Menu

IPM in de vollegondsgroenten

Terug naar Onderwerp

Elke professionele land- of tuinbouwer is sinds 1 januari 2014 verplicht om duurzame geïntegreerde gewasbescherming (IPM of Integrated Pest Management) toe te passen. Ook de groenteteelt in de vollegrond staat voor grote uitdagingen.

Om voorbereid te zijn op de implementatie van het besluit van de Vlaamse regering voerden de proeftuinen oriënterende proeven uit. Deze proeven kaderen in het project ‘Integratie van IPM in de vollegrondsgroenteteelt in Vlaanderen’, uitgevoerd met steun van het Departement Landbouw en Visserij. In 2013 kregen de massaal opgekomen telers tekst en uitleg tijdens de proefveldbezoeken op het PCG (Kruishoutem) en op het PSKW (Sint-Katelijne-Waver).

Behandeling tegen trips, roest en papiervlekkenziekte in prei

Met proeven, aangelegd op het Provinciaal Proefcentrum voor de Groenteteelt (PCG), gaan de onderzoekers na of de behandelingen tegen trips, roest en papiervlekkenziekte in prei verder verfijnd kunnen worden. Verschillende toepassingen werden uitgevoerd waarbij object 1 onbehandeld bleef, object 2 een gereduceerd IPM-schema kreeg en object 3 een gangbaar schema. Dit gebeurde in combinatie met drie verschillende rassen die op 13 juni werden opgeplant. Het ging om Levis, dat erg gevoelig is voor trips, weinig gevoelig voor roest en gevoelig voor papiervlekkenziekte; Celcius, dat matig gevoelig is voor trips en roest en gevoelig voor de papiervlekkenziekte; Walton, dat niet gevoelig is voor trips, weinig gevoelig voor roest en niet gevoelig voor papiervlekkenziekte.

Voor trips worden de bespuitingen volgens waarnemingen en waarschuwingen (object 3) vergeleken met de voorspellingen volgens een model (object 2) waarbij rekening gehouden wordt met de oogstperiode, rasgevoeligheid, tripsdruk, de sterkte van het gespoten middel en de groei van de prei.

Het eerste object was niet behandeld en liet een duidelijke tripsaantasting zien bij het gevoelige ras Levis, wat minder aantasting bij Celcius en een iets beter resultaat voor Walton. Object 2 kreeg 6 behandelingen tegen trips en was behandeld op basis van het sterke ras Walton. Er was weinig verschil te zien tussen de rassen Celcius en Walton. Ook hier was het gevoelige ras Levis meer aangetast. Het derde object werd behandeld op basis van de waarnemingen en waarschuwingen en kreeg 8 behandelingen. Hier scoorden de 3 rassen praktisch evenwaardig. Uit de proef blijkt dat de sterkere rassen Celcius en Walton met minder behandelingen (6 versus 8 bespuitingen) evenwaardig scoren.

Voor papiervlekkenziekte worden 2 tot 3 wekelijkse kalenderbespuitingen (object 3) vergeleken met de voorspellingen volgens het papiervlekkenmodel waarbij rekening gehouden wordt met rasgevoeligheid, ziektedruk, teelthistoriek, neerslag en sterkte van het gespoten middel (object 2). Voorlopig was er nog onvoldoende aantasting, ook op het onbehandelde object 1.

Voor roest worden 2 à 3 wekelijkse kalenderbespuitingen (object 3) vergeleken met bespuitingen volgens de sterkte van het middel (object 2). In het onbehandelde object 1 waren alle rassen + 1% aangetast. Objecten 2 en 3 waren niet aangetast.

Object 2 met het veldspecifiek schema kreeg in totaal 3 gewasbehandelingen minder dan het gangbaar systeem dat volgens waarnemingen en waarschuwingen was behandeld. Voorlopige conclusie was dat de sterkste rassen met minder behandelingen een evenwaardig resultaat gaven.

Tijdens de rondleiding werd bij de rassenproeven prei gewezen op de gevoeligheid voor papiervlekkenziekte en trips.

Vergelijking praktijkschema met IPM-schema in spruiten

Ook in het PSKW (Proefstation voor de Groenteteelt in Sint-Katelijne-Waver) lag een gecombineerde proef aan waarbij een behandelingsschema volgens de IPM-strategie werd vergeleken met een gangbaar praktijkschema. Zowel het IPM-schema als het gangbare schema werden nogmaals opgesplitst in een schema met enkel erkende middelen en een schema met enkele nog niet erkende proefmiddelen.

Het spruitkoolras Rinus (Syngenta) werd gezaaid op 25 april en geplant op 22 mei 2013. Tijdens de teelt werden er regelmatig tellingen gedaan op groene en melige luizen (per plant en per spruit), eitjes en larven van witte vlieg, rupsen, koolvlieg (aangetaste spruiten per plant), trips en ziekten (voornamelijk alternaria).

Het IPM-schema had de dummypil als basis. Bij het gangbare schema werd er gestart met onbehandelde planten (geen dummypil). Ze kregen later in de teelt regelmatig breedwerkende middelen. De IPM-schema’s, zowel met de erkende middelen als met het proefmiddel, waren meestal evenwaardig aan de behandelingen met de gangbare schema’s met erkende en niet-erkende middelen. Enkel bij rupsen, waar de behandeling in het IPM-schema vooral bestond uit bacteriënpreparaten op basis van Bacillus thuringiensis gaf het gangbare schema een duidelijk betere bestrijding. In het praktijkschema doden de breedwerkende middelen ook de nuttigen af, waardoor het IPM-schema vaak evenwaardige resultaten geeft. In het gangbare schema werden 28 actieve stoffen toegepast, in het IPM-schema 13. Deze eerste resultaten vragen evenwel verder onderzoek.

Diverse zaad- en plantbakbehandelingen bij spruiten

Een bestrijding van insecten start met een doordachte behandeling bij het zaaien of planten. Eerdere proeven tonen aan dat zaad- of plantbakbehandeling de planten lang insectenvrij houdt.

Het ras Rinus (Syngenta) werd op 25 april gezaaid en op 22 mei geplant. Drie verschillende behandelingswijzen werden uitgevoerd en vergeleken met het onbehandelde object. Er werd een plantbakbehandeling uitgevoerd met 20 ml/1000 planten Confidor (a.s. imidacloprid) net voor het uitplanten.

Bij het zaaien werd naast het spruitkoolzaadje de Sanokote Smart Cruiser-dummypil gelegd (a.s. thiamethoxam). Deze pil bevat een niet-levend zaadje dat vooraf behandeld is.

De derde methode is de zogenaamde Phyto-dripmethode. Bij het zaaien wordt bij elk zaadje een druppeltje Cruiser (a.s. thiamethoxam) gelegd aan een dosis van 200 g per 100.000 zaden.

Tijdens het teeltseizoen werden beoordelingen uitgevoerd op groene en melige luis op bladeren en spruiten, op trips en de larven van de witte vlieg. De infectiedruk van luis was zeer laag. Voor larven van witte vlieg en trips waren geen verschillen zichtbaar tussen de verschillende objecten.

Rasgevoeligheid

Rassenproeven zijn binnen de werking van de proeftuinen een zeer belangrijk item. Naast opbrengst, uitzicht, uniformiteit, bewaarbaarheid, kuisbaarheid en kwaliteit besteedt men de laatste jaren meer aandacht aan de ziektegevoeligheid van bepaalde rassen. Bij langere teelten – zoals spruiten en prei – heeft het voorkomen en bestrijden van ziekten en plagen een belangrijke economische impact. Gewasbeschermingsmiddelen zijn duur, de klant wil een gezond en uniform product. In het kader van IPM zijn sterkere rassen die minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen een belangrijk item. Zo werden in het PSKW de 20 spruitrassen in de rassenproef ook beoordeeld op hun gevoeligheid voor roetdauw, alternaria, mycospaerella, trips, grauw …