Menu

De geschiedenis herhaalt zich

Terug naar Opinie

In de voorbereiding van een presentatie voor de ‘Nacht van de Geschiedenis, de boer op’, een initiatief van het Davidsfonds, nam ik de recente geschiedenis van onze Vlaamse landbouw door. Tot mijn grote verbazing noteerde ik meermaals ‘toen al’.

Landbouw voortdurend in beweging

Wie het verleden niet kent, kan het heden niet begrijpen. Voor geen enkele sector gaat die stelling meer op dan voor onze Vlaamse landbouw. De Vlaamse land- en tuinbouw wordt gekenmerkt door kleine percelen, intensieve teeltmethoden, een omzet die vooral gehaald wordt uit een relatief klein aandeel akkerbouw en een relatief groot aandeel (grondloze) veehouderij. De druk van de wereldmarkt is groot. De sector staat ook voor verbreding en innovatie. We leven en werken in de 21ste eeuw en horen de vraag naar transitie, verduurzaming, evenwichtige en gezonde voeding …
De landbouw van nu is het resultaat van evoluties, niet alleen in de sector zelf, maar ook in de maatschappij én in de wereld. Van handenarbeid tot mechanisatie, van een samenleving waarin ieder zijn eigen voedsel produceerde (overlevingslandbouw) naar een Vlaamse samenleving waarin de boeren-voedselproducenten in de minderheid zijn. Van een ‘mijn-wereld-mijn-dorp’-mentaliteit, naar een grote open wereldmarkt, waar niemand nog weet wie zijn toeleverancier is of zijn afnemer, waar vraag en aanbod elkaar niet meer fysiek ontmoeten op de lokale markt en het niet langer voelbaar is waar prijzen bepaald worden.

Grenzen en seizoenen bestaan niet meer. Er worden altijd wel ergens groenten geoogst die dan probleemloos en snel naar de andere kant van de wereld vervoerd worden om er als ‘vers’ en dus seizoensgebonden geconsumeerd te worden. Tegelijk is de verwerking van landbouwproducten zodanig geëvolueerd dat je in de kant-en-klaarpizza de tomaat, de ham of het graan niet meer herkent. We leven in een nieuwe wereld, waar het inkomen van de boer onder druk staat, waar voortdurend niches gezocht moeten worden, waar het beleid (niet de boer) de landbouwactiviteiten stuurt en de land- en tuinbouwers verdrukt worden. Ooit was het anders. Of toch niet?

Ieder voor zich

Eeuwenlang boerden de Vlamingen op kleine percelen (de versnippering van onze gronden is het gevolg van gelijk erfrecht, elk kind zijn deel) en stond het verbouwen van granen centraal. De koeien waren eerder een trekdier dan producent van vlees of melk. Ze graasden op gemene gronden. Geen eigen weiland, omheind door prikkeldraad. Het varken kreeg de overschotten (recyclage, cradle-to-cradle heet dat nu) en een paar kippen scharrelden op het erf. Zo goed als de hele bevolking was boer en at wat hijzelf produceerde. Dankzij de arbeid van de keuterboer, maakten een paar herenboeren het mogelijk om voedsel te produceren dat vermarkt kon worden. Zo konden er steden groeien, waar ambachtslui andere dingen deden dan voedsel produceren. Van welvaart was amper sprake. De bevolking werkte om te overleven, de meesten als boer.

In de tweede helft van de 18de eeuw werd de aardappel in België geïntroduceerd. Plots konden er dubbel zoveel calorieën geoogst worden per hectare, inclusief waardevolle mineralen en vitaminen. De bevolking sterkte aan en groeide in aantal. Innovatie zou men dat nu noemen, een nieuwe teelt die de hele bevolking ten goede kwam. Toen in 1845 de aardappelziekte een goed deel van de oogst vernielde, had dit grote hongersnood en armoede tot gevolg. In die periode trokken veel Ieren naar Amerika, Belgen deden dat minder.

Ingevoerd en goedkoop

Honger veroorzaakt onrust en de regering van het jonge België (pas opgericht in 1830) reageerde. Het ministerie van Landbouw werd opgericht, er kwamen onderzoekscentra en onderwijsinstellingen, specifiek gericht op landbouw. België moest in staat zijn zijn bevolking te voeden. Toen aan het einde van de 19de eeuw massaal veel goedkoop graan ingevoerd werd via de haven van Antwerpen, werd dat door de regering aangemoedigd. Plots was er voedsel genoeg voor alle mensen die ondertussen het platteland ontvlucht waren om naar de steden te trekken. Ze gingen er werken in de fabrieken, want de industrialisatie was begonnen. Dankzij het goedkope graan kon de broodprijs halveren. Goedkoop voedsel houdt de bevolking kalm.

 

 

Goedkoop ingevoerd graan halveerde de broodprijs en werd ingezet als veevoeder. (MAS, Nationaal scheepvaartmuseum Antwerpen)


Wat goed was voor de arbeiders was een ramp voor de Belgische boeren. Zij konden niet op tegen de goedkope graanprijs. Wie denkt dat de globalisering een nieuw fenomeen is, vergeet wat onze overgrootouders meegemaakt hebben. Wie nu vraagt om ‘transitie’, als de uitvinding van de 21ste eeuw, miskent de immense transitie die de Vlaamse landbouw doorstond rond 1900. De concurrentie van de buitenlandse granen noopte hen om snel van koers te veranderen. Van gemengde bedrijven, waar de graan- en aardappelteelt centraal stonden, werd omgeschakeld naar tuinbouw en veeteelt. Boomgaarden werden aangeplant, groenten die voorheen enkel in de hoven van de rijken stonden, werden geteeld en de sierteelt werd gelanceerd. De kwaliteit van onze producten had internationale faam, toen al.

De goedkope ingevoerde granen bleken niet alleen goed om er brood van te maken. Ze dienden ook als veevoeder, het begin van onze veeteelt. Het areaal grasland breidde uit, koeien werden bron van vlees en melk. Door de nieuwe tuinbouwactiviteiten en de veehouderij werd een evenwichtige, betaalbare voeding toegankelijker voor iedere burger. Natuurlijk ging het spek veeleer naar de arbeider, terwijl het varkenshaasje op de tafel van de notabelen belandde, maar vlees, groenten en fruit stonden geregeld op ieders menu. De globalisering en liberalisering van het beleid hebben rond 1900 de landbouw van vandaag uitgetekend. We voerden veel in, maar we voerden ook uit. Mechelse bloemkool, eieren, Brussels witloof … ze waren bekend, ook buiten onze landsgrenzen.

Producten werden op het platteland geproduceerd, maar het uitgebreide Belgische wegen- en spoorwegennet maakte het (toen al) mogelijk dat die snel naar de stad vervoerd konden worden. Boeren trokken naar de vroegmarkt om er hun waar te verkopen. Nu noemen we dat de korte keten.

 

 

 

Producten werden op het platteland geproduceerd en per trein naar de stad vervoerd.

 

Naar de landbouw van vandaag

Tussen die korte keten van toen en de korte keten anno 2015 zit een lange weg. Toen de veehouderij en de tuinbouw opstartten, begonnen er ook bedrijfjes die de land- en tuinbouwproducten verwerkten. Denk aan Marie Thumas (conservenfabriek in Leuven), de honderden melkerijen (in elk dorp één?), OXO in Antwerpen … Maar ook in de huishoudscholen leerden meisjes hoe ze de nieuwe teelten moesten bewaren en bereiden en hoe ze een goede huisvrouw konden worden. De rol van de vrouw op de boerderij verschoof van werkkracht, naar goede huismoeder (hygiëne voorop), naar wat we vandaag de meewerkende echtgenote noemen.


Marie Thumas, de Leuvense conservenfabriek, verwerkte tuinbouwproducten. (stadsarchief Leuven)

Samen met de landbouw is ook het landschap veranderd. De tractor deed het trekpaard uit de weide verdwijnen, haver was niet langer nodig als ‘brandstof’ voor het paard. Mechanisatie leidde tot ruilverkaveling, met grotere percelen en macadams tot gevolg. Boerderijen werden landbouwbedrijven en Naessens bouwt (naast zwembaden) niet alleen industriële gebouwen maar ook stallen en schuren. Die lijken heel sterk op elkaar. Geen witte vierkantshoeven meer, die eeuwen het landschap tekenden.


Machines konden trekpaarden vervangen, hier: machinaal dorsen. (Musée de lan photographie, archives de la Wallonie)

Samen met de landbouw is ook de landbouwer veranderd – van boer werd hij een bedrijfsleider. Hij is teelttechnisch sterk, is milieucoördinator, personeelschef, onderhandelaar en marketingmanager. Hij zit op zijn tractor, in zijn stal of serre, maar ook vele uren achter zijn computer om de ingewikkelde administratie af te werken. Op sommige bedrijven wordt de landbouwactiviteit aangevuld met hoevetoerisme, verwerking en verkoop van eigen producten of werkt één van beide partners (deeltijds) buitenshuis. Ook dat was in het verleden geregeld het geval, alleen noemen we het nu verbreding, toen heette het ‘dienen’ bij de rijke klasse of ‘deed men het seizoen’ in Noord-Frankrijk of Wallonië.


Samen met de landbouw, veranderde ook de boer, die een opleiding volgde.

De grote wereld

Wie de Vlaamse landbouw van vandaag wil begrijpen, moet zijn geschiedenis kennen. Wie denkt dat landbouw een statisch gegeven is, een sector zonder dynamiek, houdt de ogen gesloten voor de voortdurende bijsturing die in de sector gebeurt – soms van binnenuit gedreven, meestal aangestuurd door factoren van buitenaf. In oorlogstijd verwacht de maatschappij van de landbouw alleen maar eten; in vredestijd legt ze de lat hoger en draait het rond dierenwelzijn, traceerbaarheid en allerlei footprints. Ondertussen wordt de Vlaamse landbouw niet meer bepaald door de Vlaamse boer of het Vlaamse beleid, maar door Europa én de grote wereld daarrond. Wat begon rond 1900 met granen uit Amerika, resulteert vandaag in een melkprijs die in Nieuw-Zeeland bepaald wordt, een graan- en dus ook voederprijs die bepaald worden door Amerika en Rusland. De appelprijs hangt samen met (mis)oogsten in andere delen van de wereld. Zelfs de teler van witloof, lang een typisch Belgisch product, moet het doen met de prijs die hij krijgt, niet met de prijs die hij vraagt.

Maar net zoals in het verleden zal de sector zich aanpassen, op zoek naar nieuwe teelten of teeltmethoden, nieuwe markten of nieuwe samenwerkingsvormen, zodat de macht op de markt herwonnen wordt. Wie over honderd jaar de geschiedenis van de landbouw bestudeert, eindigt vermoedelijk zoals we hier begonnen zijn: de geschiedenis herhaalt zich.

24 maart, Nacht van de Geschiedenis

Tijdens de Nacht van de Geschiedenis kan je over heel Vlaanderen deelnemen aan bijna 250 geschiedenisactiviteiten, georganiseerd door het Davidsfonds. Op zo’n 50 plaatsen gebeurt dat in samenwerking met Landelijke Gilden. Het volledige programma kan je bekijken op www.davidsfonds.be.