Menu

RMO-chauffeur van Milcobel

Terug naar Onderwerp
In deel 7 van de zomerreeks laten we een RMO-chauffeur van Milcobel aan het woord.
Patrick Dieleman

RMO-chauffeur Thomas De Graeve neemt me mee voor een ritje met zijn RMO, een tankwagen van het merk MAN die bijna 30.000 liter melk kan laden. Op zijn rittenblad staan voor de eerste rit 10 melkveebedrijven uit de regio Lierde-Brakel- Geraardsbergen, die in dorpjes wonen met schilderachtige namen zoals Zarlardinge, Parike en Deftinge.

RMO staat voor rijdende melkontvangst. Mijn eerste herinneringen aan die activiteit gaan vijftig jaar terug naar de voerman, die ’s morgens met paard en kar net na het melken onze melkkannen kwam ophalen. Die stonden – normaal gezien toch – al op hem te wachten langs de straatkant, tenzij mijn ouders zich moesten haasten terwijl ze man en paard al hoorden naderen. Je kon toen twee melkkannen aanpikken, links en rechts van de bagagedrager van je fiets. De voerman bracht die metalen kannen naar de zuivelfabriek van de coöperatie, enkele kilometers verderop. Na de middag bracht hij de kannen terug, klaar voor de volgende melkbeurt. Die coöperatieve zuivelfabriek Sint-Isidorus ging later op in coöperatie Inco, die na een grote fusie in 1992 Belgomilk werd, en na nog een fusie in 2005 Milcobel.

Twee ritten per nacht

Dat Milcobel is nu de werkgever van Thomas. En mijn herinneringen blijken mijlenver af te staan van de huidige realiteit. “We mikken op vijfentwintig- tot zesentwintigduizend liter”, legt Thomas uit. “We vullen niet volledig om te vermijden dat we de wettelijk toegelaten maximale lading overschrijden.” De raming van het aantal liters gebeurt op basis van de levering van enkele dagen voordien, toen de planning werd uitgewerkt. Voor Thomas gaat het laat worden. Hij werkt meestal in de nachtshift. Dat betekent dat hij start rond 18 uur, een eerste vracht ophaalt, tussenin gaat leveren in de melkerij van Moorslede (West-Vlaanderen) en nadien nog een tweede ronde rijdt in een andere regio. Deze nacht is dat in de streek van Kluisbergen. Nadien moet hij de vrachtwagen nog reinigen voor zijn shift erop zit. Thomas haalt tijdens deze ritten alleen weidemelk op, dus bij melkveehouders die daarvoor van Milcobel een vergoeding op jaarbasis krijgen omdat hun koeien minimaal 120 dagen per jaar minstens zes uur per dag in de wei grazen. “Bij hen halen we de melk om de twee dagen op, bij andere leveraars om de drie dagen. In Moorslede worden alle Brugge- en Nazarethkazen gemaakt van weidemelk.”

De ideale job

Thomas begon twee jaar geleden te rijden voor Milcobel. Daarvoor werkte hij bijna 10 jaar als chauffeur voor een grondwerk- en containerbedrijf. “Het feit dat een vriend van mij ook voor Milcobel rijdt, haalde me over de streep”, vertelt hij. “Een shift duurt 11 tot 13 uur, afhankelijk van of we moeten reinigen of niet. De tankwagen moet minstens één keer per 24 uur gereinigd worden. Daardoor hebben we ook veel recuperatiedagen.” Die gebruikt hij om zich uit te leven in zijn andere passies: bijspringen op een melkvee- en/akkerbouwbedrijf en in het seizoen ook bij een loonwerker. Ze kunnen ook vlot wisselen met collega’s binnen dezelfde ploeg van zes, wat enige flexibiliteit toelaat. Sommigen vinden het een nadeel dat er ook in het weekend moet gewerkt worden, maar Thomas maakt er geen probleem van om twee van de vier zondagen te werken. “Ik heb ook graag dat mijn materiaal in orde is”, voegt hij nog toe aan zijn argumentatie om voor Milcobel te rijden. “Op mijn vorige werk stonden we zelf in voor het onderhoud van onze vrachtwagen. Het was niet altijd even gemakkelijk om aan wisselstukken te geraken.” Die passie voor zijn materiaal duikt geregeld op in ons gesprek. Thomas rijdt het liefst met een Volvo. De MAN, zoals die waarmee we rondrijden, komt op de tweede plaats. Merken als Mercedes en Iveco zijn niet echt zijn ding. Thomas heeft ook graag dat zijn cabine er proper bijligt. Nu heeft hij het te druk met vertellen, maar normaal gebruikt hij de tijd tijdens het opzuigen van de melk, om de cabine van zijn vrachtwagen proper te houden.

Onderhuids leeft duidelijk enige passie voor de landbouw bij hem, ook al komt hij niet uit een boerenfamilie. Het bedrijf waar hij geregeld bijspringt heeft de schaalgrootte die hij zelf zou kiezen als hij zou boeren: “Zeventig tot maximaal honderd koeien, het moeten er geen driehonderd zijn. Ik zou het graag allemaal zelf blijven doen en niet met personeel moeten werken.”

Coronatijden

De lockdown had voor Thomas geen grote gevolgen. “Ik rij doorgaans alleen, dus daar veranderde niets aan. We zijn altijd de melk blijven ophalen. We kregen wel richtlijnen om niet met de boeren te spreken, afstand te houden en de handen geregeld te ontsmetten. De leveraars werd gevraagd om in het melkhuis ontsmettingsalcohol te voorzien en we kregen ook ontsmettingsmiddel en handschoenen van het bedrijf.”

Thomas vertelt dat hij weinig contact heeft met de boeren, maar ik kan hem na afloop geen gelijk geven. Op de tien bedrijven waar we kwamen hadden we in totaal vijf keer een korte babbel met boer of boerin. Thomas verduidelijkt dat het rond het melken wel eens gebeurt, dat hij iemand ziet, maar ’s nachts sowieso niet. Bovendien halen we melk op in de streek waar hij ook meehelpt met het loonwerk, waardoor hij de meeste boeren persoonlijk kent.

Even bijtanken

Het ophalen van de melk gebeurt in een vaste routine. Nadat hij de vrachtwagen tot bij het melkhuis heeft gemanoeuvreerd, opent Thomas de achterklep, waarachter zich de computer en de automatische staalname-unit bevinden. Na het intikken van enkele gegevens rolt hij de slang af en koppelt die vast aan de melkkoeltank. Soms is daar een extra koppelstuk voor nodig, dat hij zelf bijheeft en ook afwast na het gebruik. Het controleren van de temperatuur, geur en kleur van de melk en het aanleggen van het roerwerk van de melkkoeltank maken ook deel uit van de routine. Het roeren is van belang om een correct staal te verkrijgen. Eén keer maakte Thomas mee dat de melk in de tank niet gekoeld was. “Dat was een nieuwe tank, waar blijkbaar iets mee scheelde. Ik heb die melk toen niet geladen, waardoor enkele duizenden liter melk verloren zijn gegaan.” Maar beter dat dan problemen in de fabriek. Het potje waarin het melkstaal terechtkomt heeft onderaan een chip, waarop alle gegevens van de melkleveraar – zoals aantal liters, temperatuur en tijdstip – automatisch worden ingelezen. Bij een defect van het systeem heeft iedere melkveehouder identificatiestickers voorradig in het melkhuis. Na het vullen plaatst Thomas het staal in een bak met ijswater. De Vlaamse stalen worden ontleed door MCC, de Waalse gaan naar het Comité du Lait in Battice. Van iedere RMO wordt ook nog een debietsproportioneel tankstaal genomen, dat onmiddellijk bij aankomst op de fabriek ontleed wordt, bijvoorbeeld om te vermijden dat er melk met antibiotica in het productieproces zou komen.

Na de tiende laadbeurt levert Thomas me af bij mijn wagen, om nadien via Doornik naar Moorslede te rijden, daar te lossen en vervolgens nog een tweede ronde te beginnen. “Ik heb het er niet echt moeilijk mee om ’s nachts te werken”, besluit hij, “maar de eerste nacht is de moeilijkste.”