Menu

Vogelgriep onder de loep

Terug naar Actualiteit
De uitbraak van laagpathogene vogelgroep, ook aviaire influenza genoemd, was het meest actuele thema dat aan bod kwam tijdens de jaarlijkse studiedag van het Proefbedrijf Pluimveehouderij van de provincie Antwerpen.

Jolien De Reu, landbouwconsulent Boerenbond

Het Proefbedrijf Pluimveehouderij van de provincie Antwerpen kon voor haar jaarlijkse studiedag voor de legsector niet om het meest actuele thema heen: de uitbraak van laagpathogene vogelgriep – ook aviaire influenza (AI) genoemd – in de eerste helft van dit jaar. Twee pluimveedierenartsen namen de uitbraak onder de loep.

Philippe Gelaude, pluimveedierenarts bij DGZ, startte zijn verhaal bij de samenstelling van het vogelgriepvirus. Je kunt je het virus voorstellen als een bol met een vetlaagje, waarop eiwitten vastzitten. Binnen in de bol zit het genetisch materiaal van het virus. De eiwitten bepalen de naamgeving van het virus. De uitbraak die plaatsvond in het voorjaar en de zomer van 2019 in Vlaanderen werd veroorzaakt door het vogelgriepvirus van het type H3N1. Philippe legde uit dat er twee zaken met een virus kunnen gebeuren: drift of shift. Drift is een puntmutatie van het genetische materiaal, waardoor een virus bijvoorbeeld virulenter kan worden. Bij een shift gebeurt er een hergroepering of recombinatie van bouwstenen tussen twee types virussen. Dit laatste komt vaak voor in de broedzone in Azië. Heel wat trekvogels troepen daar samen in de broedperiode en verspreiden virussen als ze opnieuw gaan trekken. Het verschil tussen een laag- en een hoogpathogeen virus is in welke organen het virus zich kan vermenigvuldigen. Normaal kan een laagpathogeen virus zich enkel vermenigvuldigen in de luchtwegen en de darmen van de kip, terwijl het hoogpathogeen virus zich in alle organen kan vermenigvuldigen. Er is een wetenschappelijk protocol vastgelegd op internationaal niveau om het onderscheid te maken tussen een laag- en hoogpathogeen vogelgriepvirus. Hierbij worden zes tot acht weken oude kuikens intraveneus geïnfecteerd met het virus. Ze worden nadien gedurende tien dagen geobserveerd en er wordt een score tussen 0 en 2 toegekend. Bij score 0 zijn er geen symptomen, bij score 2 zijn de dieren dood binnen 24 uur. Als de gemiddelde score boven 1,2 ligt, wordt het virus als hoogpathogeen beschouwd. Ligt de score lager, dan beschouwt men dit als een laagpathogeen virus. Het virus dat voor de uitbraak zorgde, werd op twee tijdstippen geïsoleerd en kreeg volgens dit protocol een score 0,18 begin april en 0,26 eind mei.

Uitbraak in West- en Oost-Vlaanderen

In januari 2019 werd er op een scharrelhennenbedrijf met buitenbeloop een chronische, licht verhoogde sterfte opgemerkt in één stal. Dit probleem werd onderzocht en er kwamen zowel bacteriële als virale oorzaken aan het licht, waaronder het laagpathogene H3N1-virus. Na twee weken herstelde de situatie zich. Er werden geen bijkomende maatregelen genomen. De Europese wetgeving bepaalt immers dat er enkel een eradicatiebeleid[JVB1]  (uitroeibeleid) geldt voor de types H5 of H7. Begin april was er in een andere stal op ditzelfde bedrijf een plotse, drastische verandering van het klinische beeld: de dagelijkse sterfte steeg enorm, van 50 naar meer dan 800 dieren. Het H3N1-virus heeft gedurende drie maanden gecirculeerd op het bedrijf. In die periode heeft het zich aangepast aan de kip als gastheer. Er werd massale virusuitscheiding vastgesteld. Enkele dagen later werd er op een ander, vlakbij gelegen bedrijf melding gedaan van verhoogde sterfte bij leggende dieren. Pluimveedierenarts Thomas Depoortere van dierenartspraktijk Degudap schetste het verloop van de ziekte op een bedrijf. De eerste zeven dagen na de besmetting loopt de sterfte exponentieel op. Vanaf dag 2 zijn er beginnende symptomen van algemeen zieke dieren in de stal. Vanaf dag 3 verminderde de eetlust, was er platte mest en verzwakte de schaalkwaliteit. Vanaf dag 4 verminderde de voeropname met 50%. Na anderhalve week waren er dagelijks enkele hennen die de kop scheef hielden, wat wijst op schade aan het zenuwstelsel en/of evenwichtsorgaan. Na twee weken nam de sterfte opnieuw af, maar de dieren kwamen niet opnieuw in de leg. De virusuitscheiding duurde een kleine drie weken. Oorspronkelijk dacht men dat deze symptomen enkel konden worden veroorzaakt door het laagpathogeen virus in combinatie met een cofactor, zoals bijvoorbeeld ILT (infectieuze larynchotracheïtis) of IB (infectieuze bronchitis). Er werden echter geen cofactoren gevonden die op alle bedrijven terugkwamen. Later toonde de Nederlandse Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) aan dat het H3N1-virus zonder cofactoren de symptomen kan veroorzaken bij leggende dieren. In totaal werden er 82 bedrijven besmet met H3N1.

(lees verder onder de infografiek)

Autogeen vaccin

Tijdens de crisis ontwikkelden enkele farmaceutische bedrijven, waaronder Poulpharm, een autogeen vaccin. Hiervoor werd het virus geïsoleerd op besmette bedrijven. Het werd opgekweekt in broedeieren en nadien afgedood. Het vaccin bevat naast het afgedode virus ook nog toevoegmiddelen die het immuunsysteem stimuleren. Het voordeel aan een autogeen vaccin is dat het heel snel kan worden ontwikkeld;. in drie weken was het klaar. De vaccinatie reduceert het risico op aanslaan van de infectie na contact met het virus. Intussen werden er in totaal 650.000 stuks pluimvee (leghennen, moederdieren en kalkoenen) gevaccineerd. Volgens Thomas Depoortere wordt de ziekteproblematiek op geïnfecteerde bedrijven door het vaccin gereduceerd, doordat er minder virus wordt uitgescheiden. Een nadeel is de hoge kostprijs van het vaccin. Er is ook geen garantie over de doeltreffendheid, vermits het uitwerken van een ideale dosering en vaccinatieschema tijd vraagt. De doeltreffendheid werd intussen getest in een proefopzet. Daaruit blijkt dat het vaccin veilig en efficiënt is. Geënte dieren kunnen worden onderscheiden van besmette dieren via qPCR (laboratoriumtechniek op basis van de polymerasekettingreactie), maar niet via serologie (analyse van antilichamen).

H3-stam heeft zware impact op de pluimveesector

Wouter Wytynck, adviseur Dierlijke Veredeling Studiedienst Boerenbond: "De laagpathogene H3-stam heeft voor veel schade gezorgd op de getroffen pluimveebedrijven. Doordat dit Europees beschouwd wordt als een niet-bestrijdingsplichtige ziekte duurde het te lang vooraleer er een gecoördineerde bestrijding werd opgestart. Ondertussen had het virus zich snel verspreid en uiteindelijk zijn er 82 bedrijven besmet. Dankzij de extra bioveiligheidsmaatregelen werd voorkomen dat het virus oversloeg naar andere gebieden. Ook op financieel vlak heeft het virus tot veel ravage en frustratie geleid. Het ontbreken van een federaal vergoedingenkader en de Europese regelgeving zorgden ervoor dat de bedrijven slechts ten dele gecompenseerd kunnen worden voor het verlies. Frustrerend is dat de middelen uit het sanitair fonds, die zijn samengebracht door de sector zelf, niet kunnen worden ingezet als een nieuwe sectorbedreigende ziekte de kop opsteekt. Het is dus belangrijk dat toekomstgericht middelen kunnen worden bijeengebracht die direct inzetbaar zijn."

Meer informatie