Menu

Terug naar Opinie >Landbouw in Europa: tussen ambities en centen

Landbouw in Europa: tussen ambities en centenTerug naar Opinie >

Alle sectoren
Alle regio's

Vandaag is het Europadag. Op deze dag herdenken we sinds 1985 het moment waarop de Franse minister Robert Schuman in 1950 pleitte om de Franse en Duitse productie van kolen en staal onder gemeenschappelijk beheer te plaatsen. Andere sectoren volgden, met name landbouw.

De voorbije zestig jaar was de ontwikkeling van de landbouw, en de daaraan gekoppelde voedselzekerheid, een cruciaal element in de Europese politieke ontwikkeling. Het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is het levende bewijs van de kracht van de Europese Unie. Het zorgt voor voldoende voedsel dat niet alleen veilig en kwalitatief hoogstaand is, maar het beantwoordt ook qua productiemethode aan de maatschappelijke eisen.

Boeren waren mee van de eerste Europeanen. Boerenbond heeft in antwoord op de toenemende kritische en negatieve kijk op Europa steeds zijn geloof benadrukt in een sterk Europa. Al blijven we niet blind voor de uitdagingen van de Europese integratie. Eenheid in verscheidenheid is dansen op een slappe koord. Europa mag enerzijds geen eenheidsworst worden. Het moet Vlaanderen versterken in het aanpakken van de grote uitdagingen, rekening houdend met onze eigenheid. Langs de andere kant moeten we er over waken dat de eengemaakte markt en het noodzakelijk gemeenschappelijk beleid niet uitgehold worden. Vlaanderen heeft de hefbomen die de Europese markt en het Europese beleid bieden optimaal weten te benutten. Als de lidstaten terugplooien op zichzelf, vangen vooral wij de klappen op. Dat laat de brexit duidelijk voelen.

Hoewel de uitdagingen waarvoor we als continent staan breed onderkend worden en meer samenwerking op Europees niveau steeds opduikt in de noodzakelijk geachte beleidsantwoorden heeft Europa als instituut een perceptieprobleem. Dit laat zich zeer sterk voelen in de periodiek terugkerende discussie over de Europese meerjarenbegroting.

Er wordt gegoocheld met bedragen tot meer dan 1000 miljard euro. Hallucinant op het eerste zicht. Maar schijn bedriegt. De Europese begroting is een peulschil in vergelijking met de optelsom van de 28 nationale begrotingen. Wie honderd euro bruto verdient, draagt daarvan zo goed als de helft af aan overheden allerhande. Slechts één euro gaat naar de EU. In Europees jargon spreekt men over 1% van het bruto nationaal inkomen (BNI). De komende maanden zal een bikkelharde strijd gevoerd worden over die symbolische 1%.

Die strijd is niet zonder belang. De brexit slaat een gat in de Europese begroting. Daartegenover staat de groeiende nood aan meer gecoördineerde actie op het vlak van defensie, grensbewaking, migratie en ontwikkelingssamenwerking, naast milieu- ,klimaat- en de noodzakelijke onderzoeks- en ontwikkelingsinspanningen. De discussie rond de 1% bepaalt mee of het brexitgat gedicht wordt én of er middelen komen voor die nieuwe uitdagingen.

De gezonde reflex is te bekijken of er niet elders middelen gehaald kunnen worden. De discussie over nieuwe Europese inkomsten steekt bij elke begrotingsronde de kop op, maar de politieke bereidheid is bij sommige lidstaten beperkt. Het ballonnetje over een Europese plastictaks werd al neergehaald. Ook een Googletaks lijkt geen lang leven beschoren. En een hogere bijdrage vanuit de lidstaten zonder meer ligt gevoelig. Want de EU heeft het voorbije decennium de lidstaten de duimschroeven aangedraaid en budgettaire orthodoxie gepredikt. Dat ligt vers in het geheugen en nu kan de rekening vereffend worden.

Rest er nog te besparen op de uitgaven. Daarmee komen de ‘oude’ Europese beleidsdomeinen in het vizier: het cohesiebeleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) – de twee pijlers van de Europese gedachte.

Critici zijn er als de kippen bij om er steeds opnieuw op te wijzen dat het GLB maar liefst 38% van de Europese begroting inpalmt. Een echte slokop dus, waarin best gesnoeid kan worden. Maar ook hier bedriegt de schijn. Nationaal bestaan er geen landbouwbudgetten meer – die werden al decennia geleden overgedragen aan Europa, dat het landbouwbeleid bepaalt én financiert. En dat is fundamenteel anders dan bij andere beleidsdomeinen, waar de EU soms wel het wetgevend kader bepaalt, maar waar de uitvoering én de financiering in hoofdzaak nationaal gebeuren. Dit verschil is er omdat de lidstaten het zo gewild hebben. Het landbouwbeleid kampt daardoor met hetzelfde perceptieprobleem als de EU-begroting in totaliteit: een oogverblindende miljardendans. Terwijl de landbouwbegroting in realiteit zeer bescheiden is, met een aandeel van slechts 0,4% van het BNI. Vergeet niet dat president Trump de NAVO-partners verwijt geen 2% van het BNI in te zetten op defensie … Terwijl voldoende eten aan een redelijke prijs dé basis is van stabiliteit en rust, noodzakelijk voor gestage economische groei. Dat had de EU ruim zestig jaar geleden al goed begrepen. De Nobelprijs voor de Vrede werd in 2012 dus niet zonder reden toegekend aan de Europese Unie.

En toch dreigt het Europese landbouwbeleid de rekening te betalen van de Europese onwil en onmacht om haar ambities ook budgettair te vertalen, terwijl ook de Europese landbouwsector geconfronteerd wordt met uitdagingen waarop het Europese beleid onvoldoende antwoord biedt. Prijzen en marges staan onder druk, de wispelturigheid van de markt laat zich ongenadig voelen, het inkomen van de boer staat daardoor sterk onder druk en de onzekerheid neemt toe. Desastreuze gevolgen van politieke beslissingen zoals het Ruslandembargo en de brexit worden amper gecompenseerd. De verwachtingen van burger en consument op het vlak van land- en tuinbouw nemen steeds verder toe terwijl de marktprijs voor de producten achterblijft.

En dan zijn er nog de maatschappelijke eisen en verwachtingen rond landbouw op het vlak van klimaat, milieu, dierenwelzijn … We willen ons deel van de verantwoordelijkheid daarin opnemen, maar nu komt er vanuit de EU de boodschap dat er voor al deze maatschappelijke vragen en eisen steeds minder geld beschikbaar zal zijn. Met andere woorden: meer inspanningen door de boer met steeds minder middelen.

De Vlaamse land- en tuinbouw dreigt daarbij het kind van de rekening te worden: via een algemene korting én meer eisen voor minder budget. Een korting van het GLB-budget staat dus haaks op de landbouwrealiteit van toenemende economische druk en stijgende maatschappelijke verwachtingen. De Europese landbouwsector wil ook in de toekomst zijn rol blijven spelen en zijn deel van het werk doen in de uitdaging die ons de komende 50 jaar wereldwijd te wachten staat: een verdubbeling van de voedselproductie op een duurzame manier in tijden van grondstoffenschaarste en klimaatverandering. Een behoorlijke landbouwbegroting blijft dus meer dan ooit noodzakelijk.

Slaan de lidstaten alsnog de weg in van meer en sterker Europa, ook budgettair? Wie snoeit in het budget, zal ook moeten snoeien in de beleidsambities. Dat weten boeren en tuinders al sinds mensenheugenis: zaaien naar de zak. Worden de boeren werkelijk de laatsten der Europeanen?

Sonja De Becker
voorzitter Boerenbond