Menu

We hebben een logistiek verzamelpunt nodig

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Thema: 
De sector niet-eetbare tuinbouwproducten (sierteelt) wordt vaak bekeken als een buitenbeentje, maar toch ziet voorzitter Filip Goossens heel wat parallellen met de andere sectoren in de land- en tuinbouw. We spraken met hem en met Pieter Van Oost, secretaris van AVBS, dé sierteelt- en groenfederatie, over hun beleidsprioriteiten.

Patrick Dieleman

Terwijl we praten over de situatie in de sector, snijdt Filip spontaan het eerste actiepunt aan: de commercialisatie van sierteeltproducten: “Er is een concentratiebeweging aan de gang. De kleine, artisanale klanten verdwijnen. Een steeds groter deel van de omzet loopt via de grootdistributie. Die concentratie maakt dat de macht van de kopers toeneemt. Bovendien is de markt veel transparanter geworden door de digitalisering. Alles is herkenbaar, de taalbarrières zijn weg en ook de grenzen. Iedereen vindt alles. Iedereen vindt iedereen. En hoe transparanter de markt, hoe groter de prijsdruk. Een derde aspect is dat men steeds meer just in time koopt. Onze afnemers slaan niets meer op. Zo elimineren ze het risico op het verlies van planten, op een prijsdaling en op parallelimport nadien.” Met dat laatste doelt hij op de invoer van bloeiende azalea’s en op het feit dat een groene azalea met een diameter van 25 cm er eentje van 30 cm wordt wanneer ze bloeit. Dat maakt ze schijnbaar goedkoper.

Filip werkt nog steeds met de klanten van vroeger, maar biedt ze veel meer informatie. De prijslijsten worden nu vergezeld van beeldmateriaal en ze werden uitgebreid met allerlei producten die zijn klanten nodig zouden kunnen hebben. Meteen legt Filip ook de vinger op een van de problemen in de sector: de logistiek. “Doordat het zwaartepunt van de sierteeltsector zich verlegd heeft van het Gentse naar Lochristi, zitten wij en enkele collega’s wat buiten het centrum. Voor telers zijn de vervoerkosten te groot om met een kleine hoeveelheid naar hier te komen. Het bijkomende transport vergt ook extra tijd, wat het leveren iets kan vertragen. Het probleem is dat mensen die iets kopen via het internet dat ’s anderendaags geleverd willen hebben.”

Een slim en digitaal logistiek platform moet daar verbetering in brengen?

Filip: “We hebben een verzamelpunt nodig waaruit alles vertrekt. Transporteurs komen niet meer naar je bedrijf voor minder dan drie à vier karren.” (De term ‘kar’ slaat op ‘Deense containers’, de gestandaardiseerde metalen rekken op wielen waarmee de meeste sierplanten verhandeld worden.) “Als je dan net geleverd hebt en onderweg naar huis er nog een bestelling bijkrijgt, moet je nog eens rijden. Continu heen en weer rijden met kleine bestellingen kost tijd en geld. Ook de hoeveelheden zijn aan het verkleinen. Ik probeer nu minimaal één ‘laag’ te verkopen.” (Een laag is één rek van een Deense container.) Zo’n twintig jaar geleden werd al eens gepoogd om een logistiek platform op te richten, maar dat initiatief is mislukt.”

Pieter: “Sinds de tijd dat de coöperatie Sierteeltplatform Vlaanderen mislukt is, is de situatie sterk gewijzigd. Door de digitalisering dreigen ook Vlaamse exporteurs en transportbedrijven de boot te missen. We voelen dat ze een systeem zoeken om niet 100% afhankelijk te zijn van Nederland. We denken aan een systeem in de ‘cloud’, met deels publieke en deels afgeschermde informatie. Transporteurs zouden dan kunnen zien waar er overal vraag is naar transport en in welke hoeveelheden (karren en/of lagen) en hun ronde optimaal kunnen organiseren. De Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij (POM) Oost-Vlaanderen heeft al een eerste studie uitgevoerd om de logistieke stromen te inventariseren. Dat zoiets werkt, merken we aan 2 kleine initiatieven van telers in West-Vlaanderen. Die hebben een eenvoudig digitaal systeem en brengen alles samen op 1 bedrijf. Als ze 20 karren hebben zakken de kosten voor het transport van de regio Roeselare naar Lochristi van ongeveer 75 euro naar minder dan 16 euro per kar. Maar het zal nog wat tijd vergen om iets dergelijks uit te breiden naar de rest van de sector.”

Jullie willen de kennis van bedrijfsleider over hun eigen cijfers verhogen. Maar de meeste sierteeltbedrijven hebben heel veel verschillende producten.

Filip: “Je mag dus niet in detail gaan bij de kostprijsberekening, omdat je er anders niet meer aan uit geraakt. Als jouw kostprijs zou kunnen dienen als basis voor je verkoopprijs, zou iedereen aan kostprijsberekening doen. Nu zien mensen het nut niet van te weten dat een azalea hen 1,90 euro kost, wanneer ze hem nadien tegen een veel lagere prijs moeten verkopen. Veel telers zijn prijsnemers in plaats van prijszetters, zeker als het over azalea’s gaat.”

Pieter: “Dit beeld mag je wel niet veralgemenen. Ik denk zelfs dat het in bijna alle andere sectoren zou moeten lukken. De azalea staat vandaag het meest van al onder druk. Het Proefcentrum voor de Sierteelt (PCS) zal bedrijven begeleiden bij het berekenen van hun kostprijs. De middelen die de overheid vroeger uittrok voor het Vlaams Milieuplan voor de Sierteelt (VMS), om rond duurzame teelt te werken, verschuiven naar het PCS. Dat zal in overleg met ons werken rond kostprijsberekening, gewasbeschermingsmiddelen en certificering (Vegaplan). Tot nu toe waren er vooral individuele gesprekken met telers, maar het is de bedoeling om te evolueren naar kleine groepjes van telers, die samen hun resultaten bespreken. We zien dat zulke bedrijfsleiderskringen wel werken in andere sectoren, bijvoorbeeld in de melkveehouderij. Voor sommige teelten zou dat zeker perfect kunnen, maar de vraag is of die telers bereid zijn om het te doen. De openheid is een drempel. Daarbij speelt dat wij onze producten zelf verkopen.”

Vestiging van glastuinbouwbedrijven is een ander actiepunt.

Filip: “Er zijn zeer veel plaatsen waar geen glastuinbouw kan komen. Omgekeerd is het totaal onduidelijk wanneer het wel kan. Onze sector kent weinig starters, maar heel wat bedrijven willen uitbreiden. Er is geen enkel bedrijf dat kant-en-klaar gebouwd wordt en dan heel de carrière van de sierteler onveranderd blijft. Dat was de achillespees van de glastuinbouwclusters, waarin de bedrijven te dicht bij elkaar zitten. Buren zetten elkaar vast in hun groei.”

Pieter: “Ook het aanleggen van containervelden (een verharde, niet-waterdoorlatende structuur waarop men in potten teelt) stuit op heel wat problemen. De bezwaren nu zijn het storen van het landschappelijk uitzicht, de opgelegde archeologienota en het risico op wateroverlast. Het toetsingskader voor het inplanten van glastuinbouwbedrijven dat een jaar of vijftien geleden ingevoerd werd, heeft in zoverre gewerkt dat het wat onderhandelingsruimte schiep. Het is een handig instrument voor overleg met een ambtenaar, maar als je geconfronteerd wordt met omwonenden wordt dat lastig, zeker als er een buurtcomité bij te pas komt.”

Filip: “Ook de verduurzaming van de sector loopt hiermee samen. Er zijn veel oudere serres. Wie nieuwe technieken wilt introduceren, heeft vaak nieuwe serres nodig. De laatste jaren zijn bijvoorbeeld de poothoogtes van de serres toegenomen, om een beter kasklimaat te creëren en gemakkelijker met schermen en veiliger met machines te werken. Maar met de huidige rendementen hebben veel bedrijven met een verouderde glasopstand niet de middelen om hun bedrijf te verplaatsen en elders nieuw te beginnen. In principe moet je serre na twintig jaar afgeschreven zijn en zou je dan over een spaarpot beschikken om een nieuwe te bouwen.”

Jullie willen dat publieke en private lastenboeken over duurzaamheid samenwerken?

Filip: “We willen vooral de sector beschermen tegen een wildgroei van lastenboeken. We willen een standaardlastenboek voor het gros van de sierteeltbedrijven. Daarom schuiven we de Vegaplanstandaard voor sierteelt naar voren. Als je die volgt, leef je alle wettelijke verplichtingen na. Als je ervoor kiest om iets extra’s te doen, willen we dat dit gecontroleerd kan worden in dezelfde audit. Een controleur kan gemakkelijk meerdere lastenboeken tegelijk controleren, maar nu gebeurt dat niet. Het is ook spijtig dat het nooit gelukt is om een instrument te ontwikkelen waarin je alles registreert en waaruit je allerhande rapporten kunt genereren, afhankelijk van wie ze nodig heeft. Eén gemeenschappelijk instrument zou ook bevorderen dat iedereen op dezelfde manier registreert. Nu worden er allerlei applicaties gebruikt en we missen consistentie. Misschien moeten we met de mensen in Leuven eens bekijken of Focus daarvoor kan dienen?”

Een volgende actiepunt is het zoeken naar een draagvlak voor een betaalbaar plantenfonds, dat telers helpt omgaan met risico’s met betrekking tot plantengezondheid, klimaat en handel en dat rekening houdt met de diversiteit van de sector. Mijn beide gesprekspartners vertellen me dat zo’n draagvlak er vandaag niet is.

Topprioriteiten van de vakgroep Sierteelt

  • Een slim logistiek en digitaal platform ontwikkelen
  • De kennis over bedrijfseigen cijfers verhogen en data op sectorniveau beschikbaar maken
  • Een degelijk tuinbouwbeleid uitbouwen, met een kansrijke ruimtelijke ordening
  • Publieke en private lastenboeken over duurzaamheid laten samenwerken
  • Export buiten de EU, inclusief fytosanitaire maatregelen, ondersteunen
  • Een betaalbaar plantenfonds oprichten, dat rekening houdt met de diversiteit van de sector
Deel deze pagina: 

Meer informatie

Thema: 
Sector: