Ryckaert

“Er valt momenteel meer te verdienen met consumptieteelt”

15 november 2023

Goed tien jaar geleden kwam ik voor het eerst langs bij de familie Ryckaert in Waterland-Oudeman, zo goed als op de grens met Nederland. Enkele voorlichters van de Ecuadoriaanse coöperatie ConPapa kwamen via Trias bij Dirk op stage om pootaardappelen te leren telen. Vier jaar geleden had ik een gesprek met Dirk en zijn zoon Bart over hoe telers best omgaan met pootgoed voor ze het planten. Ondertussen heeft Bart het bedrijf volledig overgenomen. Liesbeth, Barts echtgenote, geeft les aan een hogeschool. “Ze helpt mee in haar vrije tijd”, lacht Bart. Maar nu ze twee zoontjes hebben, is die tijd wel wat beperkter geworden.

Vruchtafwisseling

Bart blijkt graszaad nog bijna uitsluitend te telen om organische stof aan te brengen en voor een betere bodemstructuur. “Zo hebben we eveneens een wisselteelt meer. Wettelijk kan je één keer op vier pootgoed telen. In Nederland is dat één op drie, maar wij proberen naar één op zes te gaan. We zien graag een ruime vruchtafwisseling, en dat in alle gewassen.” Dat lukt alleen door land van collega’s te gebruiken. Dirk legt uit dat ze voor wintergerst na wintertarwe kiezen, wanneer ze genoodzaakt zijn om graan na graan te telen. Wanneer het echt eens tarwe na tarwe moet worden, kiezen ze consequent voor een ander ras.

Ryckaert
Engagement

Dirk was geëngageerd in de vakgroep Akkerbouw. Bart is hem daarin opgevolgd, hoewel hij het moeilijk vindt om er tijd voor vrij te maken. “Er is dag en nacht werk op het bedrijf, maar het doet deugd om samen te komen met mensen van over heel Vlaanderen. Ik had diezelfde ervaring ook bij Groene Kring. Het zet aan om de oogkleppen af te doen en breder te kijken. Ik steek er veel op.” Pootgoed kwam daar vroeger zelden ter sprake, maar nu wel. “Doordat de sector onder druk staat en wellicht omdat we met drie pootgoedtelers in de vakgroep zitten. We kunnen daardoor gemakkelijker iets inbrengen, zonder de indruk te wekken dat we alleen voor ons eigen bedrijf spreken. Het wordt nu meer gedragen als groep.”

Bedrijfsfiche

  • Bart Ryckaert en Liesbeth Stevens, Alois (2,5) en Alfons (1)
  • Dirk Ryckaert en Agnes de Milliano
  • Akkerbouw: hoofdteelten: aardappelpootgoed en wintertarwe, verder graszaad en een kleiner areaal vlas en uien
  • Waterland-Oudeman (Oost-Vlaanderen)
Ryckaert
Pootgoedteelt onder druk

Pootgoedtelers worden geconfronteerd met moeilijke teeltomstandigheden. De laatste jaren was het niet gemakkelijk om voldoende tal te halen, voldoende knollen per plant. Ook de gewasbescherming lijdt eronder. “De krachtigere middelen verloren hun erkenning. In droge zomers werken de bladluismiddelen ook minder goed. Daardoor wordt het moeilijker om het pootgoed in een betere klasse te houden.” Dirk vult aan dat door de warmte de luizendruk ook groter is (virusoverdracht). “Je hebt minder luizen onder zeeniveau, maar als het ook daar al niet lukt …” Bart hoorde van de Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen (NAK) dat momenteel in Nederland een omvangrijk deel van het pootgoed gedeklasseerd werd in de nacontrole. “Wat van SE naar A gaat, komt wel op de markt, want dat is perfect bruikbaar voor consumptieteelt, maar dan tegen een lagere prijs. “Voor ons, pootgoedtelers, daalt het rendement. Bovendien stijgt de kostprijs en gaat de vergoeding niet mee omhoog, integendeel.” Over hoevepootgoed spreken Bart en Dirk met enige schroom, want ze weten ook dat consumptietelers dat niet graag lezen. Ze willen niet alle telers van hoevepootgoed over één kam scheren. Ze zien dat sommigen het ernstig aanpakken, maar anderen werken niet professioneel, waardoor ze de verspreiding van virus door bladluizen bevorderen. “En dan moet je weten dat het hen, als ze het goed willen doen, minstens zoveel kost als ons.” De magere controle hierop is een doorn in het oog, er is geen veldcontrole op, wat in Nederland wel gebeurt. En pootgoedtelers hebben ook nog een verplichte nacontrole, zij niet. Bij ons worden stalen gecontroleerd op virusaantasting, met het gevaar dat die partijen geweigerd worden. En de kosten voor partijcontrole zijn bij ons het afgelopen jaar bijna verdubbeld.” Bart wijst erop dat het niet voor niets is, dat het pootgoedareaal zo sterk terugvalt. “Dat komt mede door de goeie consumptieprijzen. Er is meer mee te verdienen, en met veel minder werk. Bij ons is de daling kleiner. Diegenen die hier met pootgoed bezig zijn, dat zijn allemaal gedreven mensen. Die stoppen niet zomaar, omdat het wat tegenslaat.”

Dirk teelde vroeger alleen Bintje. Dat ras zit nog in het gamma, maar het vrije areaal werd aangevuld met onder meer Spunta, Desirée en Agria. “Daarnaast telen we voor vijf handelshuizen. Dat is door toevalligheden gekomen, maar de spreiding en extra contacten spreken ons aan. Dat zijn doorgaans licentierassen en het saldo daarvan is vaak veel kleiner.” Daarnaast is ieder handelshuis op zoek naar dé vervanger voor Fontane. “Ze laten je als stammenteler dan iets nieuws opbouwen uit miniknollen. Wanneer we dan vier jaar verder zijn en volop kunnen gaan vermeerderen, zeggen ze dat ze dat ras toch niet meer moeten hebben. Wij hebben er dan wel energie en kapitaal ingestoken.” Bart en Dirk telen veel voor export. Je kan moeilijk je brood verdienen door uitsluitend rassen voor de frietindustrie te telen. Bovendien start de export al in het najaar en moet je dus minder gekoeld bewaren. Nadeel is dan weer dat België minder op de kaart staat dan Nederland op het gebied van pootgoed en de export daar vlotter verloopt. “Enerzijds heb je het imago van Nederland, anderzijds is ons areaal veel kleiner en bovendien heb je hier niet de concurrentiestrijd tussen de pootgoedhuizen, zoals die zich in Nederland voordoet. De Belgische pootgoedteler wordt in feite gedwongen om alleen frietrassen te vermeerderen. Hij krijgt geen andere kansen en zit in slechts één markt. Wanneer ik Spunta’s verkoop aan Egypte, dan zit ik in een heel andere markt dan bijvoorbeeld Fontane of Bintje.” Het zorgt ook voor risicospreiding. Gelukkig bevindt een deel van het bedrijfsareaal zich in Zeeuws-Vlaanderen en heeft Bart er een tweede locatie, van waaruit hij vlot kan exporteren.

Belgische pootgoedtelers worden gedwongen enkel frietrassen te vermeerderen.