Menu

Afwijking over uitgangen en bereikbaarheid

Terug naar Onderwerp

Af te leggen weg tot een uitgang (artikel 7.2) 

Het aantal personen dat gelijktijdig in een serre aan de slag is, is vaak heel beperkt (enkele personen per ha).  Ook al zijn het er weinig, ze moeten in alle gevallen veilig de tuinbouwkas kunnen verlaten.
Daartoe dient elke serre te beschikken over  minstens 2 verschillende uitgangen. De uitgangen liggen in tegenovergestelde zones en zijn zo ontworpen dat ze toelaten voldoende mensen te evacueren.  Die uitgangen worden bij voorkeur voorzien aan de uiteinden van het betonpad of in het verlengde ervan. 
In serres met rijenteelt dient er langs beide uiteinden van de rijen een pad voorzien te zijn, dus ook langs de kopse gevels,  zodat de werknemers vlot van de ene rij naar de andere kunnen bewegen en zo dwars op de kappen kunnen evacueren.  Dit gangpad is minstens 0,80 m breed.  
In elk van de volgende gevallen volstaat een gangpad langs één van de uiteinden van de rijen (bijvoorbeeld het centrale gangpad):

  • de rijen zijn niet langer zijn dan 60 m;
  • het is mogelijk om onder de gewasgoten door te kruipen, hiertoe is een minimale vrije hoogte van 0,70 m vereist onder de gewasgoten en de bijhorende constructies en leidingen;
  • het is mogelijk om over de gewasgoten en/of planten te stappen, hiertoe is een maximale hoogte van 0,30 m vereist van de gewasgoten en de bijhorende constructies en leidingen en moet je vlot tussen de planten en eventuele geleiders van de planten door kunnen. 

In de kopgevel moeten geen nooduitgangen voorzien worden omdat werknemers logischerwijs via een andere rij naar het centrale betonpad van de serre zullen terugkeren. Vandaar kunnen ze één van de minstens 2 verschillende uitgangen aan het uiteinde van dat  betonpad of het verlengde ervan, kiezen.
In serres met vlakke teelten is het mogelijk om in alle richtingen te evacueren naar de uitgangen.  De voorziene gangpaden volstaan.

In serres met verplaatsbare teeltgoten of teelttafels (of andere systemen waar de teelten via een doorschuifsysteem kunnen verplaatst worden) moeten aan de uiteinden van het doorschuifsysteem waar personeel gewoonlijk werkt (bijvoorbeeld plant- en/of oogstwerkzaamheden verricht) (beton)paden worden voorzien. De breedte van het pad bedraagt ten minste 0,8 m. Vanop het (beton)pad moet je twee uitgangen kunnen bereiken die in tegenovergestelde zones liggen.

Breedte van de uitgangen (artikel 7.3)

De breedte van de uitgangen en de draairichting van de uitgangen zijn voldoende voor de totaal aantal gebruikers in de tuinbouwkas.  Door de lage bezettingsgraad in serre zijn ook schuifdeuren als uitgang toegelaten.  Deze schuifdeuren mogen meegerekend worden voor de evacuatie van ten hoogste 10 personen.  Een draaideur die in vluchtzin opendraait en minstens 80 cm breed is, laat evacuatie van ten hoogste 60 personen toe. De totale capaciteit van alle uitgangen samen dient hoger te zijn dan of gelijk aan het maximaal aantal personen dat in de tuinbouwkas of serre aanwezig is.    

Bereikbaarheid en toegankelijkheid (artikel 8.1)

De hulpdiensten moeten in geval van een incident, makkelijk het industriegebouw kunnen bereiken.  Voor de bereikbaarheid van een tuinbouwkas is het vooral belangrijk dat de loods, het administratief deel (bureaus, voorzieningen voor personeel zoals refter …), eventuele huisvesting voor seizoenarbeiders …) en de stookplaats bereikbaar moeten zijn voor de brandweervoertuigen. Hierbij dient waar zinvol, rekening gehouden te worden met de opstelling van ladderwagens. 

De bereikbaarheid van het kweekgedeelte van de tuinbouwkas is door de beperkte brandbelasting en risico’s minder noodzakelijk.  Door de grootte van de tuinbouwkassen is het vaak niet mogelijk om alle zones bvb. vanaf ladderwagens te beschermen.  De bereikbaarheid van alle buitenwanden van de tuinbouwkas met brandweervoertuigen is bijgevolg niet nodig. 

Bij de bereikbaarheid van de waterbassin wordt lokaal afgesproken hoe water uit de bassin zo vlot mogelijk kan ingeschakeld worden voor de bluswerkzaamheden en welke plaats er nodig is voor de opstelling van de bluswagens.