Menu

Gebiedsgerichte maatregelen volgens waterkwaliteit

Terug naar Onderwerp
Thema: 
In het vorige artikel van deze reeks kon je lezen hoe onze waterkwaliteit Vlaanderen inkleurt in groen, geel, oranje en rood voor de gebiedstypes 0, 1, 2 en 3. Deze indeling vormt de basis voor gebiedsgerichte maatregelen waarmee de overheid de waterkwaliteit wil verbeteren waar nodig. In dit artikel gaan we dieper in op welke maatregelen in welk gebiedstype opgelegd worden.
Toon De Keukelaere, adviseur Akkerbouw en Mestbeleid Studiedienst Boerenbond

‘Versoepelen waar mogelijk, strenger aanpakken waar noodzakelijk.’ Dat was de basisgedachte bij de start van de opmaak van MAP 6. Jammer genoeg moeten we vaststellen dat er van versoepeling niet veel meer dan een habbekrats overblijft, terwijl de maatregelen in de strengere gebieden zwaar doorwegen. Sommige politieke partijen en natuurbewegingen gunnen onze land- en tuinbouwsector echt niet een beetje licht in de duisternis. Vlaanderen is met deze werkwijze, waarbij alleen bestraft en niets beloond wordt, vrijwel uniek in de Europese Unie. Dat blijkt uit een ijkpuntstudie van de Universiteit Wageningen, die de implementatie van de Kaderrichtlijn Water in diverse regio’s vergeleek.

In dit artikel gaan we dieper in op welke maatregelen waar van toepassing zijn. Anders dan in MAP 5 hebben de gebiedsgerichte maatregelen betrekking op de percelen die gelegen zijn in de betrokken gebieden, niet zozeer op het bedrijf op zich. De Mestbank zal de komende weken laten weten in welke gebiedstypes je percelen liggen en wat de gevolgen daarvan zijn. Je kunt de gebiedstypes per perceel ook raadplegen op het e-loket.

Gebiedstype 0

Weinig of geen speelruimte om te versoepelen

Ondanks een goede waterkwaliteit van het oppervlakte- zowel als het grondwater in de groene gebieden, was er weinig politieke moed om land- en tuinbouwers enige vorm van beloning te bieden. In de andere gebiedstypes worden strengere maatregelen opgelegd, maar de versoepelingen in gebiedstype 0 zijn nauwelijks het vermelden waard.

Versoepeling 1. Er zijn geen verplichte stikstofanalyses met een bemestingsadvies voor percelen met sierteelt, boomkwekerij, groenten I en II en aardbeien. Percelen gelegen in gebiedstype 0 worden dus niet meegeteld om te berekenen hoeveel analyses nodig zijn om aan deze verplichting te voldoen.

Versoepeling 2. Er worden minder controlestalen genomen voor het nitraatresidu. Nitraatresidumetingen komen in een later artikel aan bod, maar we delen nu al mee dat nitraatresidu’s nog slechts sporadisch gemeten zullen worden in de groene gebieden. Anderzijds wou de overheid dit instrument in deze gebieden niet volledig laten vallen, om nog een vinger aan de pols te houden en de land- en tuinbouwers geen complete vrijgeleide aan te bieden. Uit voorzorg worden bedrijven in dit gebiedstype dus toch nog opgevolgd via nitraatresidumetingen, maar beperkter dan in de gebiedstypes 1, 2 en 3.

Gebiedstypes 1, 2 en 3

Vanggewassen inzaaien als basismaatregel

Het inzaaien van vanggewassen is een goede landbouwpraktijk, die bovendien ingeburgerd is en frequent toegepast wordt. In MAP 6 wordt dat enigszins verplicht voor alle percelen in gebiedstypes 1, 2 en 3.

Op percelen waar de hoofdteelt geoogst wordt vóór 1 september én waar nadien geen nateelt volgt, moet je een vanggewas inzaaien voor 15 september. Ze mogen met andere woorden niet braak de winter ingaan. (Anders dan de verplichte vanggewassen als extra maatregel voor gebiedstype 2 en 3 – zie hieronder – is deze verplichting niet van toepassing voor percelen in zware klei.) De aanhoudingsperiode voor deze vanggewassen werd gelijkgesteld met de aanhoudingsperiode voor vanggewassen in het kader van ecologisch aandachtsgebied (EAG) binnen het GLB (zie schema hieronder)

Een voorbeeld. Je oogst je wintertarwe op 10 augustus. Eind september zaai je wintergerst in. Dan is dit in orde. Komt er geen enkele nateelt in het najaar en is je perceel niet gelegen in zware klei? Dan moet je voor 15 september een vanggewas inzaaien en aanhouden (tot 30 november in de leemstreek, tot 31 januari voor de overige landbouwstreken).

Gebiedstype 2 en 3

Vier extra maatregelen

In de afstroomzones van gebiedstype 2 en 3 werden bijkomende maatregelen toegevoegd die moeten bijdragen aan het realiseren van een betere waterkwaliteit. Deze vier maatregelen zijn gericht op het optimaliseren van de bemesting en een grotere inzet van vanggewassen of grasland.

Maatregel 1. Bemesting is alleen toegestaan op percelen waar jij ook de hoofdteelt verbouwt. Kort samengevat komt het erop neer dat je in de gebiedstypes 2 en 3

  • ofwel het perceel gedurende het hele jaar in gebruik hebt (alleen code A in de verzamelaanvraag),
  • ofwel het perceel in gebruik hebt op 1 januari voor de bemestingsrechten (G-perceel) én het weer zelf in gebruik neemt als verantwoordelijke voor de hoofdteelt (gebruiker op 31 mei, code I), maar dat een andere landbouwer het alsnog activeert voor de betalingsrechten (code A). (zie schema hierboven)

De teeltverantwoordelijke heeft dus alle rechten en plichten die in kader van de mestwetgeving aan het betrokken perceel verbonden zijn. Indien uit de verzamelaanvraag blijkt dat gebruiker op 1 januari en de teeltverantwoordelijke toch niet dezelfde land- of tuinbouwer is, worden de bemestingsnormen voor het betrokken perceel op 0 gesteld.

Maatregel 2. Op percelen in gebiedstype 2 en 3 wordt de toegelaten bemesting (in kg werkzame N) verlaagd volgens deze tabel.

Het gebruik van stikstof (N) en fosfor (P) kan je, net zoals bij MAP 5, op bedrijfsniveau vrij invullen, maar de norm voor werkzame N op de percelen in gebiedstype 2 en 3 worden stapsgewijze beperkt, waardoor de totale gebruiksruimte voor werkzame N op je bedrijf daalt. Weet ook dat je nooit meer dan de dubbele dosis van de geldende bemestingsnorm mag toedienen per perceel.

Maatregel 3. In de gebiedstypes 2 en 3 zal je in de toekomst meer vanggewassen moeten inzaaien. De tabel toont hoe groot de toename is en wanneer je die moet realiseren.

De juridische formuleringen en wetteksten bij deze maatregel zijn onnoemelijk complex. Wat oorspronkelijk een haalbare kaart leek om via extra vanggewassen een betere waterkwaliteit te realiseren, is jammer genoeg uitgedraaid op een kluwen van regelneverij. Hieronder volgt een sterk vereenvoudigde weergave bij de uitwerking van deze maatregel.

Stap 1. De Mestbank berekent voor iedere land- of tuinbouwer jaarlijks hoeveel ha vanggewas op het bedrijf aanwezig moet zijn. Deze berekening gebeurt op basis van gegevens uit de verzamelaanvraag voor 2016, 2017 en 2018, het percentage toename volgens de vermelde tabel en tot slot het areaal bouwland van je bedrijf in de gebiedstypes 2 en 3 in het betrokken jaar. De Mestbank informeert je tijdig  over dit verplichte areaal vanggewassen.

Stap 2. Op het eind van het teeltjaar wordt gecontroleerd of je aan je verplichte vanggewassen hebt voldaan. Er volgt een sanctie wanneer dat niet het geval is. Op het einde van deze artikelreeks komen we uitgebreid terug op de controles en boetes, maar je bent alvast gewaarschuwd dat de boetes niet min zijn.

Verdere bepalingen in het wetsartikel hebben betrekking op een minimumpercentage van 20%, een maximumpercentage van 80%, de mogelijkheid om via een overeenkomst de verplichting van het vanggewas over te dragen aan een andere landbouwer, de teelten die in aanmerking komen, de data waarop vanggewassen ingezaaid moeten zijn, de aanhoudingsperiode enzovoort. Wie alles al tot in de details wil analyseren, raadpleegt het best de website van VLM-Mestbank.

Maatregel 4. Vanaf 1 augustus mag je vloeibare dierlijke mest alleen nog met een erkende vervoerder vervoeren naar akkerland in gebiedstype 2 of 3, ook eigen mest naar eigen grond. Anders dan in MAP 5, waar bemesting op de stoppel verboden was voor focusbedrijven (zonder vrijstelling), kan bemesting op de stoppel nu wel, maar het moet wel gebeuren via een erkende vervoerder.

Een land- of tuinbouwer kan vrijstelling aanvragen voor deze extra maatregelen in de gebiedstypes 2 en 3 (behalve voor punt 1: zelfde bedrijf voor teelt- en mestrechten). Hoe dat in zijn werk gaat komt in een volgend artikel aan bod.

Een belangrijke taak voor de administraties
Boerenbond zal er streng over waken dat zowel de Mestbank als het departement Landbouw en Visserij alles in het werk stelt om jullie terdege te ondersteunen en tijdig op de hoogte brengen van de inspanningen vereist als gevolg van de opgelegde verplichtingen. Het risico dat je bemestingsrechten verliest als gevolg van meerdere gebruikers op eenzelfde perceel, het benodigde areaal vanggewassen om te voldoen aan de verplichtingen … moeten onmiddellijk zichtbaar zijn op het moment dat je administratieve verplichtingen vervult (e-loket, Mestbankaangifte ...).

Veel maatregelen in MAP 6 zijn onmiddellijk van kracht, zelfs met terugwerkende kracht. De verplichtingen in 2019 moeten zover mogelijk nageleefd worden, maar men mag niet het onmogelijke verwachten!

Afkortingen en definities

Vanggewas. Een vanggewas is een groenbedekker uit de teeltenlijst, zoals van toepassing in het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB), die niet-vlinderbloemig is, een mengsel van dergelijke groenbedekkers of een mengsel van gras en klaver.

De termen vanggewas, groenbedekker en nateelt worden geregeld door elkaar gehaspeld, alhoewel er een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden vanwege de diverse reglementeringen. Een vanggewas komt vooral in de mestwetgeving aan bod. Het heeft als functie de resterende bodemstikstof in het najaar te capteren om verdere uitspoeling te vermijden. Groenbedekkers kaderen veeleer in het GLB. Ze beogen onder andere erosiebestrijding en biodiversiteit. Een nateelt is de teelt die na de hoofdteelt op hetzelfde perceel verbouwd wordt in hetzelfde jaar.

Zware klei. Het Mestdecreet beschouwt alle landbouwgrond gelegen in de landbouwstreek Polders als zware kleigrond, maar ook grond in een door de Vlaamse regering afgebakend gebied waarvan de landbouwer aantoont dat die vergelijkbare bodemkarakteristieken heeft.

Meer informatie

Thema: