Menu

Voorbereiding van het IPM-dossier

Terug naar Onderwerp

Over de voorbereiding van het IPM-dossiers spraken we in Management&Techniek 1 van 10 januari 2014 met Annie Demeyere van het Departement Landbouw en Visserij, die heel wat coördinatiewerk verrichtte bij de uitwerking van het Vlaams beleid. Ook Karolien Cools, consulent akkerbouw bij Boerenbond, werkte mee in het voorbereidingstraject.

Annie Demeyere (rechts op de foto) schetst de structuur in de aanpak: “De fytolicentie is een federale bevoegdheid, bij IPM ligt die regionaal. Na de startvergadering, in september 2010, zijn we onmiddellijk gestart met de voorbereiding. Er is een overkoepelende adviesraad, maar die besliste vrij snel om experten per deelsector samen te brengen. Dat zijn actoren uit het werkveld. Voor de sector groenten en fruit zijn dat bijvoorbeeld de voorlichters van ADLO en mensen van de beroepsorganisaties en de afzetkanalen. De veilingen en de verwerkende nijverheid zijn al belangrijke partners in het kader van het Flandrialabel en voor milieulastenboeken. Voor de akkerbouw en de ruwvoeders werden bijvoorbeeld de mensen van Semzabel betrokken. Ieder van die werkgroepen ging na in hoeverre in hun sector de acht punten die Europa vooropstelt al ingevuld worden. We zijn dan voor elk van die vijf sectoren een lastenboek beginnen uitwerken. Uiteindelijk resulteerde dat in een checklist. Daarin staan punten waaraan men moet voldoen, maar ook aanbevelingen.” Karolien vult aan dat het positief is dat boven die werkgroep, de voorlichters van ADLO geregeld terugkoppelden met elkaar. Hierdoor liggen de formulering van de eisen, maar ook het niveau ervan, zeer dicht bij elkaar. “Dat is heel belangrijk voor gemengde bedrijven waar bijvoorbeeld akkerbouw met fruit, of ruwvoeders met groenteteelt, gecombineerd worden. Alleen de sierteelt loopt daar wat los van, maar gelukkig is dat een gespecialiseerde sector en zijn er weinig gemengde bedrijven met een sierteelttak.”

Karolien zat in de voorbereidende werkgroep voor de akkerbouw." Enkele collega’s werkten mee in de werkgroepen voor de andere sectoren. We hebben de voorstellen van de checklists voorgelegd aan onze vakgroepen. Doordat we in de werkgroepen met mensen uit de praktijk zaten, waren de checklists al vrij praktisch gericht en vormde het merendeel van de vereisten eigenlijk geen probleem voor onze mensen. We kregen heel vaak ‘Dat doen we al’ te horen. De discussie rond de bufferzones was eigenlijk de moeilijkste, omdat er wat onduidelijkheid is hoe die spuitvrije zone van 1 m langs waterlopen zal gemeten worden. Die bufferzones bestaan allang. Ze worden opgelegd door het decreet integraal waterbeleid. Tot nu toe werden ze vrij weinig gecontroleerd en ze zullen strikter gecontroleerd worden, omdat ze nu mee in de checklist zitten."

Annie vertelt dat het belangrijk is dat de lat in alle sectoren even hoog ligt en uiteraard hoog genoeg om te voldoen aan de Europese regelgeving, maar ook niet te hoog. “Als je de lat te hoog legt, wordt je geconfronteerd met weerstand vanuit de sector. Wanneer mensen vinden dat iets niet haalbaar is, zijn ze niet bereid om daar inspanningen voor te doen. We voelen heel goed in de werkgroepen dat als we de lat op een aanvaardbaar niveau leggen, de meerderheid van de land- en tuinbouwers zal instappen. We zijn daar in Vlaanderen na anderhalf jaar overleggen vrij goed uitgekomen. De tweede bezorgdheid was om voor Vlaanderen en Wallonië hetzelfde te bekomen. Veel bedrijven werken aan beide zijden van de taalgrens, en ook de leveranciers van de veilingen zijn afkomstig uit beide taalgebieden. Voor de handel is het heel moeilijk om bij de commercialisatie twee verschillende IPM-verhalen te vertellen. Uiteindelijk zijn we erin geslaagd om in Vlaanderen en Wallonië een gelijkaardig systeem te hebben De enige verschilpunten zijn die waar de wetgeving verschillend is. Het Mestplan in Wallonië is anders ingevuld dan MAP4 bij ons, bijvoorbeeld. Ook de regels rond erosie zijn anders, en daar kunnen we natuurlijk niet aan raken.”

Lees hier het tweede deel van dit gesprek.