Menu

Nitraatresidu als toets bij bemestingspraktijk

Terug naar Onderwerp

Om te groeien nemen gewassen stikstof op in de vorm van nitraat. Nitraten die niet opgenomen worden door de gewassen, blijven op het einde van het groeiseizoen achter in de bodem als residu. Om uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewater zo veel mogelijk te vermijden, moet het nitraatresidu zo laag mogelijk zijn.

 

Om te kunnen inschatten of er te veel nitraat in de bodem achtergebleven is, wordt tussen 1 oktober en 15 november op één of meerdere percelen het nitraatresidu gemeten en vergeleken met drempelwaarden. De drempelwaarden van een perceel zijn afhankelijk van de verbouwde teelt en het bodemtype. Het instrument van de nitraatresidumetingen dat we al kenden onder MAP 5 wordt dus behouden, maar er zijn wel enkele belangrijke wijzigingen.

Redenen om nitraatresidu’s te meten

Nitraatresidu’s worden gemeten in het kader van controle of opvolging en in het kader van andere verplichtingen.

  • Controlestalen. Het nitraatresidu wordt bepaald in opdracht van en op kosten van de Mestbank. Deze controlestalen worden voornamelijk genomen in de gebiedstypes 1, 2 en 3, maar sporadisch kan ook een perceel in gebiedstype 0 geselecteerd worden.
  • Opvolgstalen. De landbouwer zelf geeft de opdracht om het nitraatresidu te bepalen, op percelen aangeduid door de Mestbank omdat in het voorgaande jaar een overschrijding van de drempelwaarden vastgesteld werd of om een verkregen vrijstelling te verlengen (zie verderop).
  • Andere stalen. Verder moeten er ook stalen genomen worden vanwege derogatie op een bedrijf, na een doorlichting, een strafrechtelijke veroordeling enzovoort.

Wanneer het nitraatresidu slechts op één perceel van een bedrijf bepaald wordt, heet dit een perceelevaluatie. Gebeurt het op meerdere percelen, spreken we van een bedrijfsevaluatie. Net als bij MAP 5 gebeurt de bedrijfsevaluatie op basis van meerdere percelen, waarbij het bedrijfsareaal en het aantal aanwezige teeltgroepen cruciale parameters zijn.

Nitraatresidumeting om vrijstelling te krijgen in gebiedstype 2 en 3

In een vorig artikel gingen we dieper in op de gebiedsgerichte maatregelen en welke extra maatregelen van toepassing zijn voor gebiedstypes 2 en 3:

  • lagere normen voor werkzame N,
  • meer vanggewassen inzaaien,
  • vervoer van vloeibare dierlijke mest in augustus alleen via een erkende vervoerder,
  • bemesting alleen toegestaan indien je teeltverantwoordelijke bent.

Wie goede nitraatresidu’s op bedrijfsniveau kan voorleggen, kan vrijgesteld worden van de eerste drie maatregelen (dus behalve teeltverantwoordelijke zijn). Deze nitraatresidu’s worden wel getoetst aan de laagste drempelwaarden (dus die van gebiedstype 2/3). 

Vrijstelling moet je voor 1 juni aanvragen bij de Mestbank. Is het resultaat van de nitraatresidu’s tijdens het najaar in orde, dan ben je de volgende jaren vrijgesteld van deze extra maatregelen. Je moet wel nog ieder jaar op één perceel, aangeduid door de Mestbank, stalen laten nemen als opvolging. Is het areaal van je bedrijf gestegen met meer dan 10 ha of meer dan 25% tegenover het jaar waarin bedrijfsevaluatie voor vrijstelling gedaan werd, dan moet je opnieuw een bedrijfsevaluatie toepassen.

Wie de vrijstelling zelf wil stopzetten, kan ze intrekken op het Mestbankloket voor 15 februari.

Nieuw in MAP 6
Indien je een vrijstelling verkregen hebt, behoud je die voor meerdere jaren. Je moet dan wel nog ieder jaar van één perceel het nitraatresidu laten bepalen als opvolging. Ook als je bedrijfsgrootte sterk toegenomen is, ben je opnieuw verplicht om een bedrijfsevaluatie te doen.

Toetsingskader: de drempelwaarden

De grootste wijziging in MAP 6 wat de nitraatresidu’s betreft, is een daling van de 1ste drempelwaarden voor alle teelten met 5 à 10 kg (behalve voor aardappelen en de groep ‘specifieke teelten’). Aangezien de 2de drempelwaarde berekend wordt op basis van de 1ste drempelwaarde (rekening houdend met meetonzekerheid), dalen dus nagenoeg ook alle 2de drempelwaarden. Bovendien werden bieten toegevoegd als een aparte teeltgroep, waardoor iemand met bieten in zijn teeltplan mogelijk nog extra nitraatresidu’s moet bepalen bij een bedrijfsevaluatie. De tabel geeft een overzicht van alle drempelwaarden in het aangepaste Mestdecreet. Voor gebiedstypes 2 en 3 zijn de drempelwaarden lager dan voor gebiedstypes 0 en 1. In MAP 5 was er een gelijkaardig onderscheid tussen drempelwaarden in focusgebied en niet-focusgebied. 

Nieuw in MAP 6
De 1ste én de 2de drempelwaarde daalt voor alle teelten, behalve voor aardappelen en de ‘specifieke teelten’.
Gebiedstype 2/3 en gebiedstype 0/1 hebben verschillende drempelwaarden.
Bieten werden toegevoegd als een aparte teeltgroep.

Mogelijke gevolgen bij een perceelevaluatie

De gevolgen bij een nitraatresidumeting op één perceel zijn uiteraard afhankelijk van het resultaat van deze meting en van het gebiedstype waarin het perceel is gelegen. Bij een perceelevaluatie mag je zelf bijkomende nitraatresidubepalingen laten doen door een erkend laboratorium. Dan telt steeds de laagste waarde. 

Het schema hieronder toont de verschillende vervolgscenario’s.

  1. Is het nitraatresidu lager dan de 1ste drempelwaarde? Dan is alles oké. Er is geen verder gevolg.
  2. Is het nitraatresidu van een perceel in gebiedstype 0 hoger dan de 1ste drempelwaarde, maar niet boven de 2de drempelwaarde? Dan moet je het volgende jaar opnieuw een perceelevaluatie uitvoeren.
  3. Zit het resultaat van een perceel in gebiedstype 1/2/3 boven de 1ste, maar niet boven de 2de drempelwaarde? Dan moet je het volgende jaar een bedrijfsevaluatie doen. (Dat is ook het geval indien je een perceelevaluatie om je vrijstelling te behouden).
  4. Zit je het 2de jaar, na opnieuw een perceelevaluatie, toch boven de 1ste drempelwaarde? Ook dan ben je verplicht tot een bedrijfsevaluatie het volgende jaar.

Van MAP 5 naar MAP 6. Wat in 2019?

  1. Wie een geldige vrijstelling heeft, kan die behouden (tenzij er overtredingen werden vastgesteld op het bedrijf). Als overgangsjaar kan je dit jaar deze vrijstelling eventueel zelf intrekken tot 15 juli. Doe je dat niet, dan ben je verplicht om dit najaar van één perceel een nitraatresidu te laten meten. Dit kan zelfs een bedrijfsevaluatie worden indien je areaal meer dan 10 ha of 25% groter werd of als je al verplicht was een bedrijfsevaluatie te doen vanwege de nitraatresidu’s in 2018. Ook een vrijstelling aanvragen om vanaf 2020 geen extra maatregelen te hoeven nemen in de gebiedstypes 2 en 3 kan nog tot 15 juli.
  2. Voormalige focusbedrijven met een maatregelenpakket categorie 2 of 3 uit MAP 5:
  • Het percentage reductie van de bemestingsnorm voor werkzame N blijft behouden op alle gronden van het bedrijf.
  • Het percentage verplichte inzaai van vanggewassen blijft van toepassing tot de verplichting in MAP 6 groter wordt.

Meer informatie

Thema: