Menu

Het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid

Terug naar Onderwerp

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is van groot belang voor land- en tuinbouw. Hierin wordt immers bepaald op welke manier inkomensondersteuning beschikbaar is en op welke manier de boer ondersteund wordt voor duurzame investeringen of omgevingsgerichte engagementen.

Situering

Cruciaal in het Europese verhaal zijn de landbouw en het landbouwbeleid, die een belangrijke drijfveer waren bij de start van de Europese Unie. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) was lang het enige (h)echte gemeenschappelijke beleid dat de EU vorm en de Europese instellingen bestaansrecht gaf. De grondslag voor het GLB werd gelegd in het Verdrag van Rome (1957).

Het Verdrag van Rome diende tot het creëren van een gemeenschappelijke markt en het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van de lidstaten. Dat moest de economische activiteit stimuleren en de welvaart verhogen. Dat economische samenwerking tegelijk ook de vrede tussen de lidstaten zou verzekeren, was uiteraard de onderliggende doelstelling. Inmiddels heerst er al meer dan zeventig jaar vrede tussen de lidstaten van de EU. Het Verdrag van Rome stippelde daarbij specifiek voor landbouwproducten een landbouwbeleid uit. Dat moest rekening houden met ‘de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, welke voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden’, maar ook met ‘de noodzaak om de nodige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen’ en met ‘het feit dat de landbouwsector nauw is verweven met de gehele economie.’

Het Verdrag beperkt zich voor het landbouwbeleid tot algemene doelstellingen. Het zou later concreet uitgewerkt worden, wat trouwens vrij snel gebeurde. Andere sectoren lieten lang op zich wachten. Zo werd voor hen de gemeenschappelijke markt, en dus de onderlinge concurrentie, pas in 1993 georganiseerd. Voor landbouwproducten werd die al vanaf 1963 geleidelijk per sector ingevoerd.

Het landbouwinkomen is nooit weg geweest van de onderhandelingstafel.

Dat brengt ons meteen tot de doelstellingen van het GLB die ingeschreven zijn in het Verdrag en nadien bij elke herziening ongewijzigd overgenomen werden. Elk woord hierbij is vandaag nog belangrijk. Denk aan productiviteit en technische (lees: technologische) vooruitgang, optimalisatie van productiefactoren, een redelijke levenstandaard en voedselzekerheid, stabilisering van markten en redelijke prijzen voor verbruikers. Het aanvankelijke GLB werd een succes. Alle voordelen werden echter doorgeschoven naar de consument. De consument zag op 50 jaar zijn uitgaven voor voeding dalen van 43% tot minder dan 12% van zijn besteedbare inkomen. Wat met de andere doelstellingen? De stabilisering van markten en van het landbouwinkomen ligt – samen met nieuwe uitdagingen – opnieuw op de tafel van het GLB na 2020. Het landbouwinkomen is nooit van tafel geweest…

Opbouw

Het GLB bestaat uit twee pijlers. Pijler 1 is het inkomensbeleid en de marktmaatregelen, pijler 2 is de pijler voor plattelandsontwikkeling. Beide pijlers worden vanuit verschillende fondsen ondersteund. Respectievelijk het Europees Landbouw garantie fonds en het Europees landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Pijler 1 omvat in het kader 2014-2020 de directe steun, in Vlaanderen gekend als hectaresteun, en de vergroening. Daarnaast omvat het ook de marktmaatregelen onder de Gemeenschappelijke Marktordening (GMO) , die steun geven aan producentorganisaties in bepaalde sectoren, maar ook marktinterventies bij crisis voorzien en bepalingen rond mededinging bevat.

Pijler 2 omvat investeringssteun en de steun voor de generatiewissel, bij ons gekend als het Vlaams landbouw- en investeringsfonds (VLIF), de agro-milieu en -klimaatmaatregelen en steun voor plattelandsprojecten onder Leader.

Pijler 1 wordt volledig gefinancierd vanuit de EU, pijler 2 wordt gecofinancierd door de lidstaat. Elke 7 jaar wordt er een nieuw beleid geïnstalleerd. Over het beleid vanaf 2020 lees je hier alles.

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid heeft tot doel:

De productiviteit van de landbouw te doen toenemen door de technische vooruitgang te bevorderen en door zowel de rationele ontwikkeling van de landbouwproductie als een optimaal gebruik van de productiefactoren (met name van de arbeidskrachten) te verzekeren;

Aldus de landbouwbevolking een redelijke levenstandaard te verzekeren, met name het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn verhogen;

De markten te stabiliseren;

De (voedsel)voorziening veilig te stellen;

Redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren.

Wat zegt Boerenbond?

Boerenbond nam na een participatief traject met haar besluitvormende structuren een geactualiseerd standpunt in, in 2018. Dit traject werd geïnitieerd in aanloop naar het GLB na 2020 en werd vervolledigd met diepgaandere standpunten omtrent de verschillende instrumenten van het GLB.

Het geactualiseerde standpunt omvat 11 kernpunten, hierbij een beknopte weergave (de volledige 11 kernpunten vind je hier):

  • De Europese Unie moet minimaal 0,40% van het bruto nationaal inkomen (BNI) blijven inzetten voor het landbouwbeleid.
  • Het GLB moet terug een meer economisch landbouwbeleid worden en in de eerste plaats zorgen voor een verbetering en de nodige correctie van de marktwerking.
  • Het GLB moet gericht zijn op de ondersteuning van de actieve boeren. Boerenbond beklemtoont dat dit principe zowel van toepassing moet zijn voor middelen uit pijler 1 als voor de middelen uit pijler 2, absoluut bij een transfer van middelen van pijler 1 naar pijler 2.
  • De rechtstreekse steun heeft een drieledig doel: buffer tegen volatiliteit, compensatie voor de hogere Europese normen en een vergoeding voor publieke dienstverlening vanuit landbouw. Daarom blijft deze vorm van steun ook in de toekomst noodzakelijk.
  • Het GLB moet zich focussen op investeringen in de landbouwsector met sterke aandacht voor jongeren en hun specifieke noden en behoeften. Ook investeringen in verdere verduurzaming en nieuwe vormen van landbouw moeten in de toekomst ondersteund worden.
  • Het GLB moet werk maken van een aangepast risicomanagement door een betaalbaar vangnet te voorzien dat snel en efficiënt crisissen kan opvangen.
  • Producenten moeten hun positie in de keten kunnen verstevigen door zich te organiseren in slagkrachtige PO’s of BO’s.
  • Land- en tuinbouw is als sector uitstekend geplaatst om bij te dragen aan de milieu en klimaatdoelstellingen. Land- en tuinbouwers zijn wel degelijk bereid om hun deel van de verantwoordelijkheid rond de milieu- en de klimaatproblematiek op te nemen, weliswaar binnen de mogelijkheden van het landbouwbeleid en voor wat hun aandeel betreft. Het GLB moet daarbij zorgen voor een flexibel, stimulerend en doelgericht kader dat aangepast is aan de landbouwrealiteit waarin de milieu-inspanningen die de actieve landbouwer doet op een faire manier gehonoreerd worden.
  • Er is ook een duidelijke vraag naar een bijsturing van de sanctionering als klemtoon naar een meer stimulerend verhaal. De huidige reglementering is niet aangepast en onrechtvaardig omwille van de disproportionele korting in het kader van de randvoorwaarden en vergroening. De beklemmende administratie moet afgebouwd worden.
  • Het GLB moet de toegang tot de landbouwsector faciliteren en rendabel maken voor jongeren zodat meer jongeren de stap naar de landbouwsector zetten. De voorziene jongerenvoordelen in het GLB moeten verder maximaal benut worden.
  • Het GLB moet oplossingen op maat bieden indien de marktwerking faalt. Het GLB moet vertrekken vanuit de bedrijfsrealiteit van de boer en zorgen voor een breed pallet aan maatregelen waaruit de boer kan kiezen.

De tijdlijn

De uitwerking van een veelomvattend beleid als het GLB vraagt tijd. Daarom lanceerde de Europese Commissie eind 2017 (ruim twee jaar na de start van het GLB 2014-2020) al een voorstel voor het GLB vanaf 2020. Sindsdien zijn er besprekingen op het niveau van de Raad van de EU, het parlement, maar ook reeds op lidstaatniveau.

1957 - Met het Verdrag van Rome wordt de Europese Economische Gemeenschap opgericht (de voorloper van de huidige EU) door zes West-Europese landen.

1962 - Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) gaat van start. De doelstellingen zijn betaalbaar voedsel voor de EU-burger en een redelijke levensstandaard voor landbouwers.

1984 - Land- en tuinbouw wordt productiever en voedselproductie stijgt. Er worden diverse maatregelen getroffen om de productieniveaus beter in overeenstemming te brengen met wat de markt nodig heeft.

1992 - Het GLB schakelt over van markt- naar producentenondersteuning. De prijssteun wordt afgebouwd en vervangen door rechtstreekse steun voor landbouwers. Gekend als de MacSharry-hervorming.

Agenda 2000 - Door middel van ‘agenda 2000’ wordt het GLB onderverdeeld in twee pijlers, waarbij de tweede pijler de maatregelen voor plattelandsontwikkeling bevat. Zo worden maatregelen ter ondersteuning van jonge landbouwers en agromilieumaatregelen gelanceerd.

2003 - Het GLB biedt inkomenssteun, maar via een hervorming wordt de steun losgekoppeld van de productie. Invoering van de ‘randvoorwaarden’.

2013 - Het GLB wordt hervormd om het concurrentievermogen van de sector te versterken, duurzame landbouw en innovatie te stimuleren, om de werkgelegenheid en de groei in plattelandsgebieden te bevorderen, alsook om de financiële bijstand te richten op het productieve gebruik van grond. Invoering van onder andere het systeem van de vergroeningsbetaling, betaling voor jonge landbouwers,… in pijler 1.

Opportuniteiten en knelpunten

Alles begint met een eerlijke prijs voor het geleverd product … Maar indien dat niet gegarandeerd kan worden, heeft het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid het potentieel land- en tuinbouwers in de mogelijkheid te stellen hun uitdagingen op een duurzame en veerkrachtige manier vast te pakken. Daarvoor is echter een deugdelijke financiering nodig en moeten de maatregelen voldoende afgestemd zijn op de noden van het land- en tuinbouwbedrijf. Daarvoor is een breed keuzepallet aan maatregelen nodig, zodat maatwerk mogelijk blijft. De aanhoudende vergroening van het GLB brengt zowel opportuniteiten als knelpunten met zich mee. Het stelt boeren in staat om ecologische maatregelen op het bedrijf in te voeren. Hier moet echter een eerlijke vergoeding tegenover staan, zodat de boer er ook een verdienmodel van kan maken. Het knelpunt zit hem in het verdringen van de andere doelstellingen van het GLB, door te focussen op het ecologisch aspect. Wanneer vergroenende maatregelen de andere instrumenten verzwakken of uithollen raakt het beleid uit balans.  De land- en tuinbouwsector kan maar verder verduurzamen als het economisch, sociaal en ecologisch aspect in balans zijn.

Vergroenende maatregelen mogen de andere instrumenten uit het GLB niet verzwakken.

Op het bedrijf

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid zit in de meeste bedrijfsvormen stevig verankerd. Al gaat het over een investering, over milieu- of klimaatmaatregel of over inkomenssteun. Het GLB bepaalt welke instrumenten ter beschikking gesteld worden van het individueel bedrijf en welke doelstellingen daarmee nagestreefd worden. Het beleid heeft dan ook een grote waarde voor het individueel land- of tuinbouwbedrijf, zodat zij er in slagen voldoende, gevarieerd,  veilig, kwaliteitsvol en duurzaam voedsel ter beschikking te stellen van de consument.

Meer informatie

Thema: