent niet altijd dat de activiteit volledig moet stoppen maar dat ze voldoende is afgenomen in grootteorde. Als bijvoorbeeld de bovengrondse opslag van stookolie daalt tot onder 20.000 liter, wordt de risicoactiviteit ook gestopt. 

Zolang er risicoactiviteiten uitgeoefend worden op het terrein, blijft een onderzoeksplicht bestaan. De aard van de activiteiten bepaalt hoe vaak een oriënterend bodemonderzoek moet uitgevoerd worden (aangeduid met categorie A of B).

(vraag beantwoord door OVAM)

Waar vind ik een bodemsaneringsdeskundige?

Een bodemsaneringsdeskundige moet erkend zijn door de OVAM. Er zijn twee types van deskundigheid. Afhankelijk van je situatie kies je voor een type 1 of type 2.

Type 1

Bodemsaneringsdeskundigen met een type 1 erkenning kunnen een oriënterend bodemonderzoek begeleiden en uitvoeren en mogen eveneens een technisch verslag opmaken in het kader van grondverzet.

Type 2

Bodemsaneringsdeskundigen met een type 2 erkenning mogen dezelfde taken uitvoeren als type 1 en mogen bovendien ook instaan voor de leiding en uitvoering van beschrijvende bodemonderzoeken, bodemsaneringsprojecten en de bodemsaneringswerken.

We selecteerden voor jou al 6 erkende bodemsaneringsdeskundigen. Op www.ovam.be/lijstbsd vind je een overzicht van alle erkende bodemsaneringsdeskundigen.

Wat als er uit het OBO blijkt dat er verontreiniging in de bodem aanwezig is?

In het geval er bodemverontreiniging wordt aangetroffen, worden verschillende vragen beantwoord:

  • Hoe ernstig is de verontreiniging?
  • Wat is de bron van de verontreiniging?
  • Wanneer is de verontreiniging ontstaan?

Op basis van de antwoorden op deze vragen zal bepaald worden of een beschrijvend bodemonderzoek nodig is. Een beschrijvend bodemonderzoek is nodig om meer informatie te krijgen over de verontreiniging zelf, zoals welke concentraties, welke omvang en welk medium (vaste deel van de aarde en/of grondwater). Op basis van dit onderzoek wordt bepaald of een bodemsanering moet uitgevoerd worden.

Wat als de verontreiniging niet ontstaan is door de activiteiten die ik uitvoer? In dat geval is er de mogelijkheid om een vrijstelling van saneringsplicht aan te vragen. Hiervoor gelden 3 voorwaarden:

  1. U heeft de verontreiniging niet zelf veroorzaakt
  2. De verontreiniging is ontstaan voordat u eigenaar of exploitant werd
  3. U was niet op de hoogte of behoorde niet op de hoogte te zijn van eventuele bodemverontreiniging.

Als de vrijstelling van de saneringsplicht wordt verkregen, dan zal de OVAM de werkelijke plichtige zoeken. Wordt deze niet gevonden, dan zullen alle andere onderzoeks- en saneringsmaatregelen voor de verontreinigingen waar de vrijstelling werd voor verleend, uitgevoerd worden door de OVAM, dit geldt niet noodzakelijk voor alle verontreinigingen die vastgesteld zijn in het onderzoek, maar alleen voor de verontreinigingen waarvoor de onschuld werd aangetoond.

(vraag beantwoord door OVAM)

Wat is een (periodieke) onderzoeksplicht?

Zijn er risico-activiteiten aanwezig op een bedrijf, dan geldt er ook een verplichting tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek (OBO). Dat onderzoek is soms alleen verplicht bij een overdracht of stopzetting, maar voor heel wat activiteiten moet je dat ook voor een welbepaalde datum doen en vervolgens periodiek. Het onderscheid wordt weergegeven door een letter of Vlarebo-categorie. Er zijn zes categorieën van zogenaamde risico-activiteiten: A, A*, B, B*, S en O.

Indien er op je bedrijf een ingedeelde risico-activiteit is, geldt de onderzoeksplicht steeds bij de overdracht van gronden, en bij de sluiting en stopzetting van een inrichting of activiteit. Afhankelijk van de categorie kan er ook een periodieke plicht zijn:

  • categorie A: periodieke onderzoeksplicht de eerste maal binnen de twaalf jaar en vervolgens om de twintig jaar
  • categorie B: periodieke onderzoeksplicht de eerste maal binnen de zes jaar en vervolgens om de tien jaar
  • categorie A* of B*: onderzoeksplicht in functie van de wijze van opslag (bij uitsluitend bovengrondse opslag is een OBO alleen verplicht bij overdracht of sluiting van de risico-inrichting; bij ondergrondse opslag of een combinatie van ondergrondse en bovengrondse opslag is er een periodieke verplichting zoals bij A en B)
  • categorie O: geen periodieke onderzoeksplicht,
  • categorie S: alleen een OBO om de startsituatie vast te leggen voor de exploitatie van een GPBV-inrichting, uit te voeren vóór de milieuvergunningsaanvraag.

Wat zijn normale prijzen voor een oriënterend bodemonderzoek?

Net als bij andere werken die door firma’s uitgevoerd worden, kunnen de prijzen voor een oriënterend bodemonderzoek nogal uiteenlopen. Het is daarom aan te raden om bij verschillende bodemsaneringsdeskundigen een offerte op te vragen. Om de prijs te kunnen beoordelen, moet je weten waarom het onderzoek uitgevoerd wordt (bij overdracht, bij stopzetting of als periodieke plicht) en wat de situatie op het terrein is.

De uurlonen die aangerekend worden, kunnen verschillend zijn afhankelijk van de firma, maar ook de verplaatsingskosten spelen een rol. Een grote kostenpost is steeds het veldwerk, dus het boren in de grond en het nemen van stalen. Afhankelijk van de grootte van de risicolocaties en afhankelijk van de grootte van het terrein, moeten er meer of minder stalen genomen worden. Dat kan een behoorlijk verschil maken in prijs. Ook de diepte van het grondwater bepaalt deels het tarief, omdat er bijna altijd tot onder het grondwaterniveau geboord moet worden. Boringen en peilbuizen worden dikwijls gefactureerd per geboorde meter en niet per stuk, wat uiteraard de kostprijs beïnvloedt. Ook of er al dan niet beton- of kernboringen uitgevoerd moeten worden om verhardingen te doorboren, kan een rol spelen. Het kan belangrijk zijn om op deze kostenposten te letten bij het vergelijken van de offertes.

(vraag beantwoord door OVAM)

Hoe lang is een bodemonderzoek geldig?

Voor het antwoord op deze vraag is een belangrijk bijkomend punt of er sinds het recentste oriënterende bodemonderzoek nog een risico-inrichting aanwezig is op het terrein.

Als er op een terrein geen risicoactiviteit meer plaatsvindt sinds er een oriënterend bodemonderzoek heeft plaatsgehad, blijft dat onderzoek geldig. Daarop zijn er wel drie uitzonderingen.

  • Er is sinds het recentste oriënterende bodemonderzoek een schadegeval opgetreden.
  • De ruimtelijke omschrijving van de grond is gewijzigd. Wanneer er een kadastrale wijziging heeft plaatsgevonden die de vorm of de oppervlakte van het kadastraal perceel wijzigt of wanneer de onderzoekslocatie anders gedefinieerd wordt dan in het vorige onderzoek, moet er een nieuw onderzoek gebeuren. Indien het perceel verkleint bij de kadastrale wijziging (kadastrale splitsing) en het volledig perceel al onderzocht werd, is er toch geen nieuw oriënterend bodemonderzoek nodig.
  • De bestemming van de grond is gewijzigd, waardoor strengere bodemsaneringsnormen van toepassing zijn. Bodemsaneringsnormen zijn immers afhankelijk van het bestemmingstype. Zo gelden er in woongebied strengere normen dan in industriegebied.

Als er sinds de ondertekening van het recentste oriënterende bodemonderzoek wél nog een risicoactiviteit plaatsvond of plaatsvindt, hoeft er toch geen nieuw oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd te worden als het vorige volledige onderzoek nog geen jaar oud is op het ogenblik van de overdracht (verlijden van de akte).

(vraag beantwoord door OVAM)

Wat als ik het oriënterend bodemonderzoek niet laat uitvoeren?

Na twee herinneringen wordt onverbiddelijk overgestapt op handhaving. In dat geval zal een verslag van vaststelling of een proces verbaal opgemaakt worden en zullen geldboetes geëist worden. 

(vraag beantwoord door OVAM)

Wat als er een verontreiniging wordt vastgesteld?

In een oriënterend bodemonderzoek (OBO) wordt de bodemtoestand van een grond onderzocht. Een bodemdeskundige neemt hiervoor stalen. Het aantal stalen per bodemonderzoek hangt af van het aantal risicozones, hun grootte en de grootte van het perceel. Indien in het OBO bodemverontreiniging vastgesteld wordt, gaat men na of die al dan niet ‘historisch’ is. Een bodemverontreiniging is ‘historisch’ als de verontreiniging dateert van vóór 29 oktober 1995. Dateert ze van later, dan spreekt men van een ‘nieuwe’ verontreiniging.

Er moet een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) opgesteld worden als er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging bij een ‘historische’ verontreiniging, of als de bodemsaneringsnormen overschreden zijn bij een ‘nieuwe’ verontreiniging. Het BBO brengt de totale omvang van de verontreiniging in kaart en de deskundige berekent de risico’s van deze verontreiniging op verspreiding, menselijke gezondheid en ecotoxicologie.

Indien sanering vereist is, wordt hierna een bodemsaneringsproject (BSP) opgesteld. Dit is een rapport dat de efficiëntie, toepasbaarheid, kostprijs, timing en resultaten van mogelijke saneringstechnieken met elkaar vergelijkt. De meest geschikte techniek wordt vastgelegd en de bodemsaneringswerken kunnen starten.

Wat is de deadline voor het bodemonderzoek?

De tabel toont wanneer een eerste periodiek bodemonderzoek uitgevoerd moet/moest worden. Hierbij moet je steeds uitgaan van de startdatum van de strengste Vlarebo-categorie.

Start van de risico-inrichting (1) Vlarebo-categorie A Vlarebo-categorie B
Voor 1995 Voor 31 december 2013 Voor 31 december 2011
Tussen 1995 en 1 juni 2008 Binnen 10 jaar na de start van de exploitatie en ten laatste op 31 december 2017 Binnen 8 jaar na de start van de exploitatie en ten laatste op 31 dec 2015
Tussen 1 juni 2008 en 1 juni 2015 Binnen 12 jaar na de start van de exploitatie Binnen 6 jaar na de start van de exploitatie
Na 1 juni 2015 Binnen 12 jaar na de start van de exploitatie Binnen 6 jaar na de start van de exploitatie

 

(1) Startte de risico-inrichting vóór 1 juni 2008? Dan waren de periodieke verplichtingen uit het Bodemsaneringsdecreet van 1995 van kracht. Die verplichtingen moest je nakomen vóór 1 juni 2010. (Bron: www.ovam.be/periodiekeplicht)

Waren er in het verleden risico-activiteiten die nu niet meer aanwezig zijn én werd hiervoor al een OBO uitgevoerd bij de stopzetting of sluiting? Dan ben je niet meer onderworpen aan het verplichte periodieke bodemonderzoek. Werd dit onderzoek echter nog niet uitgevoerd, dan blijf je nog steeds verplicht om dit onderzoek uit te voeren.

Onlangs werden in de wetgeving nieuwe data ingeschreven wanneer minstens een OBO moet hebben plaatsgevonden zodat de doelstelling dat tegen 2036 de sanering van alle historisch verontreinigde gronden gestart moet zijn, kan gehaald worden. Deze termijnen worden door de OVAM nauw opgevolgd.

Het aangepaste verplichte bodemonderzoek geldt voor de risico-inrichtingen waarvan de exploitatie gestart is voor 29 oktober 1995. Door het nieuwe decreet moet op alle nog niet-geïnventariseerde gronden een bodemonderzoek uitgevoerd worden en dat verslag moet bij de OVAM ingediend zijn vóór de volgende data:

  • Wanneer op de grond vroeger minstens één risico-inrichting van categorie B uitgebaat werd, moet het bodemonderzoek voor 31 december 2021 gebeuren. De huidige eigenaar van de grond is verantwoordelijk.
  • Wanneer op de grond vroeger minstens één risico-inrichting van categorie A, maar niet van categorie B uitgebaat werd, moet het bodemonderzoek voor 31 december 2023 gebeuren. De huidige eigenaar van de grond is verantwoordelijk.
  • Wanneer op de grond vroeger minstens één risico-inrichting van categorie O, maar niet van categorie A of B uitgebaat werd, moet het bodemonderzoek voor 31 januari 2027 gebeuren. De huidige eigenaar van de grond is verantwoordelijk.
  • Wanneer op de grond nog altijd één of meerdere risico-inrichtingen van categorie O uitgebaat worden en de exploitatie is gestart voor 29 oktober 1995; moet het bodemonderzoek uiterlijk op 31 januari 2027 gebeurd zijn. De exploitant is verantwoordelijk. (Voor inrichtingen van categorie A of B geldt een periodieke onderzoeksplicht).
     

Wat kan ik doen om problemen met bodemverontreiniging te vermijden?

Alles begint met een bewuste houding ten opzichte van bodem en bodemverontreiniging. Als je zelf overtuigd bent dat bodemverontreiniging moet vermeden worden, dan is de belangrijkste stap al gezet. Daarnaast zijn er enkele aandachtspunten die opgesomd worden in een brochure met als titel 'Beter voorkomen dan saneren'. Hierin worden ook praktische tips gegeven over preventie van verontreiniging en reageren in het geval van schade.

Hoe sneller een verontreiniging wordt ontdekt, hoe minder kans de verontreiniging krijgt om zich te verspreiden. De kosten voor de sanering zijn dan veel lager!

Denk er bijvoorbeeld aan dat een niet-gekeurde tank niet verzekerd is. Toch laten nog veel exploitanten na om hun tank periodiek te keuren. Veel schadegevallen komen voort uit niet-gekeurde tanks. Laat dus tijdig je tanks keuren en beperk zo het risico op hoge saneringskosten. Bij een ondergrondse tank heb je meer kans op ernstige bodemverontreiniging dan bij een bovengrondse tank. Bij een bovengrondse tank zie je immers meteen of er een lek is en kan er snel worden gereageerd. Kies dus bij voorkeur voor een bovengronds exemplaar, als je een nieuwe tank laat plaatsen.

De brochure vind je via ovam.be/beter-voorkomen-dan-saneren.

(vraag beantwoord door OVAM)

Mocht je nog met vragen zitten rond bodemonderzoeken en bodemvervuiling, je dienstbetoonconsulent van je regio helpt je graag verder.