Menu

Voederefficiëntie is bepalend

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Thema: 
Voederefficiëntie is een belangrijke technische maar ook een economische parameter op het moderne varkensbedrijf. 75 tot 85% van de variabele kosten bestaan uit aankoop van voeder. Het spreekt dan ook voor zich dat een moderne varkenshouder een duidelijke kijk moet hebben op zijn voederkost.

David Deheyder, landbouwconsulent Boerenbond

In de praktijk zien we toch nog vaak dat hier minder aandacht aan wordt besteed. Hierbij denken we dan aan verouderde installaties (voerbakken, voerlijn) waarbij vermorsing een verdoken factor kan zijn. Ook gezondheid, genetica en aflevergewicht hebben een grote invloed op de voederefficiëntie.

Zeugen en biggen

We registreren de laatste jaren een stijging van het voederverbruik per zeug. Dat is logisch, want dit gaat samen met een sterke stijging van het productiegetal. Om een zeug gezond en vooral in de juiste conditie te houden, moet je bij een productiestijging ook meer voederen. Zeugen kunnen maar topprestaties leveren als ze in topconditie zijn. Het is beter om in die situatie te kijken hoeveel zeugenvoer er wordt verbruikt per geproduceerde big. Het spreekt voor zich dat als een bedrijf productiegetallen draait boven 30 biggen, hier voldoende en kwaliteitsvol voer voor nodig is. Bij 1250 kg per zeug en een productiegetal van 30 betekent dit 41,4 kg voeder per geproduceerde big. In de focus-boekhoudingen zien we dat bedrijven die hogere productiegetallen draaien zich meestal in de range tussen 38 en 43 kg per geproduceerde big bevinden.

Biggen

Voor biggen is het van groot belang om de batterijperiode gezond en groeizaam door te komen. Jeugdgroei is bij vleesvarkens van zeer grote waarde voor de latere technische prestaties. Vooral het speengewicht is van wezenlijk belang. De batterijperiode duurt doorgaans 6 tot 7 weken. Zo zal een big met een speengewicht van 7 kg en een gemiddelde groei van 350 g per dag na 42 dagen 21,7 kg wegen. Eenzelfde big, maar met een iets sterkere groei (400 g per dag), zal het gewicht van 21,7 kg een vijftal dagen eerder bereiken. De voederconversie (VC) bij biggen is laag (1,8). Ze gaan dus zeer efficiënt om met de hun aangeboden nutriënten. Investeren in kwaliteitsvol biggenvoeder zonder dat de kilo’s de pan uit rijzen, is nooit een verkeerd idee.

Op 75% van de praktijkbedrijven zien we echter dat door de gestegen productiecijfers bij de zeugen ook de hokdensiteit in de batterijperiode oploopt. Overbevolking leidt tot mindere technische prestaties en sanitaire problemen. De jeugdgroei van vleesvarkens is van zeer groot belang en een te hoge hokdensiteit in de batterijperiode is hiervoor nefast.

De genetica in de zeugenhouderij focust zich de laatste jaren behalve op productieparameters ook op voederefficiëntie. We stellen vast dat zeugenhouders die in hun geneticakeuze ook rekening houden met voederconversie als selectieparameter de afgelopen tijd nog forse stappen vooruit hebben kunnen zetten (naar een lagere VC dus).

Vleesvarkens

De voederkost is ook uitermate belangrijk binnen de vleesvarkensproductie. Bij gesloten bedrijven is de voederkost verantwoordelijk voor 82% van de variabele kosten en 71,5% van de totale kosten. Voor een vleesvarkensbedrijf met opzet vanaf 20kg loopt dit zelfs op tot bijna 90% van de variabele kost en 79% van de totale kost.

Bij de aankoop van een voeder moet je niet enkel naar de kostprijs van het voeder kijken, maar moet je ook rekening houden met het energiegehalte. Een hoog energiegehalte betekent doorgaans een betere (= een lagere) VC, een snellere groei en een beter uitgegroeid karkas, dat in het slachthuis dan weer meer opbrengt. De voederconversie is afhankelijk van gewicht bij opzet, aflevergewicht, de mate van vermorsing, de gebruikte genetica, de sanitaire maatregelen op het bedrijf en het al dan niet voorkomen van ziektes. Denk bij dat laatste bijvoorbeeld aan de darmwandontsteking PIA die leidt tot een slechtere nutriëntenopname. Sanitaire maatregelen vergen extra inspanningen van de varkenshouder. De praktijk heeft inmiddels aangetoond dat dit zijn vruchten afwerpt.

Op het gesloten bedrijf hebben de vleesvarkens de grootste invloed op saldo en arbeidsinkomen. Technische parameters als groei, gezondheid, % uitval maar vooral VC hebben hier een groot aandeel in. Als je als varkenshouder even berekent hoeveel varkens je kan afleveren per jaar is het snel duidelijk dat VC een zeer belangrijke technische parameter is, met een grote invloed op het bedrijfseconomisch resultaat.

Bijvoorbeeld: 1500 vleesvarkensplaatsen met 2,7 rondes per jaar en met een saldoverschil van 12 euro, maakt op het einde van het jaar een verschil van net geen 50.000 euro!

Focussen op voederconversie en zorgen dat alle aangekochte nutriënten effectief door de vleesvarkens worden omgezet, is uitermate lonend. Voervermorsing is hierbij uiteraard uit den boze. Heb je verouderde installaties of voederbakken die aanleiding geven tot vermorsen, dan kan investeren in vernieuwing zeer lonend zijn en ook snel worden terugverdiend. Als op een varkensbedrijf met 2000 plaatsen de VC met 0,1 kg daalt, wordt per aanwezige plaats 28 kg minder voer verbruikt. Kort door de bocht komt dit op jaarbasis overeen met twee bulkwagens minder voer!

Ook milieutechnisch is een lage VC van belang, aangezien de productie van N en P205 sterk wordt beïnvloed door de opname en vooral benutting van deze nutriënten in het voeder. Wat niet wordt geproduceerd, moet ook niet worden afgezet.

Hokdensiteit

Hokdensiteit wordt (voorlopig) zelden als kengetal gehanteerd, maar het is toch belangrijk binnen de productie van vleesvarkens. Dit kengetal hangt namelijk nauw samen met de zoötechnische prestaties, het voorkomen van gedragsproblemen (oor- en staartbijten), het stalklimaat en de gezondheid (ziektedruk) van de varkens. Velen streven vanuit directe economische overwegingen naar een maximaal toegelaten hokdensiteit, maar recente onderzoeken suggereren dat een lagere hokdensiteit in een betere groei en ook een betere VC resulteert.

Wettelijk gezien moeten varkens van 85 tot 110 kg de beschikking hebben over 0,65 m² per dier. Onderzoek tijdens de afgelopen jaren heeft uitgewezen dat een grotere oppervlakte per dier aangewezen is, willen de groei en VC optimaal zijn. Daarbij worden oppervlaktes van 0,83 m² per dier als optimaal naar voren geschoven.

Vermorsing vermijden

Vermorsing is vaak een verdoken kost. Een goede voerbak met correcte afstelling is een absolute must. In de praktijk is die niet overal voorhanden. Vermorsing is meestal wel vast te stellen, maar moeilijker te kwantificeren. Neem eens een zaklamp en kijk eens onder de roosters!

Als een varken per dag 50 g voeder vermorst, en er 12 varkens aan diezelfde bak vreten, gaat er dagelijks 0,6 kg voer verloren. Dat is 77 kg per afmestronde. Aan 250 euro/ton komt dit neer op 19,25 euro per bak per ronde. Met andere woorden, een moeilijk af te stellen en versleten voerbak wordt liever vroeg dan laat vervangen. Een goede praktische vuistregel is dat twee derde van de onderkant van de bak altijd zichtbaar moet zijn. De afstelling van de bakken is in de praktijk eerder te ruim dan te nauw. Ook dagelijkse controle van de opname is hier zeer belangrijk.

Deel deze pagina: 

Meer informatie

Thema: 
Sector: