Menu

Terug naar Opinie >Op de eerste rij, 16 maart 2017

Op de eerste rij, 16 maart 2017Terug naar Opinie >

Alle sectoren
Alle regio's

Elke week bespreekt voorzitter Sonja De Becker de landbouwactualiteit in ons ledenblad Boer&Tuinder.

Vereenvoudiging volgens de Europese definitie

Vorig jaar kondigde Europa met grote trom vereenvoudigingsvoorstellen aan voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We zijn absoluut voor vereenvoudiging en voor elk voorstel dat Europese maatregelen beter toepasbaar maakt of de administratieve last vermindert. Maar de ervaring leert dat vereenvoudigingsvoorstellen te vaak gaan over technische details. Daarom waarschuwden we ook al eerder voor te optimistische verwachtingen. Niet zonder reden, zo blijkt nog maar eens. Het pakket vereenvoudigingsvoorstellen dat momenteel voorligt schaaft de vergroeningsvoorwaarden bij. Enkele wijzigingen zijn positief. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het flexibeler afstemmen van de uiterste inzaaidatum van groenbedekkers met de praktijk. De huidige aanpak waarbij 1 oktober in heel Europa geldt als uiterste inzaaidatum, zonder rekening te houden met de klimatologische verschillen, was immers ver verwijderd van de boerenpraktijk. Maar er zit ook een stevige adder onder het gras in dit pakket. Zo voorziet de Europese commissie ook in een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het ecologisch aandachtsgebied (EAG). Zo’n totaalverbod houdt op geen enkele manier rekening met de goede landbouwpraktijk en is trouwens contraproductief voor het behalen van de milieudoelstelling op langere termijn. Vooral de teelt van eiwithoudende gewassen in EAG wordt hierdoor in de kiem gesmoord.

De lidstaten en het Europees Parlement staan nu echter voor de dwingende keuze: ze kunnen alleen de voorgestelde wijzigingen in totaliteit aanvaarden of niet aanvaarden. Lidstaten kunnen dus niet een aantal vereenvoudigingen doorvoeren en andere buiten beschouwing laten. Concreet betekent dat dus dat, indien we een oplossing willen voor de uiterste inzaaidatum, we ook akkoord moeten gaan met een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op EAG-gronden! Dat is op zijn minst een zeer eigenaardige definitie van vereenvoudiging! Het toont in elk geval aan dat er op Europees vlak nog steeds te weinig oog is voor de specifieke problemen en de realiteit op het veld bij de toepassing van Europese regels in de verschillende lidstaten. Als de vereenvoudigingsoefening ook wordt gebruikt als sluipende besluitvorming, voedt dit enkel maar de teleurstelling en de Europamoeheid.

Distelbestrijding in natuurgebied achterhaald?

De verplichte bestrijding van distels, opgenomen in federale wetgeving, is al jaren voer voor discussie met de natuurbeweging. De Raad van State heeft, in een procedure ingespannen door Natuurpunt, geoordeeld dat de bestaande federale wet geen rechtsgrond heeft. De verplichte bestrijding van distels die is opgenomen in de Vlaamse randvoorwaarden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, blijft gelden. 

Natuurpunt stelt nu dat deze uitspraak – waardoor in natuurgebieden geen algemene verdelgingsplicht meer geldt – geen probleem vormt voor de landbouw. Men wijst er daarbij op dat men zich al jaren engageert om in overleg met naburige landbouwers en omwonenden het probleem efficiënt en met respect voor de natuur aan te pakken, waardoor de overlast voor de landbouw beperkt wordt. Dat goed nabuurschap blijkt op het terrein echter vaak een lege doos. Ieder voorjaar krijgen wij immers meldingen van overwaaiende distelzaden waar niets aan gedaan wordt. Enkele weken geleden publiceerde het wetenschappelijk comité van het FAVV trouwens nog een advies waarin het zeer duidelijk de noodzaak van een algemene distelbestrijding onderschrijft. Daarin staat dat distelzaden zich veel verder kunnen verspreiden dan 50 meter. Ook de verminderde beschikbaarheid van herbiciden maakt dat distels bestrijden noodzakelijk blijft, binnen en buiten het landbouwgebied. Er is volgens ons dus wel degelijk nood aan een regeling die ook op het terrein wordt nageleefd, en niet enkel op landbouwgrond. Het kan immers niet dat landbouwers gekort worden op hun premies wegens distels die er staan door de verspreiding vanaf aanpalende percelen. Het arrest van de Raad van State gaat trouwens enkel over de rechtsgrond van de verplichte distelbestrijding en doet geen uitspraak over de noodzaak daarvan. Wij zullen dus de bevoegde minister vragen snel werk te maken van een werkbare regeling die ook juridisch standhoudt.

Wat de distelbestrijding betreft, is er volgens ons nood aan een regeling die ook op het terrein wordt nageleefd, en niet enkel op landbouwgrond.

Sonja De Becker, voorzitter Boerenbond

Schauvliege kondigt versterking mestbeleid aan

Maandag verscheen het Mestrapport 2016. Daaruit blijkt dat de land- en tuinbouwsector en andere betrokken actoren stevige inspanningen hebben geleverd, maar dat de verbetering van de waterkwaliteit stagneert. Minister Schauvliege heeft hierop onmiddellijk gereageerd met de aankondiging van een extra maatregel in focusgebieden (dat zijn gebieden waar de waterkwaliteit ontoereikend is). Het gaat om een teeltverbod van 1 meter naast alle waterlopen ongeacht het type waterloop. Dat teeltverbod komt dus bovenop het bemestingsverbod van 5 meter naast de bevaarbare en niet-bevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie. We hebben altijd gesteld dat voor ons een bemestingsvrije strook van 5 meter, in Vlaanderen met zijn versnipperde percelen en met beken doorgesneden laagvlakten, een onrealistische maatregel is. De impact van het bijkomende teeltverbod langs alle waterlopen en grachten in focusgebieden is dan ook niet min. Maar laat ons anderzijds ook eerlijk zijn met onszelf en durven toegeven dat het o zo verleidelijk is toch maar die laatste centimeters mee te bewerken en te bemesten. Indien er niet langer een oogstbare teelt groeit in die bewuste zone is op zijn minst de verleiding niet langer aanwezig en is de kans op bemesten tot in het water kleiner. Ongeacht of dit nu een kleine niet-gecatalogeerde waterloop is of niet. Per slot van rekening stroomt alle water vroeg of laat naar de zee. 

Koninklijke interesse voor onze sector

Deze week mocht ik het belang van eerlijke handelspraktijken en faire relaties in de agrovoedingsketen toelichten aan koning Filip. Dat gebeurde naar aanleiding van zijn bezoek aan het Lebbeekse bedrijf Vondelmolen dat zijn 150ste verjaardag viert en op uitnodiging van Fevia, de federatie van de Belgische voedingsindustrie. Ik heb benadrukt dat een sterke Belgische agrovoedingsketen veronderstelt dat elke schakel binnen de keten zijn deel van de toegevoegde waarde krijgt en zich verder duurzaam kan ontwikkelen. De keten is uiteindelijk maar zo sterk als haar zwakste schakel … en onze producenten zitten geprangd tussen toelevering en afnemers, waarbij ze vandaag veelal de prijszetting ondergaan. Ik heb ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om te wijzen op de moeilijke tijden die heel wat van onze landbouwers, onder meer onze vleesveehouders, doormaken.