“We werken graag met konijnen en leren elke dag bij”

24 januari 2022
Jos en Wilma Pijnenborg-Jansens hadden een melkveebedrijf in Meerle, maar schakelden eind 2019 om naar konijnen. Ze hebben nog geen spijt van die keuze. Hun 6280 konijnen houden ze in diervriendelijke combiparken. “Het werk is veel meer geautomatiseerd, maar je moet je dieren wel goed opvolgen”, zegt Wilma.

Jos (46) en Wilma (44) baatten een tijd een melkveebedrijf uit in Meerle. Maar dat was oubollig en opteren voor een nieuwe melkveestal zagen ze niet zitten. “Je moet dan ook investeren in (dure) extra grond en in essentiële machines”, vertelt Wilma. “Het liefst wilden we met dieren blijven werken. Samen met een boekhouder en een medewerker van Boeren op een Kruispunt bekeken we de mogelijkheden. In 2017 lazen we een reportage over konijnenhouderij in Nest en dat leek ons wel wat. We spraken met specialisten en bezochten Nederlandse en Belgische konijnenbedrijven. Jos deed ook wat ervaring op bij een paar konijnenbedrijven. In oktober 2019 zijn we gestart met de bouw van de stal. Op 11 maart 2020 arriveerden de eerste voedsters, vlak voor de coronalockdown.”

Aandacht voor dierenwelzijn

Jos en Wilma houden zo’n 6280 konijnen, waarvan 680 voedsters (moederkonijnen) en 5600 vleeskonijnen. Er zijn 192 hokken voorzien voor opfok en niet-drachtige voedsters. Bij de inrichting van de stal opteerde het koppel voor zoveel mogelijk dierenwelzijn. “We kozen voor de nieuwste combiparken van Meneghin, die voldoen aan de Belgische regelgeving voor huisvesting van konijnen”, zegt Jos. “We opteerden voor hokken van 46 cm breedte, waardoor de voedsters 6591 cm² ter beschikking hebben, iets meer dan de vereiste 6000 cm². We passen het all in all out-principe toe. Zodra de vleeskonijnen naar de slachterij zijn gebracht, wordt de stal grondig gereinigd en ontsmet. Daarna worden de babykonijnen gespeend. Dit doen we door de voedsters naar de propere stal te brengen. Omdat de babykonijnen kunnen blijven zitten, ervaren ze minder stress bij het spenen. De combiparken worden op dat moment omgebouwd naar ‘gewone’ parken.”

Een andere bewuste keuze in het kader van dierenwelzijn is dat er een lichtstraat in de zijgevels van de stal werd aangebracht om de konijnen daglicht te bieden. “Nadelen hiervan zijn de verhoogde kans op agressie bij vleeskonijnen en het feit dat je ten tijde van inseminatie iets minder kunt sturen op licht”, zegt Jos. “Verder hebben we babyparken voorzien. Na 21 dagen zijn de babykonijnen oud genoeg om uit het nest te komen en zelf speenvoer op te nemen. We zetten de tussenschotten tussen de voedsters dan 6 à 7 cm omhoog, zodat de babykonijnen bij elkaar kunnen komen. Bijkomend voorzien we babyvoerbakken, zodat ze ook apart op maat gemaakt voer kunnen opnemen. Dat zorgt voor een betere gezondheid en het beter aanhouden van gewicht bij de speenkonijnen en de voedster. De vleeskonijnen krijgen één keer per dag een beperkt voederrantsoen. Mede om de dikkebuikenziekte te vermijden, kiezen we ervoor om ze op voergewicht te sturen. We trachten de stal op een constante temperatuur van 20 à 21°C te houden, onder meer via een padkoeling in de zomer. Verder is er een ruime luchtruimte voorzien, om zoveel mogelijk verse lucht in de stal te brengen.”

Hygiëne essentieel

Jos vind je bijna de hele dag in de stal: controles, inenten, hokken ombouwen, nesten verschonen … Wilma werkt vier vijfde van de tijd buitenshuis, maar springt bij in drukke periodes, zoals bij het werpen, insemineren en verzetten van de konijnen. Elke morgen helpt ze ook bij de controle van de voedsters. “Het werk is veel meer geautomatiseerd dan op het melkveebedrijf”, stelt ze. “Maar als er iets mis is met de voercomputer of voervijzel, hebben de konijnen geen voer. Dus moet je je dieren goed opvolgen”, lacht Wilma. Een strikte bedrijfshygiëne is superbelangrijk om ziektes te vermijden. “Niemand mag zomaar in de stal. Hij of zij moet eerst de handen wassen en bedrijfskledij dragen. Er is een douche voorzien in de stal. Bij tellen van de konijntjes en het ‘voelen’ van de voedsters ontsmetten we regelmatig onze handen en dragen we handschoenen.”

Afzet via coöperatie

De afzet verloopt via afzetcoöperatie Den Demer uit Zuid-Nederland, die een vijftiental actieve konijnenhouders telt. “Via de coöperatie gaan onze konijnen naar slachterij Van Assche in Deinze”, zegt Wilma. “Den Demer zorgt voor de prijsonderhandelingen met de best mogelijke randvoorwaarden. Bijkomend voordeel is dat we zo vlugger contact hebben met andere konijnenhouders, waar we met eventuele problemen terechtkunnen. We zijn goed onthaald in de sector. Die is nog steeds op zoek naar nieuwe konijnenhouders, om de afzet van Belgisch gekweekte konijnen te kunnen blijven verzekeren.”

Prijsvorming

Jos en Wilma klagen niet over de slachtprijs van de vleeskonijnen. “Maar de voerprijs steeg in anderhalf jaar met liefst vier eurocent”, zegt Jos. “De slachtprijs volgt de kostprijs niet. Het zou mooi zijn als de prijs die we krijgen vasthangt aan indicatoren zoals de voerprijs. Maar daar houdt de retail geen rekening mee. Verder is het jammer dat de consument in de winkel niet in een oogopslag kan zien of producten volgens de Belgische regelgeving zijn geproduceerd. Dat maakt een wereld van verschil in de kostprijs. Als dat duidelijk wordt aangeduid (bij de prijsaanduiding boven de producten), zou dat de ogen van een aantal consumenten wel openen.”

Voor- en nadelen

Jos en Wilma zijn ‘groentjes’ in een kleine sector en komen niet uit een intensieve veeteelt. Dat speelde hen wel parten. Zo is het ventilatieverhaal in de stal een moeilijk item voor hen. Verder zijn bepaalde diergeneesmiddelen effectief, maar kunnen ze ze niet gebruiken omdat ze niet getest zijn op konijnen. “Maar we werken heel graag met de dieren. En ondanks het feit dat het een kleine sector is, kun je bij iedereen met vragen of problemen terecht. We leren nog elke dag bij”, besluit Wilma.