doornappel kiemlobstadium

Uitdagingen in onkruidbestrijding van mais

Onkruidbestrijding in mais staat voor tal van uitdagingen. Hoe beheers je probleemonkruiden zoals gierstgrassen, knolcyperus en doornappel? De werkgroep onkruidbeheersing mais van het LCV verzamelde haar bevindingen hierover.

Door monocultuur stellen we, vooral op lichte bodems, een toenemende onkruiddruk vast. Dat komt onder meer door een stijgende aanwezigheid van gierstgrassen (uitbreiding naar Oost- en West-Vlaanderen), knolcyperus en doornappel. De introductie van nieuwe gierstgrassen verergert deze problematiek alleen maar. Verder worden ook steeds meer beperkingen opgelegd bij het gebruik van toegelaten herbiciden, zoals voor terbuthylazin en S-metolachloor (Dual Gold, ...), dat je komend seizoen voor de laatste maal kan toepassen. Schenk dus nog meer aandacht aan goede landbouwpraktijken, de juiste productkeuze, het behandelstadium en  neem tal van voorzorgen in acht tijdens de chemische bestrijding om aanwezigheid van residuen in het oppervlaktewater te voorkomen.

Puntvervuiling en bufferzones

Het respecteren van 1 m teeltvrije strook, een 1 m (andere oppervlaktewaterlichamen – paars) tot 3 m (VHA-waterlopen, blauw) pesticidevrije strook en 5/10 m bemestingsvrije strook ten opzichte van waterlopen en oppervlaktelichamen maakt intussen onlosmakelijk deel uit van de regels op het vlak van conditionaliteit in het GLB (GLMC 4). 
Vermijd puntvervuiling door zeer zorgvuldig te handelen vóór, bij en na het spuiten. Sinds 2023 moet je driftreducerende doppen van 75% gebruiken. Vanaf 2026 moet je 90% driftreductie realiseren. Koop je nieuwe doppen, kies dan meteen voor 90% driftreducerende doppen. Opgelet: voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen moet je nu al 90% driftreductie realiseren (zie Fytoweb).
Via Geoloket Landbouw vind je de diverse waterlagen en impact op je bedrijf. Als we willen vermijden dat, zoals bij terbuthylazin, nog technisch sterke bodemherbiciden aan zware beperkingen worden onderworpen, moeten we met z’n allen inspanningen doen!

Basisaanpak geïntegreerde onkruidbeheersing

De basisregels om een geïntegreerde onkruidbestrijding in mais toe te passen, worden uitvoerig besproken in de publicatie Geïntegreerde onkruidbestrijding in mais wordt een noodzaak uit 2014 (zie www.lcvvzw.be, klik door op ‘Publicaties’ en zoek op ‘onkruidbestrijding mais’). Deze basisregels zijn nog steeds relevant. Onkruidbeheersing op basis van doelgerichte handelingen (IPM of Integrated Pest Management) blijft een must. Elke landbouwer die percelen aangeeft in de verzamelaanvraag en daarop professionele gewasbeschermingsmiddelen gebruikt – via een loonwerker of andere landbouwer – moet verplicht aangemeld zijn voor IPM-controle bij een Onafhankelijke Controle Instantie (OCI). IPM zit vervat in Vegaplan. Landbouwers die bijvoorbeeld suikerbieten of aardappelen hebben, zijn normaal al Vegaplan gecertificeerd en dus ook in orde voor IPM. Maar IPM zit niet in Codiplan of IKM; deze landbouwers moeten zich dus afzonderlijk aanmelden bij een OCI.
 

gierstgrassen
Beheersing gierstgrassen en mechanische aanpak

Vanuit IPM-oogpunt is preventie bij het beheersen van gierstgrassen zeker een belangrijk uitgangspunt. Uit proeven op de Hooibeekhoeve bleek dat het doorbreken van mais in monocultuur al direct kan leiden tot een veel lagere onkruiddruk. Mechanische onkruidbeheersing zal in droge jaren zeker een positieve bijdrage leveren. Maar vooral combinaties van chemische en mechanische onkruidbeheersing lijken de meest bedrijfszekere aanpak. Zo gaf een object met wiedeggen voor opkomst gevolgd door een bandbespuiting en schoffelen na opkomst (3 passages) in het droge voorjaar van 2023 het beste resultaat in een proef in vergelijking met de puur chemische schema’s. In de praktijk kiezen veel telers nog voor een volledig chemische aanpak. In dat geval geldt één zeer belangrijk basisprincipe: behandel vroeg. De meest zekere strategie bestaat hier uit een tweeledige aanpak. Daarbij start je met een toepassing in vooropkomst of een vroege naopkomst in het in het 1-2-bladstadium, aangevuld met een correctiebehandeling  in het 3-4-bladstadium. De vooropkomst toepassing gebeurt best meteen na het zaaien, vermits het zaaibed er dan nog vochtig bij ligt. Toepassingen zoals Frontier Elite 1 tot 1,4 l of de combinatie van Frontier Elite 0,8 l + Adengo 0,25 l/ha (met nog een sterkere werking tegen vingergrassen) lijken hierbij een goed vertrekpunt. Deze combinatie kan je ook nog inzetten uiterlijk tot het 1-2-bladstadium. In vooropkomst kan je Frontier Elite ook nog combineren met 2,5 l Stomp Aqua bij een grote druk van melganzenvoet. Naopkomst kan je dan best vroeg afwerken met combinaties op basis van tembotrione (zoals Laudis OD of WG afhankelijk van andere componenten in het mengsel) + nicosulfuron (zoals Samson 60 OD) of thiëncarbazone (zoals Monsoon Active TCMax) + een versterker (Kart, Peak, Callam …) in functie van de overige flora. Deze correctie pas je dan best eerder vroeg toe in functie van de ontwikkeling van de gierstgrassen. Na het 2-bladstadium van de mais wordt de beheersing zo goed als onmogelijk. Als de vooropkomstbehandeling niet werd uitgevoerd, moet je zo vroeg mogelijk na opkomst van de mais behandelen (uiterlijk in het 3-bladstadium) met gelijkaardige combinaties, maar dan aangevuld met een bodemherbicide zoals Frontier Elite (1 l/ha. Als dit onvoldoende is, pas dan een onderbladbespuiting in het 7/8-bladstadium toe als je te veel overblijvende gierstgrassen wil vermijden.
 

knolcyperus
Knolcyperus doelgericht aanpakken

Knolcyperus blijft maar uitbreiden via grondverzet, niet-gecertificeerde compost, het niet reinigen van oogst -en grondbewerkingsmachines en contractteelt van wortel, bol -en knolgewassen. Het onkruid kan zich vermeerderen via knollen en zaden. Naar schatting is al meer dan 35.000 ha besmet in België. Eenmaal op een perceel kan 1 moederknol bij een ongestoorde groei in 1 seizoen een haard van 60-80 cm diameter vormen, na 3-4 jaar circa 10 m². Via grondbewerking gaat alles nog een stuk sneller. Uit een verslepingsproef door PVL bleek een versleping met een rotoreg tot 40 m voor te komen. Controleer regelmatig je eigen percelen op aanwezigheid van het onkruid. De onkruidwijzer van het LCV en talrijke andere bronnen kunnen je hierbij helpen. Knolcyperus wordt wel eens verward met zeebies. Tijdige detectie kan verder onheil voorkomen.
Knolcyperus beheersen maakt al langer deel uit van de IPM-checklist, maar is sinds vorig jaar ook opgenomen in de regelgeving rond de conditionaliteit in het GLB. Het is verboden om wortel-, knol- en bolgewas te telen op percelen die besmet zijn met knolcyperus (met meer dan 10 m² aantasting). Staan er meer dan 10 knolcyperusplanten/m² of is er een bedekkingsgraad van meer dan 50%, dan wordt deze m² in rekening gebracht. Sinds kort is het toegelaten om mais in monocultuur op met knolcyperus besmette percelen te telen op zandgrond, tot wanneer het perceel vrij is van knolcyperus. Je moet deze percelen dan wel aanmelden bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en aanduiden in de verzamelaanvraag. In de maisteelt zijn er in vergelijking met andere teelten immers meer mogelijkheden naar chemische selectieve bestrijding toe. Besmette haarden inventariseren, machines reinigen en besmette percelen als laatste bewerken is de boodschap.
Op percelen met een geïsoleerde beperkte aanwezigheid van knolcyperus kan je overwegen om de haard voldoende diep uit te graven en fytosanitair verantwoord af te voeren. Afhankelijk van de precieze locatie van de haard in het perceel is een herhaaldelijke mechanische en/of chemische zwarte braakbehandeling ook een mogelijkheid.
Op percelen met een zware aanwezigheid van knolcyperus is een meervoudige aanpak belangrijk, waarbij ook mechanische onkruidbeheersing zijn plaats kan hebben. Dit kan enkel bij een vrij verspreide besmettingshaard, vermits de factor versleping aanwezig is. Het werken met een correct ingewerkte (10 cm diep) voorzaaitoepassing met S-metolachloor (Dual Gold 1,5 l/ha) kan als een belangrijk noodzakelijk vertrekpunt worden beschouwd, gezien de werking op de knollen. Let wel, S-metolachloor mag je na 23 juli 2024 niet meer gebruiken. Het zaaibed goed aandrukken na inwerken is belangrijk met het oog op een goede werking. Een behandeling met dimethenamid-p (zoals Frontier Elite 1,4 l/ha) in vooropkomst is ook een goed vertrekpunt als je dit zo snel mogelijk na de zaai toepast. Als je deze basis combineert met een toepassing in het 2-3- of 3-4-bladstadium en afwerkt met een onderbladbehandeling in het 8-10-bladstadium (telkens op basis van een combinatie van mesotrione en pyridaat) haal je goede resultaten. Opgelet: voor komend seizoen zijn er wel beperkingen op de dosering van mesotrionebevattende producten. Die komen erop neer dat voor producten die bijvoorbeeld 100 g mesotrione/l bevatten er met het oog op een beheersing van knolcyperus de erkende toepassing van 1 l/ha mag worden opgesplitst in twee fracties van 0,5 l/ha en dit dan telkens gecombineerd met bijvoorbeeld 450 g pyridaat (zoals Onyx 0,75 l/ha).
Bij afwezigheid van een voorzaai- of vooropkomsttoepassing is een vroege toepassing in het 2-3-bladstadium met een bodemherbicide zoals pethoxamide (zoals Successor 1,5 l/ha) in combinatie met mesotrione en pyridaat een meerwaarde, ook naar de beheersing van andere onkruiden. Best volgt er dan wel nog een onderbladbespuiting.
Ook combinaties met mechanische onkruidbeheersing kunnen in droge jaren een meerwaarde zijn. In 2022 (droge omstandigheden) gaf één object volledig in naopkomst met een combinatie van twee behandelingen van schoffelen en rijenbespuiting afgewerkt met een onderbladbehandeling een vrij goed resultaat. De schoffelmachine moet je hierbij zo afgestellen dat de messen slechts enkele cm onder het grondoppervlak lopen om te vermijden dat er knolcyperusplanten ophopen, waardoor knolletjes kunnen worden getransporteerd. De planten mogen dus ook niet te groot zijn om een goed resultaat te krijgen.
 

doornappel volwassen stadium
Doornappel op IPM-checklist

Doornappel behoort tot de nachtschadefamilie. Zowel zaden als de rest van de plant zijn in hoge mate giftig voor mens en dier. Er is ook Europese regelgeving van kracht via de gehaltes aan atropine en scopolamine die kunnen terechtkomen in de voedselketen. Doornappel kan laat kiemen en ontsnapt zo wel eens aan de aandacht. De plant kan vrij groot worden en de doosvruchten kunnen honderden zaden bevatten. Ze mogen totaal niet voorkomen in de aardappelteelt en in alle gewassen bestemd voor menselijke consumptie. Sommige teelten kunnen zelfs niet worden geoogst bij aanwezigheid van dit onkruid. Ook in de maiskuil behoudt het zijn toxiciteit: 1 plant per 25 m² mais kan na inkuilen en vervoederen al een dodelijke intoxicatie met zich meebrengen bij runderen (bron: Arvalis).
Een zaaddoos kan 500 zaden bevatten en één plant tot 5000 zaden. Afhankelijk van de bron kan het zaad 10 tot 80 jaar overleven in de bodem. Sinds 2022 is het beheersen van datura (doornappel) opgenomen in de IPM-checklist als minorverplichting, om tegen 2026 een majorverplichting te worden. Een overschrijding van 10 planten met zaden/ha wordt al aanzien als een non-conformiteit. Het onkruid kan op het perceel terechtkomen via grondverzet, oppervlaktewater, onvoldoende gereinigde machines, reinigen van beken … Vaak start een contaminatie aan de ingang van een perceel via een onvoldoende gereinigde oogstmachine.
Vermijd dat het onkruid  in zaad terechtkomt. Het integreren van triketones in het schema is een belangrijk beginpunt,maar ook middelen zoals Callam, Peak, Casper, Monsoon Active TCMax, Auxo en Kart in het schema vormen een meerwaarde. Franse bronnen raden aan om een onderbladbespuiting uit te voeren in het 8-9-bladstadium om ontsnapte planten nog te kunnen beheersen.
De rol van bodemherbiciden (Frontier Elite, Adengo …) op het vlak van nawerking is sowieso niet te onderschatten, waarbij de meerwaarde van onder meer terbuthylazin bewezen is, maar  er zijn beperkingen op het gebruik ervan (slechts 1 x op een termijn van 3 jaar en de verplichte begroeide bufferstrook van 20 m t.o.v. waterlichamen). Het verstoren van een herbicidenfilm via mechanische onkruidbeheersing is voor doornappel dan weer niet aan te raden.
Onkruiden die aan de onkruidbestrijding ontsnapt zijn en zich alsnog kunnen ontwikkelen, spoor je op je velden best in juni op.  Planten die nog geen bolsters/zaaddozen hebben, kan je pleksgewijs behandelen met clopyralid (zoals in Matrigon). Maar de ‘ontsnapte planten’ met zaaddozen uittrekken (mét handschoenen) en van het veld verwijderen en vernietigen is de beste aangewezen strategie. De plant zal immers verder afrijpen en de resterende energie naar de zaadvorming en -afrijping pompen. De plant laten opdrogen op het veld is dus geen oplossing. Enkel de zaden begraven op 1 m diepte of verbranden in een verbrandingsoven op meer dan 1000°C na afvoer via restafval kan ze vernietigen. Biovergisting, compostering  en inundatie leveren geen oplossing of bieden onvoldoende garanties.
 

Beperkingen bij gebruik terbuthylazin

Sinds 2015 geldt dat schema’s met terbuthylazin (Aspect T, Akris, Calaris, Gardo Gold …) op percelen grenzend aan oppervlaktewater enkel kunnen mits je een begroeide bufferzone van 20 m respecteert. Onlangs werden nog bijkomende beperkingen opgelegd. Ter bescherming van het grondwater mag je maximaal 1 toepassing met terbuthylazin voorzien in een looptijd van 36 maand, voor een dosering van maximaal 750 g actieve stof/ha. Je moet ook een wachttijd respecteren tussen de laatste toepassing en het zaaien of planten van volggewassen van minstens 12 maanden, behalve voor mais, sorghum, miscanthus en lupine (waarvoor geen wachttijd vereist is) en wortel- en knolgewassen, wortelpeterselie, wortelkervel, bieten, aardappelen, zoete aardappel, cichorei, grasland-weiland, raaigrassen en andere granen dan sorghum en mais (waarvoor een wachttijd van 120 dagen vereist is).  Raadpleeg zeker Fytoweb in verband met de erkenning van bepaalde producten. Zo zijn de producten die ook S-metolachloor bevatten (zoals Gardo Gold en Gardo Prim) niet meer toegelaten vanaf 24 juli 2024.
 

“Vermijd dat doornappel in zaad terechtkomt."

Aan dit artikel werkten volgende personen van de werkgroep onkruidbeheersing mais van het LCV mee: Joos Latré, Valérie Claeys, Eva Wambacq en Geert Haesaert (Proefhoeve Bottelare HoGent-UGent); Gert Van de Ven (Hooibeekhoeve-LCV); Marijke Gijbels en Shana Clercx (PVL); Patrick Vermeulen (Bertinus Collectief Poperinge) en Marleen Delanoy (Vlaamse overheid, Agentschap Landbouw en Visserij).

Bron: LCV