Menu

Op de eerste rij, 30 maart 2017

Terug naar Opinie

Elke week bespreekt voorzitter Sonja De Becker de landbouwactualiteit in ons ledenblad Boer&Tuinder.

De beelden van Tielt

De beelden uit het slachthuis in Tielt van vorige week zinderen nog na, zowel binnen als buiten de sector … Wat we te zien kregen, gaat over flagrante schendingen van de wetgeving op het dierenwelzijn en van een aantal belangrijke sanitaire en voedselveiligheidsregels.

Onmiddellijk gaan stemmen op om de wetgeving strenger te maken, om camera’s te verplichten, om de hele slachthuissector te onderwerpen aan een doorlichting enzovoort. In één adem wordt de hele vleesketen in vraag gesteld. De verontwaardiging is zeer terecht groot. Dit kan niet door de beugel. Er zijn hier ook geen excuses voor te vinden. Wat vastgesteld werd, is een schande en had niet mogen gebeuren. De imagoschade is enorm. Niet enkel voor het betrokken bedrijf of voor de slachthuissector in zijn geheel, maar ook voor de varkenshouders. Het is nodig dat de slachthuissector zich grondig bezint. Maar moet daarvoor de wetgeving strenger worden? Het is niet omdat één slachthuis de wet overtreedt, dat men alle slachthuizen strengere regels moet opleggen. De regels waaraan slachthuizen moeten voldoen zijn duidelijk. Het komt erop aan dat de regels correct worden toegepast en gerespecteerd. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de bedrijfsleiding. Het is ook aan het bedrijf zelf om te beslissen welke maatregelen bedrijfsintern nodig zijn om ervoor te zorgen dat conform de regels gewerkt wordt, hierop te controleren en zo nodig verder bij te sturen. Een externe borging van het autocontrolemechanisme, niet enkel op het vlak van voedselveiligheid en kwaliteit, kan de aandacht hiervoor enkel versterken. Het is vervolgens aan de bevoegde instanties, zijnde het FAVV en de inspectie dierenwelzijn, om nauwgezet toe te zien op de kwaliteit van de externe borging en de naleving van de wetgeving en kordaat en streng op te treden bij wantoestanden. Als zou blijken dat een versnippering van controlebevoegdheden in de slachtlijn een handhaving van de wet bemoeilijkt, moet daarop ingegrepen worden met sluitende samenwerkingsovereenkomsten.

Wat in Tielt vastgesteld werd, is een schande en had niet mogen gebeuren. De imagoschade is enorm.

Sonja De Becker, voorzitter Boerenbond

Ten slotte, en daarmee minimaliseer ik niet wat gebeurd is, toch dit. Het viel mij de voorbije dagen op dat journalisten keer op keer dezelfde vraag stelden: wordt het varkensvlees in het winkelschap nu duurder doordat dit slachthuis tijdelijk moet sluiten? Is de mogelijke impact op de prijs van de kotelet dan toch even belangrijk als het getoonde dierenleed?

Eindelijk paal en perk aan eindeloos geprocedeer tegen vergunningen?

Land- en tuinbouwers die een project in landschappelijk waardevol agrarisch gebied willen realiseren kennen het fenomeen maar al te goed. Bijna systematisch worden vergunningen aangevochten voor de Raad van Vergunningsbetwistingen. En bijna even systematisch sneuvelen ze daar ook. De moeite die de aanvragers bij dergelijke dossiers doen om hun gebouwen zo goed mogelijk in te passen in het landschap worden vandaag door de Raad beschouwd als hét bewijs dat de inplanting het landschap aantast … en het project dus niet vergund kan worden. De wereld op zijn kop, als je het mij vraagt. Hieraan paste de Vlaamse regering via de definitieve goedkeuring van een ontwerpdecreet vorige vrijdag – zeer terecht en eindelijk – een mouw. Door een verduidelijking en een betere omschrijving van wat kan en niet kan in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, wordt getracht om de beoordelingsvrijheid van de rechtbank in te perken. Dit ontwerpdecreet moet nu nog door het Vlaams parlement worden goedgekeurd. Het is dus nog even wachten op een definitieve regeling, maar hopelijk krijgen daarna land- en tuinbouwers in landschappelijk waardevol agrarisch gebied eindelijk de rechtszekerheid waar ze recht op hebben.

Tegelijk heeft de regering vrijdag ook beslist om de beroepsmogelijkheden tegen een omgevingsvergunning te beperken. Daarmee wil ze het eindeloos geprocedeer vermijden. In het nieuwe decreet wordt gesteld dat wie niets van zich heeft laten horen tijdens het openbaar onderzoek nadien ook geen beroep meer kan indienen. Op het eerste gezicht lijkt ook dit een positieve stap. Ik vind echter dat de regering hier een kans heeft laten liggen. Zoals het nu beslist is, volstaat het dat iemand gewoon pro forma tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar of een opmerking indient om zijn of haar recht op een verdere procedure gaaf te houden. Indien men echt paal en perk wil stellen aan het eindeloos procederen is het minimum toch wel dat wie bezwaar indient, dat ook moet motiveren en voldoende concreet moet maken. Nu riskeert men immers dat derden een ‘passe-partoutbezwaar’ zullen indienen bij elk openbaar onderzoek … En dan zijn we in de praktijk geen centimeter vooruit. Ik reken er dan ook op dat dit bij de parlementaire behandeling van deze tekst nog wordt bijgestuurd – zo niet worden we blij gemaakt met een dode mus.