g

Gemeenten krijgen sleutel tot Vlaamse parken

9 november 2022

Over de Vlaamse nationale en landschapsparken is er al veel gezegd en geschreven. Het gebrek aan een wettelijk kader rond de parkenoproep leidde het afgelopen anderhalf jaar bij heel wat land- en tuinbouwers tot veel onzekerheid en onrust. Maar nu lijkt er eindelijk wat meer duidelijkheid te komen, want de Vlaamse regering kwam onlangs met een voorontwerp van decreet, dat zowel lokale besturen als landbouworganisaties een plaats aan de tafel geeft.

Het dossier rond de nationale en landschapsparken dateert al van vele maanden geleden en deed al heel wat stof opwaaien. In april 2021 deden ministers Demir en Diependaele samen een projectoproep om kandidaturen voor nieuwe nationale en landschapsparken in te dienen. De bedoeling van deze projectoproep is om in 2023 over te gaan tot erkenning van drie bijkomende nationale parken en drie landschapsparken. Vlaanderen telt momenteel immers al een nationaal park: het Nationaal Park Hoge Kempen in Limburg.

Hoewel er op dat moment geen wettelijk kader voorhanden was, werden in de oproepreglementen wel een aantal voorwaarden geformuleerd waaraan de kandidaat-parken moeten voldoen. Zo werd er vastgelegd dat een landschapspark minimaal 10.000 ha groot moet zijn, met minimaal 35% van de oppervlakte als landschappelijk erfgoed, minimaal 70% open ruimte en 15% natuur. Een nationaal park moet bij aanvang minimaal 5000 ha groot zijn en moet na 20 jaar doorgroeien naar 10.000 ha natuurkern. Na tien jaar moet de helft van het gebied de status van reservaat bereiken en na 20 jaar is dat minimaal 75%. Tot slot moeten zowel een landschapspark als een nationaal park een unieke belevingswaarde en internationale uitstraling hebben.

Kandidaten in de running

Naar aanleiding van de projectoproep hebben zich 23 kandidaat-parken gemeld. Na een eerste selectie blijven er zes kandidaten over om een nationaal park te worden: het bestaande Nationaal Park Hoge Kempen, Bosland, Brabantse Wouden, Kalmthoutse Heide, Scheldevallei en Taxandria. Er werden ook zeven kandidaat-landschapsparken geselecteerd: Boerenlandschap Pajottenland, Grenzeloos Bocagelandschap, Hart van Haspengouw, Kempen-Broek, RivierPark Maasvallei, Vlaamse Ardennen en Zwinstreek.

Lokale besturen komen aan het stuur te zitten van een parkenbureau.

De geselecteerde kandidaten krijgen nu begeleiding en 100.000 euro ondersteuning om een masterplan en een operationeel plan op te stellen. In het voorjaar van 2023 worden die plannen beoordeeld en midden 2023 volgt de erkenning. Het is de bedoeling om drie bijkomende nationale parken (naast het bestaand Nationaal Park Hoge Kempen) en drie landschapsparken officieel aan te duiden.

Gissen naar gevolgen

Hoewel het regeerakkoord voorziet in de oprichting van nationale en landschapsparken, heeft Boerenbond vanaf het begin gewaarschuwd voor de aanpak die hiervoor werd uitgerold. De bevoegde minister koos ervoor om de parken ‘op eigen houtje’ te realiseren door middel van ‘projectwerking’ in plaats van hiervoor eerst een wetgevend kader voor te bereiden en te laten goedkeuren door het Vlaams Parlement. Hierdoor werd de regie in handen gelegd van een aantal lokale actoren (waaronder vaak milieu- en natuurorganisaties) om een zogenaamde ‘lokale gebiedscoalitie’ te vormen. Die kon op eigen initiatief en zonder enig democratisch mandaat, inspraak of overleg gebiedsvisies ontwikkelen om de ambitieuze doelstellingen uit de projectoproepen op het terrein te realiseren. Vergeefs werd er aangedrongen op de opmaak van een wettelijk kader, waarbij eerst duidelijke afspraken zouden worden vastgelegd in overleg met de diverse Vlaamse administraties en met het middenveld. Geen overbodige luxe, vermits de ambitieuze doelstellingen uit de projectoproepen een grote impact riskeren te hebben op de aanwezige land- en tuinbouw. Ook heel wat lokale besturen waren bezorgd over de plannen, want zonder wettelijk kader bleef het ook voor hen gissen naar het verdere verloop en de precieze gevolgen op het terrein. Tot slot zette deze manier van werken veel kwaad bloed op het terrein en kelderde bij veel land- en tuinbouwers zo het draagvlak voor het ‘parkenbeleid’.

Eindelijk duidelijkheid

Op 21 oktober kwam er dan toch wat meer duidelijkheid in de zaak, want de Vlaamse regering keurde anderhalf jaar na datum het voorontwerp van het ‘parkendecreet’ principieel goed. Hierin werden een aantal zaken scherpgesteld die meer ruggengraat zullen geven aan het parkenbeleid. Hoewel dit decreet rijkelijk laat komt, is het wel een stap in de goede richting.

Zo krijgen alle betrokken actoren, dus ook de landbouworganisaties, een plekje aan de tafel van de zogenaamde parkenbureaus. Een kans om te streven naar een meer gedragen beleid als basis voor deze parken. Minstens even belangrijk is het feit dat de lokale besturen – dus gemeenten – een belangrijke rol krijgen in het parkenverhaal, waardoor het beleid ook democratischer wordt.

Hoezo parkenbureaus?

De principiële goedkeuring van het voorontwerp van decreet door de Vlaamse regering zorgt voor een nieuwe wending in het parkenverhaal, hoewel nog heel wat zaken zullen worden uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten. Uiterlijk op het ogenblik van de erkenning van een park, moet hiervoor een parkbureau worden opgericht.

Lokale besturen moeten 20% van de werkingskosten van het park op zich nemen.

Dit is een vzw die het management van het park op zich neemt en bij het vervullen van haar opdrachten rekening houdt met het lokaal beleid dat autonoom wordt gevoerd door de gemeenten op wiens grondgebied het park is gelegen. Het decreet stelt dat dit bureau voor minstens de helft uit gemeenteraadsleden moet bestaan en ook zetels moet bevatten voor actoren met belangen in de parkregio, zoals landbouw- en natuurorganisaties, erfgoed- en streekverenigingen, private eigenaars ... De lokale besturen komen dus aan het stuur te zitten van een parkenbureau en dus van het beheer van het park, samen met alle belanghebbenden.

Gemeenten spelen sleutelrol

Maar de invloed van de gemeenten reikt verder dan het beheer van het park alleen. De gemeenteraad moet ook het akkoord geven tot toetreding tot het parkenbureau. Als een gemeente niet wil instappen, moet het parkenbureau dat respecteren. Zo krijgt de betrokken gemeente de facto dus een vetorecht en kan ze in principe de oprichting van een nieuw nationaal of landschapspark in haar gemeente verzetten. Het parkenbureau moet immers rekening houden met de lokale autonomie.

Bovendien moeten de betrokken gemeenten om advies worden gevraagd over zowel de startnota, het masterplan als het operationeel plan. Lokale besturen krijgen in het parkenbeleid dus terecht een sleutelrol toebedeeld. Op deze manier verhoogt het democratisch karakter van het parkenbeleid. Van de lokale besturen wordt ten slotte ook verwacht dat ze 20% van de werkingskosten van het park op zich zullen nemen. Maar ze kunnen ook infrastructuur of personeel ter beschikking stellen.

Aangepaste criteria

Ook aan de inhoudelijke voorwaarden en criteria waaraan de Vlaamse parken moeten voldoen werd er gesleuteld, hoewel nog heel wat zaken zullen worden uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten. Zo blijft het oppervlaktecriterium van 10.000 ha behouden voor de landschapsparken, maar voor de nationale parken is hiervoor een afwijking mogelijk, mits het nationaal park voldoende onderscheidend is, bijzondere kenmerken vertoont of bijzondere kwaliteiten bezit. Ook zijn de diverse zones van een nationaal park, waaronder die voor natuurontwikkeling en die voor omgevend landschap, niet in het voorontwerp van decreet terug te vinden.

Voor de nationale parken blijft enkel de ‘natuurkernzone’ behouden. Vermits de ‘natuurkern’ van een nationaal park enkel in ruimtelijk kwetsbaar gebied, SBZ, militaire domeinen … kan liggen, zal een ruimtelijk uitvoeringsplan moeten worden opgemaakt indien men de natuurkern wil uitbreiden in het agrarisch gebied. De huidige kandidaten die momenteel nog zijn weerhouden krijgen een overgangstermijn om aan te tonen dat ze aan de nieuwe voorwaarden van het decreet voldoen en om alsnog een advies te vragen aan de betrokken lokale besturen.

Een stap in de goede richting

Het regeerakkoord voorziet in de oprichting van nationale en landschapsparken in Vlaanderen. Hoewel de start in dit dossier moeilijk verliep, is de goedkeuring van dit voorontwerp van decreet een stap in de goede richting om alle belanghebbenden in het parkenverhaal de inspraak te geven die ze verdienen. Terecht komen ook de lokale besturen aan zet. We roepen ze op om ervoor te zorgen dat er steeds naar breed gedragen voorstellen en oplossingen wordt gezocht, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige land- en tuinbouwactiviteiten. We vragen aan de lokale besturen om erover te waken dat er in een park geen bijkomende verplichtingen of beperkende maatregelen aan de land- en tuinbouw worden opgelegd bovenop de bestaande regelgeving en om dit ook te verankeren in de master- en operationele plannen. Boerenbond volgt dit dossier verder op, zowel beleidsmatig (decreet en uitvoeringsbesluit) als op het terrein via onze regioconsulenten.

Bron: Katrien Van Herck (Boerenbond).