Menu

Op welke gronden en hoe?

Terug naar Onderwerp

Wat zijn risicogronden?

Een risicogrond is elke grond waarop een risico-activiteit gevestigd is of was. Enkele voorbeelden uit onze sectoren:

  • opslag van zware stookolie, diesel of lichte stookolie met een gezamenlijke opslagcapaciteit van meer dan 20.000 liter;
  • opslag van meer dan 1 m³ zwavelzuur;
  • werkplaats voor nazicht, herstellen en onderhouden van motorvoertuigen;
  • brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen met meer dan 2 verdeelslangen;
  • installaties voor elektriciteitsproductie (zoals een wkk of gasturbine) met een geïnstalleerd totaal elektrisch vermogen van meer dan 150 kW.

De Vlarebo-lijst deelt inrichtingen op in de categorieën O, A of B:

  • O: inrichtingen waarvoor een oriënterend bodemonderzoek (OBO) moet plaatsvinden bij overdracht, sluiting en faillissement en uiterlijk op 31 januari 2027;
  • A: inrichtingen waarvoor een OBO moet plaatsvinden bij overdracht, sluiting en faillissement, verder om de twintig jaar en uiterlijk op 31 december 2023;
  • B: inrichtingen waarvoor een OBO moet plaatsvinden bij overdracht, sluiting en faillissement, verder om de tien jaar en uiterlijk op 31 december 2021.

De data tegen wanneer minstens een OBO plaatsgevonden moet hebben, werden onlangs in de wetgeving ingeschreven.

Bodemonderzoeken en bodemsanering

In een oriënterend bodemonderzoek (OBO) wordt de bodemtoestand van een grond onderzocht. Een bodemdeskundige neemt hiervoor stalen. Het aantal stalen per bodemonderzoek hangt af van het aantal risicozones, hun grootte en de grootte van het perceel. Indien in het OBO bodemverontreiniging vastgesteld wordt, wordt nagegaan of die al dan niet ‘historisch’ is. Een bodemverontreiniging is ‘historisch’ als de verontreiniging dateert van vóór 29 oktober 1995. Dateert ze van later, dan spreekt men van een ‘nieuwe’ verontreiniging.

Er moet een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) opgesteld worden als er duidelijke aanwijzingen zijn van een ernstige bodemverontreiniging bij een ‘historische’ verontreiniging, of als de bodemsaneringsnormen overschreden zijn bij een ‘nieuwe’ verontreiniging. Het BBO brengt de totale omvang van de verontreiniging in kaart en de deskundige berekent de risico’s van deze verontreiniging op verspreiding, menselijke gezondheid en ecotoxicologie. 

Indien sanering vereist is, wordt hierna een bodemsaneringsproject (BSP) opgesteld. Dit is een rapport dat de efficiëntie, toepasbaarheid, kostprijs, timing en resultaten van mogelijke saneringstechnieken met elkaar vergelijkt. De meest geschikte techniek wordt vastgelegd en de bodemsaneringswerken kunnen starten.