Menu

Varkens- en pluimveestallen

Bij nieuwbouw of renovatie van varkens- of pluimveestallen die verwarmd of gekoeld worden, geldt in principe de EPB-plicht. Intensief ventileren wordt niet beschouwd als koelen. Een varkens- of pluimveestal zonder verwarmingsinstallatie zal ook nooit als 'verwarmd' worden beschouwd en is dus niet EPB-plichting. Zo is in veel vleesvarkens- of leghennenstallen geen verwarmingsinstallatie aanwezig, deze stallen zijn zodoende niet EPB-plichtig. Als er wel een verwarmingsinstallatie is in een varkens- of pluimveestal, is de stal sowieso EPB-plichtig, ongeacht het aantal weken per jaar dat deze effectief aan staat.

Varkens- of pluimveestallen kunnen uit meerdere compartimenten bestaan, waarbij in sommige afdelingen wel een verwarmingsinstallatie aanwezig is en in andere afdelingen niet. Denk bijvoorbeeld aan een zeugenstal met een verwarmde kraamafdeling, maar een niet-verwarmde afdeling voor de niet-drachtige dieren. In zo'n situatie gelden de EPB-eisen voor de afdelingen met een verwarmingsinstallatie, maar ook voor de scheidingsconstructies en poorten tussen de verwarmde en niet-verwarmde compartimenten. De concrete EPB-eisen die van toepassing zijn op varkens- en pluimveestallen hebben alleen betrekking op de isolatiewaarden (U-waarde) van de daken, muren, scheidingsconstructies, deuren en poorten:

Maximale U-waarde voor muren en daken: 0,4 W/m²K. Het gedeelte van een muur onder de grond en vloeren moeten niet geïsoleerd zijn.

  • Maximale U-waarde vensters: 1,1 W/m²K (hoogrendementsglas)
  • Maximale U-waarde vensters met profiel: 1,5 W/m²K 
  • Maximale U-waarde poorten en deuren: 2 W/m²K

Deze U-waarden hangen af van het gekozen materiaal en de dikte ervan. Een vuistregel is dat ongeveer 6 cm PUR overeenkomt met een U-waarde van 0,4 W/m²K. Dit is echter niet voor alle isolatiematerialen en bouwwijzen het geval. Laat je hierover op voorhand informeren door je EPB-verslaggever.

Ventilatie-eisen zijn niet van toepassing op de verblijfsruimtes voor dieren. Deze werden vrijgesteld van deze ventilatie-eisen.

Varkensstallen met verwarmde en niet-verwarmde afdelingen

Een zeugenstal heeft dikwijls verwarmde afdelingen (kraam-en biggenafdeling) en afdelingen die niet verwarmd (dek- en drachtafdeling) zijn. De EPB-eisen gelden alleen voor de afdelingen waar een verwarmingsinstallatie aanwezig is. Er kan dus voor gekozen worden om enkel voor de verwarmde afdelingen te voldoen aan de EPB-wetgeving. Dit betekent evenwel dat ook voor de scheidingsconstructies (wanden, deuren, poorten …) tussen de verwarmde en niet-verwarmdeafdelingen de EPB-eisen gelden.

Verwerkingsruimte voor hoevezuivel waar energie verbruikt wordt

Een verwerkingsruimte voor hoevezuivel moet voldoen aan de eisen voor industriegebouwen. Hierbij is er ook een verplichting om een K-peil van 40 te halen. Met het K-peil wordt de isolatiegraad van een gebouw bedoeld. In de EPB-regelgeving worden maximale U-waarden opgelegd van 0,24 W/m²K voor wanden en daken. Verder moet er ook voldaan worden aan de technische eisen van de verwarmingsinstallatie, het sanitair warm water, de verlichting en het ventilatiesysteem. Sinds 1 maart 2017 moeten ook nieuwe, industriële gebouwen plichtig aan de EPB-wetgeving voldoen aan minimale installatieeisen op het vlak van ventilatie, verlichting ... De wetgeving verplicht de aanwezigheid van een ventilatiesysteem en van ventilatievoorzieningen voor de toe- en afvoer van lucht. Indien de vereiste debieten niet behaald worden, dan volgt er een boete per ontbrekende m³ per uur. Om te voldoen aan de verlichtingseisen moet het vermogen aan verlichting per ruimte voldoende laag zijn. Per ruimte geldt een maximaal equivalent specifiek geïnstalleerd vermogen (uitgedrukt in W/m² vloeroppervlakte). Dat maximaal vermogen is afhankelijk van het type ruimte. Bij het aftoetsen van de eis wordt het werkelijke geïnstalleerde specifiek vermogen gecorrigeerd in functie van aanwezigheidsdetectie, daglichtsturing en/of dimmen. Indien er een nieuwe verwarmingsketel voorzien wordt, gelden hiervoor ook specifieke rendementseisen. Net zoals voor de plaatsing van nieuwe elektrische boilers en doorstromers voor de productie van sanitair warm water waarbij er een maximaal elektrisch vermogen mag zijn in functie van de oppervlakte van het gebouw.

Serres met warme teelten

Wanneer een stooktemperatuur van minstens 12 °C vereist is, ongeacht de teeltperiode, wordt een teelt als 'warme teelt' beschouwd. Deze temperatuur is vereist voor vruchtgroenten (onder andere paprika, tomaat, komkommer en aubergine), warme kasplanten en snijbloemen.

Voor deze serres gelden volgende EPB-eisen:

  • De verplichte installatie van minimaal één energiescherm over de volledige oppervlakte van de serre. Een energiescherm is in dit geval een beweegbare of vaste flexibele scheidingswand, die tijdens de koude periodes in de serres de luchtbeweging onderbreekt tussen de teeltruimte en de ruimte onder het dak van de serre. Een energiescherm kan zowel doorzichtig als niet-doorzichtig zijn.
  • De verplichte installatie van een klimaatcomputer die garandeert dat het nodige vocht- en CO2-gehalte bereikt kan worden met een zo laag mogelijk energieverbruik.

Loodsen

De concrete EPB-eisen die van toepassing zijn op loodsen waarin zich een verwarmings- of koelinstallatie bevindt vanwege plantaardige producten (ongeacht of ze worden gekweekt of opgeslagen in deze loods) of waar mensen werken om producten marktklaar te maken, hebben steeds betrekking op de isolatiewaarden (U-waarde) van de daken, muren, scheidingsconstructies, deuren en poorten en zijn dezelfde  als bij varkens- en pluimveestallen.

Loodsen waarin mensen werken om bijvoorbeeld groenten marktklaar te maken, moeten ook voldoen aan ventilatie-eisen. Deze ventilatie-eisen hebben bijvoorbeeld betrekking op debieten en dimensionering van luchtopeningen. Laat je hierover informeren door je EPB-verslaggever.

Ventilatie-eisen zijn niet van toepassing op ruimtes of loodsen waar plantaardige producten alleen bewaard of geteeld worden.

Loodsen voor witloof of champignons. Hydrowitloof of champignons worden in loodsen gekweekt. Grondwitloof wordt in een loods geforceerd. Als in een dergelijke loods een verwarmings- of koelinstallatie staat, is de loods EPB-plichtig. Indien hydrowitloof of champignons in goed geïsoleerde kweekcellen worden geteeld die in een loods staan waarin geen koel- of verwarmingsinstallatie aanwezig is, is de loods zelf niet EPB-plichtig.

Ook als de verwarmingsbuizen om witloof in de grond te forceren zich onder de grond bevinden en er geen verwarmingsinstallatie in de loods is, is ook deze loods zelf niet EPB-plichtig.

Loodsen met producten in koelcellen. Sommige producten (wortelen, fruit) worden in een loods bewaard in koelcellen. Als deze koelcellen in een loods staan waarin zelf geen (verwarmings- of) koelinstallatie aanwezig is, is de loods niet EPB-plichtig.

Er bestaan normen voor de energie-efficiëntie van de koelcellen, maar die zijn geen onderdeel van de EPB-wetgeving.

Bewaarloodsen. Een bewaarloods is EPB-plichtig als er een verwarmings- of koelinstallatie in de loods staat, ongeacht het aantal weken per jaar dat deze installatie in werking is. Het intensief ventileren van een loods wordt niet als koelinstallatie gezien. Een aardappelbewaarloods bijvoorbeeld die wordt geventileerd, maar waarin geen koelinstallatie aanwezig is, is dus niet EPB-plichtig.

Loodsen waar producten verwerkt worden. Plantaardige producten, zoals prei, worden dikwijls na de oogst ter plaatse in een loods marktklaar gemaakt. Omdat hier werknemers bij betrokken zijn, moet er een zekere binnentemperatuur en luchtkwaliteit gerealiseerd worden. Vandaar dat voor deze loodsen altijd EPB-eisen gelden. Als een loods bestaat uit ruimtes die EPB-plichtig zijn (bijvoorbeeld de ruimte waar de groenten verpakt worden) en ruimtes die niet EPB-plichtig zijn (het gedeelte waar machines staan), zijn de EPB-eisen beperkt tot de ruimte die EPB-plichtig is. Wel wordt dan verwacht dat er een duidelijke scheidingsconstructie wordt voorzien tussen beide ruimtes. Deze scheidingsconstructie (en eventuele poort) moet dan voldoen aan de geldende EPB-eisen. 

Ruimtes met een andere bestemming. Als zich in een EPB-plichtig gebouw een kleine, nietresidentiële ruimte bevindt, die kleiner is dan 800 m³ en minder dan 40% van het totale volume van het EPB-plichtig gebouw bedraagt, mogen voor deze niet-residentiële ruimte dezelfde EPB-eisen worden toegepast als voor het betreffende gebouw waar het deel van uitmaakt. Dit kan bijvoorbeeld een verkoopruimte zijn. In de andere gevallen (hoevewinkel op een bouwbedrijf groter dan 800 m³ bijvoorbeeld of residentiële bestemming van de aparte ruimte) gelden andere EPB-eisen. Deze eisen zijn afhankelijk van de bestemming en doorgaans strenger dan de EPB-eisen voor stallen of loodsen. Laat je hierover dus ook goed adviseren door je EPB-verslaggever.

Verbrede landbouw. Een kleine hoevewinkel of een ontvangstzaaltje komen vaak voor op een landbouwbedrijf dat verder alleen gebouwen met een lage energiebehoefte heeft. Als een dergelijke ruimte voorkomt in een niet-EPB-plichtig gebouw en kleiner is dan 50 m² gelden geen EPB-eisen. Ook als het gebouw (deel) kleiner is dan 3.000 m³ en er is geen architect noodzakelijk bij de omgevingsaanvraag of -melding zijn de EPB-eisen niet van toepassing. Voor de andere gebouwen waarin verbrede landbouw plaatsvindt en die gebouwd werden na 1 januari 2015, geldt wel de EPB-plicht. De eisen zijn afhankelijk van de bestemming en doorgaans strenger dan de EPB-eisen voor landbouwgebouwen. Laat je hierover goed informeren door je EPB-verslaggever. Indien je een individuele vrijstelling wil aanvragen omdat de EPB-eisen technisch, functioneel of economisch niet haalbaar zijn, moet je dit tijdig doen.