Menu

Melkveehouders verkleinen hun klimaatimpact

Terug naar Onderwerp

De uitstoot van broeikasgassen – uitgedrukt in de carbon footprint (koolstofvoetafdruk) – van melk is de voorbije jaren sterk gedaald. Tussen 2000 en 2015 daalde hij maar liefst met 26%. Dat is te danken aan heel wat inspanningen van de melkveehouders, zoals een efficiëntere productie, een toegenomen gebruik van lokale eiwitbronnen en van bijproducten uit de voedingsindustrie en een stijging van de hernieuwbare energieproductie.

Berekeningsmodel

Samen met de zuivelindustrie liet Boerenbond berekenen hoe groot de CO2-voetafdruk van rauwe melk was in 2015. De vorige berekening dateerde immers al van 2010. ERM, een onafhankelijk milieuadviesbureau met heel wat expertise op dit vlak, heeft die dan berekend met behulp van een methodologie die ontwikkeld werd in opdracht van de Vlaamse overheid en die vertrekt van de beschikbare internationale standaarden. De berekening begint bij de productie van grondstoffen (de cradle, dus de wieg van het product) en eindigt als de rauwe melk de boerderij verlaat (de farm gate, dus de poort van de boerderij). De verdere verwerking, distributie en consumptie worden niet in rekening gebracht. De berekening werd gemaakt voor een gemiddeld, gespecialiseerd melkveebedrijf uit de Boerenbondboekhoudingen. In 2015 telde dit gemiddelde melkveebedrijf 84 melkkoeien en 74 stuks jongvee. De totale melkproductie op dit bedrijf bedraagt net geen 700.000 liter per jaar, wat neerkomt op een jaarlijkse productie van 8.286 liter per koe.

Tegenover 2010 is de CO2-voetafdruk van melk (inclusief landconversie) gedaald van 1,04 naar 0,95 CO2-equivalenten per kg rauwe melk, bij 4% vet en 3,3% eiwit, wat neerkomt op een daling van 9%. Dit bewijst dat de milieu- en klimaatimpact van de lokale melkproductie gunstig evolueert.

Vanwaar komt deze daling?

Doordat de melkveebedrijven intensiever uitgebaat werden en de productiviteit per melkkoe verhoogde, daalt de bijdrage aan de CO2-emissies per kg rauwe melk. Zo is de melkproductie per melkkoe ongeveer 6% hoger dan in 2010. Ook het feit dat het eiwitgehalte van de rauwe melk gestegen is van 3,3% in 2010 naar 3,5% in 2015 heeft een positieve invloed op de carbon footprint per kilogram melk. Daarnaast is het vervangingspercentage in 2015 ten opzichte van 2010 lichtjes toegenomen tot 29%. Hierdoor worden er meer emissies toegekend aan verkocht vlees van de reforme koeien.

De grootste daling is zichtbaar in de bijdrage van het voer, zowel aangekocht als eigen voer. Zo is het aandeel sojameel en sojahullen in aangekocht krachtvoer gedaald met 12%. Daarnaast wordt krachtvoer op de bedrijven steeds efficiënter benut. Bovendien worden er de laatste jaren steeds meer bijproducten gebruikt in het rantsoen. Naast perspulp en bierdraf zijn daar de voorbije jaren bijproducten uit de bio-ethanolproductie (bijvoorbeeld tarwegistconcentraten) bijgekomen, met een lagere CO2-impact dan geïmporteerde krachtvoeders. In de eigen ruwvoerproductie is er eveneens vooruitgang geboekt, doordat gras en maïs geproduceerd worden met minder kunstmest per ha. Ook telen de melkveebedrijven meer eiwitrijk ruwvoer, voornamelijk gras-klaver. Anderzijds gaan de koeien minder lang buiten dan in 2010. Dat heeft een licht negatieve impact op de CO2-uitstoot, maar weegt niet door op het totale resultaat.

Door de strengere bemestingsnormen werd bovendien over de jaren heen de eigen mest steeds beter aangewend. Zo is de opslagcapaciteit op de melkveebedrijven uitgebreid en neemt ook mestscheiding de laatste vijf jaar toe. Dat alles draagt ertoe bij dat de impact op de CO2-voetafdruk verkleint. Tot slot bleef de energie-intensiteit per liter melk op de melkveebedrijven ongeveer gelijk met 2010. Het aandeel hernieuwbare energie is de laatste vijf jaar wel sterk toegenomen, onder andere door de installatie van zonnepanelen en pocketvergisters op de bedrijven.

Economie en ecologie

Het model werd gebruikt om de carbon footprint op sectorniveau te berekenen voor een gemiddeld gespecialiseerd melkveebedrijf, maar ook voor de individuele voetafdruk van een vijftigtal bedrijven. De bedoeling was om enerzijds te bestuderen hoe groot de spreiding is van de CO2-voetafdruk van bedrijven en anderzijds te achterhalen of bedrijven met een lage CO2-voetafdruk ook economisch betere bedrijven zijn. Voor deze vijftig bedrijven wordt momenteel een statistische analyse uitgevoerd van de CO2-voetafdruk, enkele technische parameters en het economisch resultaat (saldo en arbeidsinkomen).

Uit de eerste vaststellingen van de analyse blijkt dat bedrijven met een lagere CO2-voetafdruk ook een hoger saldo hebben. Ze hebben vooral een hogere melkproductie, minder uitval en benutten hun eigen ruwvoer beter, waardoor ze dus minder krachtvoer aankopen en hun kosten verminderen. Dit bewijst dat de CO2-voetafdruk voor individuele melkveebedrijven niet meteen een bedreiging hoeft te vormen. Economie en ecologie kunnen hier hand in hand gaan.