Menu

Afwijking over branddetectie, rook- en warmteafvoer en centrale controlepost

Terug naar Onderwerp

Branddetectie, waarschuwing, melding (artikel 5.2)

De serre moet uitgerust worden met handbrandmelders die het mogelijk maken dat de aanwezige personen snel het begin van een brand kunnen melden. Deze handbrandmelders zijn makkelijk bereikbaar en zichtbaar opgesteld aan de uitgangen van de serre en langs de betonnen paden in de serre.  De maximaal af te leggen afstand op het betonnen pad tot een handbrandmelder bedraagt 30 m.  Dit wil zeggen dat deze maximaal ongeveer 60 m uit elkaar mogen liggen.

De handbrandmelders zijn aangesloten op het systeem dat in geval van brand ook de aansturing van het alarm en het openen van de verluchtingsopeningen regelt. 
Deze handbrandmelders zijn niet vereist indien de tuinbouwkas niet uitgerust is met een elektrische installatie.
Het begin van brand kan aanleiding geven tot een abnormale temperatuurstijging in de tuinbouwkas.  Deze temperatuurstijging kan gedetecteerd worden door de aanwezigheid van een klimaatbeheersingssysteem in de tuinbouwkas.

Indien een klimaatbeheersingssysteem in de serre aanwezig is, dient deze elke abnormale temperatuurstijging te melden omdat dit kan wijzen op het begin van brand.
In het geval van een serre met rijenteelt dienen er minstens 2 meetpunten zijn per hectare die abnormale temperatuurverhoging kunnen meten . Hiervoor kunnen de bestaande meer gesofisticeerde meetinrichtingen zoals klimaatboxen die ook vochtigheid en dergelijke meten gebruikt worden. Deze kunnen met elk ander systeem dat enkel temperatuur(stijging) meet aangevuld worden indien er geen 2 meetinrichtingen per hectare zijn, zodanig dat er telkens twee meetpunten per hectare zijn (bvb. een klimaatbox en een temperatuurssensor). 

In geval van een serre met vlakke teelten volstaan de bestaande meetinrichtingen zoals klimaatboxen, ongeacht het aantal meetpunten per hectare.
Zowel het klimaatbeheersingssysteem als het branddetectiesysteem zijn voorzien van noodstroomvoeding. Dit kan bijvoorbeeld via:

  • een automatisch alarm bij uitvallen van de stroom waarna de noodstroomgroep manueel opgestart wordt met minimaal een gegarandeerde stroomvoorziening voor de branddetectiecentrale en de klimaatcomputer door bvb een batterijsysteem of een kleine elektrische groep
  • een batterijsysteem dat automatisch invalt als de stroom uitvalt  en de werking van branddetectiecentrale en klimaatcomputer voldoende lang verzekert
  • een automatisch opstartende noodstroomgroep waarop minstens de branddetectiecentrale en de klimaatcomputer aangesloten zijn

Bij de realisatie van klimaatcomputer/branddetectiecentrale is het belangrijk dat de brandweer en de tuinder/zijn aangestelde ten allen tijde kunnen zien welk detectiepunt eerst een signaal gegeven heeft.

Rook- en warmteafvoer (artikel 5.3)

De verluchtingsopeningen dienen automatisch te openen in geval van brand. Dit betekent dat als iemand manueel een brand meldt via een handbrandmelder of als er een abnormale temperatuur(stijging) wordt vastgesteld door het klimaatbeheersingssysteem, de verluchtingsopeningen automatisch openen indien de verantwoordelijke niet ingrijpt.  

De verantwoordelijke (bijvoorbeeld de tuinder) mag de activatie van de verluchtingsopeningen regelen zodat er tijd is om zich ervan te vergewissen dat het geen ongewenste melding is.  In dat geval, krijgt de verantwoordelijke eerst een waarschuwing dat er een handbrandmelder geactiveerd wordt of één van de temperatuurmetingen een afwijkende temperatuurverhoging geeft.  De verantwoordelijke dient dan tijdig (hoogstens binnen 60 s) te bevestigen dat hij deze waarschuwing heeft ontvangen en krijgt dan meer tijd om na te gaan of de melding echt op een brand wijst.  Indien deze niet tijdig bevestigt, dan stuurt de klimaatcomputer de ramen van de serre automatisch open en gaat het evacuatiealarm af. 
Indien deze wel tijdig bevestigt, krijgt hij een vastgestelde uitsteltijd om na te gaan of het alarm echt is of ongewenst.  Ziet de tuinder of de aangestelde dat het echt brandt, dan activeert hij het evacuatie-alarm en stuurt de klimaatcomputer de verluchtingsopeningen open. Ziet de tuinder of aangestelde dat het een ongewenst of vals alarm is, dan annuleert hij het alarm. Indien het alarm niet geannuleerd wordt binnen de vastgesteld uitsteltijd, dan stuurt de klimaatcomputer de ramen van de serre automatisch open en gaat het evacuatiealarm af. De uitsteltijd bedraagt maximum 10 minuten.

Gelijktijdig met het openen van de verluchtingsopeningen in geval van brand, worden de schermdoeken samengevouwen worden als ze op moment van alarm gesloten zijn. Zo kan de rook maximaal afgevoerd worden en wordt risico van verdere brandverspreiding via het schermdoek geminimaliseerd. 
De installatie voor het openen van de verluchtingsopeningen (motoren, elektrische voeding en leidingen) is niet de beschouwen als een vitale installatie en moet dus niet gedurende een zekere tijd in werking blijven in geval van brand.  Desalniettemin dient de installatie zo ontworpen te zijn dat een algemene buitendienststelling door een lokaal incident zoveel mogelijk vermeden wordt.
Dit kan bijvoorbeeld doordat de motoren voor het openen van de verluchtingsopeningen aan één zijde van de nok op een andere stroombaan worden aangesloten dan die voor het openen van de verluchtingsopeningen aan de andere kant van diezelfde nok of door 2 afzonderlijke stroombanen per spant (van paal tot paal tussen de kappen) te gebruiken voor de sturing van de motoren voor het openen van de verluchtingsopeningen. De elektrische stroombanen moet niet brandwerend zijn en ook niet door een noodstroomvoeding gevoed worden. 

Centrale controle- en bedieningspost (artikel  5.6)

Er moet een plaats voorzien worden waar de brandweer veilig de detectiecentrale en/of klimaatcomputer kan raadplegen. Men moet er kunnen zien:
•    Welke detector afgegaan is of welke handbrandmelder geactiveerd werd
•    Technische systemen die aanwezig zijn en hun status: RWA (open/toe?), stookinstallatie (aan/uit?), …
•    Plan met de aanwezige detectoren en handbrandmelders en hun positie in de serre/loods
Deze plaats moet veilig toegankelijk zijn voor de brandweer. Dit is hetzij een lokaal in de loods/bij de serre die rechtstreeks toegankelijk is van buiten of zo toegankelijk dat de wanden van de toegang brandwerend uitgevoerd zijn. Dit is EI 60 voor de muren en EI1 30 voor deuren. De loopafstand tot het lokaal is bij voorkeur minder dan 15 meter van de buitentoegang gemeten.

Ofwel kan dit ook een bedieningspost zijn die op een andere manier raadpleegbaar/toegankelijk is: bvb klimaatcomputer die in woning van de bedrijfsleider staat, draadloze systemen waar de klimaatcomputer en de te raadplegen gegevens zichtbaar zijn.
Dit lokaal moet altijd toegankelijk zijn, ook als de bedrijfsleider er niet is. Dit betekent minstens dat als de brandweer ter plaatse aankomt dat ze in contact kunnen komen met de verantwoordelijke of een aangestelde van het gebouw.