Menu

Op de eerste rij, 18 mei 2018

Terug naar Opinie

Elke week bespreekt voorzitter Sonja De Becker de landbouwactualiteit in ons ledenblad Boer&Tuinder.

Welke toekomst voor de Europese suikerbiet?

Deze week houdt CIBE (de Europese confederatie van suikerbietplanters) haar driejaarlijks congres, ditmaal in Gent. 250 afgevaardigden uit 18 landen zullen zich buigen over de toekomst van de suikerbietsector, de positie van de planters in de keten, risicobeheersing, de gevolgen van langere bietencampagnes, de ontwikkelingen op de suikermarkten en de uitdagingen rond het gebruik van fytoproducten.

Stuk voor stuk belangrijke thema’s, zeker voor deze sector die volledig in transitie is na het verlaten van de Europese marktregulering en de afbouw van het interprofessioneel model.

De tijd dat de suikerbietteelt de sterkhouder en het paradepaard was op onze goede akkerbouwgronden, met redelijk gegarandeerde prijzen, ligt spijtig genoeg achter ons. En dat ondanks het feit dat door genetisch onderzoek en de inbouw van ziekteresistenties het opbrengstpotentieel de laatste decennia sterk is toegenomen, en dit zonder navenante verhoging van de bemestingsbehoeften. In onze teeltrotatie en als leverancier van perspulp voor onze rundveehouderij had en heeft de suikerbietteelt zeker haar plaats.

Vandaag moeten we echter vaststellen dat de prijs voor de bieten dermate gedaald is dat van enige inkomensmarge voor onze telers nauwelijks nog sprake is.

De meeste afnemers hebben ervoor gezorgd dat door een (zachtjes?) afgedwongen areaaluitbreiding hun aanvoer meer dan voldoende verzekerd is, waardoor zij in een meer dan comfortabele zetel zitten. In een suikermarkt die al onder druk staat, beschermen ze zo hun marges door de kosten te drukken via een langere bietencampagne. De bijkomende druk op de markt en prijs moet de boer maar slikken.

De vertegenwoordigers van de Belgische suikerbiettelers binnen het CBB hebben lang en hard onderhandeld, maar hun onderhandelingstroeven zijn beperkt. Het is ontluisterend te zien hoe een lange en voor beide partijen positieve traditie van interprofessioneel overleg zo snel teniet is gegaan. Vorig jaar moest er binnen de Tiense zelfs een bemiddelaar aan te pas komen. Nochtans is het interprofessioneel overleg in de suiker de Europese inspiratiebron om in alle sectoren het interprofessioneel overleg op een evenwichtige manier vorm te geven via sterke producentenorganisaties en brancheorganisaties. En dat vanuit het besef dat de race naar de bodem uiteindelijk alle schakels kapotmaakt, te beginnen bij de kleine spelers. In de suikersector slaat de slinger nu wel heel sterk door. Moeten we werkelijk wachten tot ook de marges van de fabrikanten onder druk komen te staan om weer als redelijke partners rond de tafel te gaan zitten en samen na te denken over de toekomst van de keten? Enkel een duurzaam verdienmodel voor àlle schakels in de keten biedt een toekomst voor de Europese suikerbiet. Het CIBE-congres stelt alvast de pertinente vraag rond de positie van de bietenplanter in de keten en zijn medezeggenschap in het afstemmen van vraag en aanbod binnen een evenwichtige verdeling van kosten en baten. Kunnen de fabrikanten een afdoend antwoord bieden en ook in hun eigen belang terug aansluiten bij het interprofessioneel overleg? Enkele spelers tonen alvast dat het nog steeds kan. Of teren de meesten nog liever op hun marges in een heilloze onderlinge concurrentiestrijd, liever dan de boer een leefbaar inkomen te gunnen? Uiteindelijk is dat de hamvraag die voorligt op het congres van deze week.

Enkel een duurzaam verdienmodel voor àlle schakels in de keten biedt een toekomst voor de Europese suikerbiet.

Sonja De Becker, voorzitter Boerenbond

Centraal meldpunt everzwijnen operationeel

Schade door everzwijnen kan voortaan gemeld worden bij het e-loket van het Agentschap voor Natuur en Bos. Het centraal meldpunt is vanaf nu operationeel en heeft de bedoeling om een zicht te krijgen op waar en hoeveel schade aangericht wordt door everzwijnen om zo het beleid rond wildschade bij te sturen. Van bij de aankondiging van de oprichting van dit meldpunt hebben wij ons vragen gesteld bij de meerwaarde ervan. Onze eigen ervaring leert dat landbouwers niet geneigd zijn schade te rapporteren, aangezien er toch niets mee gebeurt op het terrein. Een melding bij het meldpunt opent ook geen recht op schadevergoeding. Bij een aantal gemeentelijke meldpunten die werden opgericht in uitvoering van consensusafspraken binnen faunabeheerzones lopen de meldingen wel binnen. Dat is zo omdat een melding op het lokale niveau sneller via de betrokken wildbeheerseenheid leidt tot concrete acties op het terrein.

Wat ons betreft, zou men de middelen en energie die men nu in het centraal meldpunt steekt beter anders gebruiken. Wij vragen bijvoorbeeld al een hele tijd naar de aanstelling van een ‘everzwijncoördinator’ die de gemaakte afspraken opvolgt en faciliteert en nagaat wat werkt en ook wat niet. Op basis van zulke ervaringen en terreinkennis kan beleid worden bijgestuurd. Ook het onderzoeksproject waarbij schade op een heel objectieve wijze in beeld wordt gebracht via drones verdient verderzetting. En ten slotte moet ook de hele procedure van aangifte, berekening en vergoeding van de aangerichte schade veel vlotter en veel beter kunnen verlopen. In plaats van een centraal meldpunt zou beter daaraan worden gewerkt. Dit neemt niet weg dat wij toch oproepen om schadegevallen toch maar te melden aan het centraal meldpunt – al was het maar om te vermijden dat het beleid op een bepaald moment zou menen te moeten vaststellen dat er helemaal geen everzwijnproblematiek in Vlaanderen is omdat het aantal meldingen bij het meldpunt nihil of beperkt is …