Menu

Terug naar Onderwerp >Wettelijke normen vee

Wettelijke normen veeTerug naar Onderwerp >


Een traditioneel melkveebedrijf zal op het vlak van huisvesting zelden een probleem hebben om te voldoen aan de normen voor bio. Van de totale vrij toegankelijke oppervlakte (zo wordt de wachtruimte naar de melkstal niet meegeteld) mag maximaal 50% in roosters zijn uitgevoerd. De ligruimtes moeten ingestrooid zijn en de dieren moeten tijdens het graasseizoen toegang hebben tot de weide. Het rantsoen moet 100% biologisch zijn en uit meer dan 60% ruwvoeder bestaan. Ontwormen en vaccinaties zijn toegelaten, net zoals antibiotica. Dat laatste evenwel beperkt en preventief gebruik is niet toegelaten.

De mest van een biologisch bedrijf moet op biogrond worden afgezet. Het omgekeerde kan wel: op biogrond kan je nog gangbare mest uit extensieve veehouderij gebruiken. Sinds dit jaar geldt daarbij wel dat van de dierlijke mest die gebruikt wordt minstens 20% biologisch moet zijn.

De veestapel van een biologisch melkveebedrijf kan er anders uitzien dan op een gangbaar bedrijf. Robuustere dieren, waarbij de keuze niet direct ligt op topproducties, zullen eerder hun plaats hebben op een biologisch bedrijf dan op een gangbaar bedrijf.

Ook moet een biologische vleesveehouder het aantal keizersneden op zijn bedrijf beperken. Na drie jaar omschakeling mag maximaal 70% van de dieren nog een keizersnede ondergaan, na vijf jaar nog maximaal 20%. In de praktijk betekent dit dat de meeste bedrijven opteren voor andere rassen dan het Belgisch witblauw ras. De raskeuze gebeurt best in overleg met de afnemer van het vlees.