Hou rekening met conditionaliteit in je teeltplan 2024

Ondertussen heeft het nieuwe GLB zijn eerste teeltjaar achter de rug en is de voorbereiding van het teeltplan voor 2024 al volop aan de gang. Bij de opmaak van dit teeltplan is het belangrijk om ook stil te staan bij de conditionaliteiten waaraan je moet voldoen als actieve boer in kader van het GLB. Daarbij is er expliciet aandacht nodig voor de niet-productieve elementen (GLMC 8) en de teeltrotatie (GLMC7).

De conditionaliteit was ook in 2023 al van toepassing, maar enkele van deze verplichtingen zullen in 2024 nadrukkelijker aan de orde zijn, om diverse redenen. Voor veel landbouwers konden de niet-productieve elementen in 2023 relatief eenvoudig worden ingevuld door de tijdelijke Europese uitzondering (BRU = BRaak Uitzondering) die er was voor de teelt van graan, groenten en aardappelen op braakpercelen. Die uitzondering is ondertussen echter afgelopen, wat wil zeggen dat de invulling van de niet-productieve elementen vanaf 2024 anders zal moeten gebeuren.   Daarnaast treedt ook de teeltrotatieverplichting in werking.  Die bestaat uit een maatregel op bedrijfsniveau vanaf 2024 en een maatregel op perceelsniveau vanaf 2025, maar ook daarvoor begin je nu al beter te plannen. Hoe beide conditionaliteiten in elkaar zitten, en hoe je er al mee aan de slag kan gaan lees je hier.  

De regeling voor niet-productieve elementen (NPE) 

Het GLB vraagt dat actieve landbouwers een deel van hun areaal bouwland niet-productief invullen. Dit kan op twee manieren, ofwel door 4% van het areaal bouwland in te vullen met niet-productieve elementen en areaal (NPE’s), ofwel door 3% van het areaal in te vullen met NPE’s, en dit aan te vullen tot 7% met vanggewassen. Dit geldt in de gehele EU. De NPE’s die hiervoor in aanmerking komen zijn: houtkanten, groep van bomen, hagen en heggen, bomenrijen, sloten, één meter teeltvrije strook langs oppervlaktewaterlichamen, akkerranden en bufferstroken, poelen en braakliggend land, onder voorwaarde dat deze elementen liggen op of grenzen aan bouwland. Indien deze NPE’s grenzen aan permanente teelten of blijvend grasland, en nergens aan je bouwland, komen deze NPE’s niet in aanmerking om aan de verplichting te voldoen. Deze NPE’s kunnen (arbitrair) in drie groepen worden onderverdeeld, waaruit de gedachteoefening in onderstaand stroomschema voortvloeit:  

De sloten, één meter teeltvrije strook, poelen, bomenrijen, hagen en heggen, groepen van bomen of houtkanten zijn elementen die al dan niet aanwezig zijn op een bedrijf. Indien aanwezig kunnen dergelijke elementen zonder extra inspanning benut worden om te voldoen aan de NPE-verplichting. Poelen, bomenrijen, hagen, heggen, groepen van bomen of houtkanten kunnen in aanmerking komen als ze aan of op bouwland van de aangevende landbouwer ligt, en er een aantoonbaar beheer door de aangevende landbouwer is.   

Akkerranden en bufferstroken zijn stroken zonder landbouwproductie die kunnen liggen langs oppervlaktewaterlichamen of kwetsbare landschapselementen zoals onder meer een houtkant, of om een andere reden aan de rand van bouwland (bijvoorbeeld als erosiestrook). Deze stroken kunnen flexibel worden ingezet qua breedte, lengte en ligging. Daardoor is dit een handige manier om zones in de percelen die minder potentieel hebben, omwille van wetgevende of praktische beperkingen, te gaan benutten voor de NPE’s. Zo kunnen bijvoorbeeld de bufferstrook langs waterlopen (waar bemestings- en fytovrije stroken gelden), de akkerrand aan de onderzijde van erosiegevoelige percelen of de akkerrand langs grillige perceelsgrenzen benut worden als NPE. Als je de akkerrand of bufferstrook als NPE gebruikt, kan je er geen ecoregeling meer op activeren. Een akkerrand of bufferstrook bestaat uit spontane vegetatie, of een niet-productief gewas (bijvoorbeeld gras(kruiden)) 

Braakland is bouwland waarop geen landbouwproductie mag plaatsvinden, maar zich wel een spontane vegetatie ontwikkelt of een gewas wordt geteeld dat biodiversiteitsvoordelen oplevert. Zwarte braak valt niet binnen de regels van braakland. Omwille van zijn omzettingsfactor van 1 (1 m² braakland telt mee als 1 m² NPE), is braak gemiddeld een minder interessante invulling van de NPE’s dan de andere elementen, die alle een hogere omzettingsfactor hebben (bijvoorbeeld 1 m² akkerrand telt mee als 1,5 m² NPE). 

Akkerranden, bufferstroken en braakpercelen dienen in het kader van de NPE’s aangehouden te worden van 1 januari tot 31 december van het betrokken jaar. Uitzonderingen hierop zijn dat de aanhouding van de NPE later kan gestart worden als op het perceel nog wintergroenten moeten worden geoogst op 1 januari. De aanhouding kan ook vroegtijdig gestopt worden vanaf 1 september, als op het perceel een nateelt zou worden verbouwd die het jaar nadien hoofdteelt moet worden (bijvoorbeeld wintertarwe). 

Niet-productieve elementen opnemen in de planning 

Op basis hiervan is duidelijk dat de invulling van de NPE’s best niet wordt vooruitgeschoven tot het moment van de aangifte, maar nu al in de planning wordt voorzien. De totale benodigde NPE-oppervlakte kan zelf berekend worden op basis van 3 of 4% van het bouwland, of indien het areaal in 2024 gelijk is als in 2023 kan de rekentool in de verzamelaanvraag van 2023 worden gebruikt. Als volgende stap kan op basis van de verzamelaanvraag van 2023 bekeken worden welke NPE’s al worden meegeteld (bijvoorbeeld grachten), en welke er in de praktijk al liggen maar nog niet zijn ingetekend op kaart. Als er bufferstroken, akkerranden of braakpercelen zouden worden toegevoegd om aan het benodigde areaal te komen, kan de oppervlakte daarvan worden bepaald via de perceelintekening van de verzamelaanvraag.  

Hou er rekening mee dat de NPE’s niet combineerbaar zijn met andere vormen van subsidie, bijvoorbeeld uit ecoregelingen of beheerovereenkomsten. De enige uitzondering hierop is de mogelijkheid om de beheerovereenkomst 'beheer van houtige kleine landschapselementen' te combineren met NPE’s. Er zit ook een bijkomende uitzondering in de pijplijn, waarbij sommige beheerovereenkomsten ook te combineren zullen zijn met NPE’s, maar op moment van schrijven is dit nog niet bekrachtigd door de Europese Commissie. NPE’s kunnen wel gecombineerd worden met andere verplichtingen die ook voorkomen in de conditionaliteit. Zo kan een vanggewas gelijktijdig dienen voor de NPE’s als voor de vanggewasregeling in het MAP, of kan een grasstrook erosie ook dienen als NPE-akkerrand.  

Schema.
De regeling voor teeltrotatie 

De regeling voor teeltrotatie is op te delen in twee verplichtingen. Eén verplichting rust op het bedrijfsareaal (bouwland), de andere verplichting op het individueel perceel. Concreet betekent dat dat je ten eerste elk jaar minstens 1/3 van je areaal bouwland op het bedrijf teeltrotatie toepast.  Als je bijvoorbeeld enkel vlas teelt, maar minstens een derde andere percelen gebruikt dan het jaar voordien (waar dan geen vlas stond), voldoe je ook. Ten tweede dien je vanaf 2025 ook één  keer om de vier jaar een andere hoofdteelt op het perceel te zetten – of omgekeerd: maximaal drie jaar na elkaar dezelfde hoofdteelt. 

Teeltrotatie toepassen op  bedrijfsniveau (1/3 van het bouwlandareaal) kan op twee manieren ingevuld worden: 

  • Ofwel een andere hoofdteelt te telen dan het voorgaande jaar;  
  • Ofwel na de hoofdteelt van het voorgaande jaar een nateelt aan te houden die minstens twaalf weken op het perceel aanwezig moet blijven en die tot een andere gewassoort behoort dan de hoofdteelt van het betrokken jaar.  Om te voldoen voor 2024 moest de nateelt er in 2023 staan en aangegeven zijn. 

Om te voldoen aan de verplichting op perceelsniveau (maximaal 3 jaar zelfde hoofdteelt) geldt de mogelijkheid met een nateelt niet. Hier moet dus een andere hoofdteelt geplaatst worden. 

Een hoofdteelt verschilt van de hoofdteelt van het voorgaande jaar wanneer deze teelt behoort tot een andere gewasgroep. Een gewas voor gewasrotatie is eigenlijk een groep van teelten die behoren tot hetzelfde geslacht of soort, bijvoorbeeld suikerbiet en voederbiet. Winterteelten en zomerteelten worden evenwel als afzonderlijke gewassen beschouwd, ook al behoren ze tot hetzelfde geslacht. Zo worden bijvoorbeeld wintertarwe en zomertarwe als twee verschillende gewassen beschouwd. In de praktijk zal dit vooral problemen geven voor landbouwers met een groot aandeel mais in het teeltplan of voor kleine percelen die niet geschikt zijn om met grote akkerbouwteelten in rotatie te gaan. De regel geldt voor elk individueel perceel.   

Voldoen aan de gewasrotatie kan in combinatie met de ecoregeling 'Inzaai van eenjarige milieu-, biodiversiteitsvriendelijke klimaat- en teelten' voor eventuele opportuniteiten zorgen. Ook de ecoregeling 'Vruchtafwisseling met vlinderbloemigen', die verder bouwt op de verplichte gewasrotatie, is een te overwegen optie. Deze beide ecoregelingen kunnen per perceel en per jaar aangevraagd worden, met als basisvoorwaarde dat voldaan is aan de gewasrotatie. Er zijn per maatregel nog extra voorwaarden dus bestudeer de fiche van deze ecoregelingen goed.  

En toch zijn er ook uitzonderingen. Zo mogen percelen bouwland met meerjarige gewassen, grassen, kruidachtige voedergewassen of braakliggend land wel langer dan drie jaar op zelfde perceel liggen, maar ze worden blijvend grasland als ze vijf jaar hebben aangelegen.  Deze teelten tellen vanaf jaar twee ook niet meer mee in de oppervlakte waarop je teeltrotatie (1/3) moet toepassen. 

Daarnaast is er ook een vrijstelling voor teelten onder vaste overkapping in vollegrond, voor percelen met vaste irrigatie voor knolbegonia en percelen met zware bodemtextuur die besmet zijn met knolcyperus (kijk na of je perceel eronder valt!). Hier kan de knolcyperus aldus bestreden worden door mais na mais te telen. Deze laatste uitzondering geldt vooralsnog niet voor lichte bodemtexturen, maar Boerenbond heeft de vraag gesteld dit mogelijk te maken. 

Tot slot is er geen uitzondering meer voor bedrijven met minder dan 10 ha bouwland. Bedrijven met veel grasland zijn wel voor beide maatregelen uitgezonderd:  

  • Bedrijven waarvan meer dan 75% van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen of wordt gebruikt voor een combinatie van deze toepassingen; 
  • Bedrijven waarvan meer dan 75% van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of voor de teelt van gewassen onder water, of een combinatie van die toepassingen.

Het is belangrijk om in je teeltplanning van komend jaar voldoende rekening te houden met deze gewasrotatie. De eerste maatregel die van toepassing is op het bouwlandareaal wordt voor de eerste keer gecontroleerd in 2024, de tweede maatregel (perceelsmaatregel) kan je voor het eerst overtreden in 2025.  De telling start in 2022, dus 2025 kan het vierde jaar zelfde hoofdteelt zijn. Om te vermijden dat je jezelf een teeltverbod voor de betrokken teelt oplegt in 2025, begin je best nu al de puzzel te maken met alle percelen en kan het zeer nuttig zijn in 2024 al te opteren voor een andere teelt op sommige percelen. 

Tot slot blijft Boerenbond ijveren voor faire en toepasbare conditionaliteiten in het GLB. Boerenbond steunt daarom de vraag om meer flexibiliteiten in te bouwen en te kijken naar ondersteunende maatregelen in plaats van verplichtingen. Wij zijn ervan overtuigd dat gezien de recente klimatologische en geostrategische omstandigheden, gezien de context van vruchtbare, maar kostbare gronden in Vlaanderen en gezien de impact op het inkomen van de boer dit een disproportionele uitwerking heeft.  

Voor meer details over glmc 7 en 8a, ga naar de fiches op de website van de Vlaamse overheid.