Menu

Vlaams landbouwbeleid enkele maanden voor de verkiezingen

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 
Samenwerking is een sleutelwoord voor de nieuwe Vlaamse minister voor Omgeving, Natuur en Landbouw: “Er is geen landbouwer die niet inzit met het milieu. Er is geen ondernemer die het klimaat niet belangrijk vindt. Er is geen natuurliefhebber die jobs niet belangrijk vindt. Ik wil hen allemaal achter één verhaal brengen en ik ben ervan overtuigd dat dit kan.”

Jacques Van Outryve

Koen Van den Heuvel ging er tot begin vorige maand nog van uit dat hij deze legislatuur zou uitdoen als CD&V-fractievoorzitter in het Vlaams Parlement. Van den Heuvel is, naast Vlaams Parlementslid, al enige tijd burgemeester van de landelijke gemeente Puurs. Zeg wel niet langer Puurs maar Puurs-Sint-Amands, want beide gemeentes zijn zopas vrijwillig gefuseerd. De streek wordt ook Klein Brabant genoemd en is bekend voor haar groenten. Het jaarlijkse aspergefestival verwijst nog naar een roemrijk aspergeverleden met de ‘Asperge de Calfort’. Koen Van den Heuvel is sinds vorige maand minister van Omgeving, Milieu en Landbouw, in opvolging van zijn partijgenote Joke Schauvliege. Gezien de omstandigheden voegt hij er graag ‘Klimaat’ aan toe. Wij vroegen naar de beleidsintenties van de nieuwe Vlaamse landbouwminister, want er rest hem slechts weinig tijd tot de verkiezingen van 26 mei.

Koen Van den Heuvel noemt zijn ministerpost een fantastische uitdaging. Met omgeving, milieu, klimaat en landbouw heb je heel wat sleutels in handen om de levenskwaliteit in Vlaanderen toekomstgericht te verbeteren. Hij vernoemt de landbouw in het bijzonder.

Een klassieke vraag: in hoeverre ben je vertrouwd met landbouw?

“Ik ben ruim twintig jaar burgemeester van een landelijke gemeente. De meerwaarde van landbouw voor het beheer van onze open ruimte en de zorgen waarmee landbouwers kampen, zijn niet nieuw voor mij. Als fractievoorzitter in het Vlaams Parlement had ik trouwens een goed overzicht van alle lopende besluitvorming, ook met betrekking tot landbouw. Ik noem mezelf geen expert, maar ik weet wel degelijk waar ‘het kalf gebonden ligt.’ Op mijn kabinet ben ik trouwens goed omringd door mensen die de landbouwsector door en door kennen. Ook al is de periode tot de parlementsverkiezingen kort, ik wil van die tijd gebruik maken om nog meer voeling te krijgen met de sector via bezoeken aan bedrijven en onderzoeksinstellingen.”

De combinatie van politieke bevoegdheden zoals landbouw én natuur wordt door sommigen problematisch genoemd. Wat vindt u?

“ De Vlaamse land- en tuinbouw is een belangrijke economische pijler van ons land. Het gaat om ruim 23.000 landbouwbedrijven, meer dan 610.000 ha landbouwgebied, een eindproductiewaarde van 5,4 miljard euro en een aandeel van 12% in alles wat België exporteert. Dat zijn duizelingwekkende cijfers, die je niet zomaar kunt negeren. Ze tonen ook aan dat onze land- en tuinbouwers sterke ondernemers zijn.

Jammer genoeg is net dat economische aspect vaak de reden om allerhande tegenstellingen tussen landbouw en natuur uit te vergroten. Nochtans heeft een landbouwer puur vanuit economisch oogpunt een extra belang in een gezonde groene ruimte. Ik ken trouwens geen enkele landbouwer die geen hart heeft voor onze natuur. Onze landbouwers zijn net partners in natuurbeheer en ze kunnen dat nog meer worden. Landbouw en natuur zijn dus geen tegenstellingen, integendeel! Met gezond verstand en aanhoudende innovatie zijn ze perfect verzoenbaar.”

Ik ken geen landbouwer die geen hart heeft voor onze natuur.

Koen Van den Heuvel, Vlaams minister van Landbouw

Er resten u slechts een paar maanden tot de verkiezingen. Wat kan of zal u nog verwezenlijken? De brede weersverzekering …

“Meerdere dossiers staan op een zucht van hun parlementaire afronding, onder meer de brede weersverzekering. Landbouwers zijn ondernemers en ondernemen houdt risico’s in, dat weet iedereen. Om die risico’s te beperken ondersteunt Vlaanderen onze bedrijven met gratis bedrijfsadvies (Kratos), VLIF-investeringssteun voor klimaatadaptatie en diversificatie … Maar zelfs bedrijven die top zijn op het vlak van risicobeheer, ontkomen niet aan tegenslagen. Je kunt je nu eenmaal niet altijd wapenen tegen natuurfenomenen.”

We hadden het Rampenfonds.

“Juist, zulke risico’s werden tot nu toe deels gedekt via het Rampenfonds. Alleen is dat een noodfonds, dat slechts een erg beperkt deel van de opgelopen schade dekt. Door alle administratieve rompslomp moeten de getroffenen vaak twee tot drie jaar wachten op een eventuele vergoeding. Daarom is geopteerd voor een ‘brede weersverzekering’, zoals die in het buitenland al gehanteerd wordt. In dat systeem verzekeren onze land- en tuinbouwers zich via een klassieke bankverzekeraar, of via onderlinge verzekeringen die ze zelf opzetten. Vlaanderen zal zo’n systeem vanaf 2020 voor 65% subsidiëren. Het Rampenfonds blijft nog tegemoetkomingen geven tot eind 2024. Op die manier verzekeren we een vlotte overgang en geven we landbouwers de tijd om hun volledige areaal te verzekeren.”

Wat met MAP 6 en de bijbehorende derogatie?

“We moeten niet flauw doen. We zijn er nog niet als het op de kwaliteit van ons grond- en oppervlaktewater aankomt. Er is duidelijk een gunstig effect van de maatregelen die tot nu toe genomen werden, maar op nog te veel meetplaatsen overstijgen de nitraatconcentraties de toegestane norm significant. Daarom is het cruciaal dat MAP 6 zo snel mogelijk wordt omgezet in Vlaamse regelgeving. We hebben de instrumenten die daarin vervat zitten nodig voor een trendbreuk in de stagnerende waterkwaliteit. MAP 6 is ook nodig om onze land- en tuinbouwers de nodige rechtszekerheid te geven voor hun bedrijfsvoering. Er moet snel duidelijkheid komen inzake bemesting, teeltmanagement en eventueel toegestane afwijkingen via de derogatie.

Gelukkig staan we al een heel ver. De onderhandelingen met de Europese Commissie over het ontwerp van actieprogramma leverden een principieel akkoord op. Het openbaar onderzoek is afgerond en het derogatieverzoek is ingediend. Het is mijn bedoeling om de komende weken ook het laatste stuk van de puzzel te leggen, namelijk een politiek akkoord over de wijziging van het Mestdecreet.”

Klimaatopwarming lijkt te behoren tot de politieke waan van de dag, maar het gaat om meer. We zijn ons wel degelijk bewust van de ernst. Landbouw heeft in het verleden zijn steentje bijgedragen aan de oplossing van het klimaatprobleem en wil dat in de toekomst ook verder doen. Is dat onvoldoende?

“Ik trap een open deur in: de strijd tegen de klimaatopwarming is dé uitdaging. Dat geldt voor iedereen, maar zeker ook voor de landbouw. Denk maar aan de droogte van vorige zomer. Een ontsporend klimaat is geen fijn vooruitzicht. Gelukkig heeft de sector dat ook begrepen en is hij niet bij de pakken blijven zitten. Dat bewijst de reductie met 20% van de broeikasgasuitstoot tegenover 1990. Dat neemt wel niet weg dat de sector nog steeds verantwoordelijk is voor 10% van de Vlaamse uitstoot. Het is niet evident om dat terug te dringen. Planten, dieren, bodem, mest … Het gaat nu eenmaal om levende materie waar geen regelknop is of een mogelijkheid om een katalysator te installeren. Het reductiepotentieel is dus erg beperkt.”

Maar … Ik hoor u al komen.

“We moeten resoluut kiezen voor klimaatslimme landbouw. Als we inzetten op innovatie, onderzoek, opleiding en samenwerking, kunnen we ingrijpen op voeders, stallen, verwarming … De overheid ondersteunt die transitieprocessen via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds en via landbouwonderzoek. Ook het gemeenschappelijk landbouwbeleid 2021-2027 (GLB na 2020) stelt een waaier aan instrumenten ter beschikking waaruit Vlaanderen kan kiezen. Tel daar nog consumentgerichte instrumenten bij, zoals promotie voor de korte keten en de keten-roadmap tegen voedselverliezen, en je ziet dat we nog heel wat wapens in handen hebben.”

U klinkt optimistisch en vol verwachtingen. Ik had erger verwacht.

“We moeten de mouwen opstropen. Voor het klimaat is het alle hens aan dek, ook voor de land- en tuinbouwsector, al ben ik ervan overtuigd dat die zelf een deel van de oplossing zal zijn. Vooral weiland haalt CO2 uit de atmosfeer en legt koolstof vast in de bodem. Bovendien is circulaire landbouw binnen het grotere geheel van de circulaire economie niet mogelijk zonder veehouderij. Dieren zetten laagwaardige en voor de mens onbruikbare biomassa (gras, sojaschroot, groente-afval …) om in hoogwaardige bouwstenen voor het menselijke lichaam zoals eiwitten, vetten, mineralen en vitaminen. We hebben er dus alle baat bij om de ruimte voor landbouw veilig te stellen.”

Hier zijn we dan beland bij het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. De verwachtingen van de sector zijn hooggespannen. Hoever staat het met de uitvoeringsbesluiten?

“Zoals je weet, is beslist om tegen 2040 naar 0 hectare ruimte-inname te gaan. Daarbij moeten we respect hebben voor het eigendomsrecht en dus doen we het geleidelijk: eerst naar 3 hectare in 2025 en dan naar 0 hectare in 2040. Op die manier kunnen we mensen ook correct vergoeden wanneer beslist zou worden dat een perceel niet meer in aanmerking komt voor bebouwing, bijvoorbeeld omdat het heel overstromingsgevoelig is. Voor alle duidelijkheid de zogenaamde betonstop is geen bouwstop, maar een bouwshift. Er zal nog veel gebouwd moeten worden om de bevolkingsgroei en de gezinsverdunning op te vangen, maar dat moet vooral gebeuren op de juiste manier en op de juiste plaatsen. Dat is alleen maar goed nieuws voor de open ruimte, voor natuur én voor de landbouw.”

(N.v.d.r.: Inmiddels weten we dat de uitvoeringsbesluiten een opdracht zullen zijn voor de volgende Vlaamse regering. Volgens de Raad van State geldt immers de MER-plicht (milieu-effectrapportering) voor een van de decreten.)

Intussen kampen heel wat deelsectoren in de land- en tuinbouw met crisissituaties. Denk aan de varkens- of vleesveehouderij, de fruitteelt …

“Tot het begin van de jaren 90 werd de Europese landbouw in zekere mate door de overheid gestuurd, met productiequota of invoerheffingen en exportsubsidies. Onder druk van de internationale gemeenschap en de brede samenleving, die niet meer wou betalen voor boterbergen of melkplassen, werd die sturing in de landbouw stelselmatig afgebouwd. Landbouwers hebben nu meer vrijheid om te ondernemen in functie van wat de markt vraagt. In tijden van hoogconjunctuur is dat uiteraard een zegen, maar wanneer de vraag naar een bepaald product afneemt, krijg je een onevenwicht tussen vraag en aanbod. Dat leidt onvermijdelijk tot dalende prijzen en sectoren in crisis.

Als we willen dat ook de volgende generaties kunnen blijven genieten van producten van eigen bodem, moet het besef groeien dat onze voedselvoorziening een basisbehoefte is die we niet volledig kunnen overlaten aan de principes van de markteconomie en dat landbouwers groot respect verdienen voor hun dagelijkse harde inzet, vaak in omstandigheden die niet evident zijn.”

Dus, wat stelt u voor? Ziet u concrete oplossingen?

“Binnen branche- en producentenorganisaties in de agrovoedingsketen kunnen afspraken gemaakt worden over productievolumes en prijzen, want zij vallen niet onder het mededingingsrecht. Dergelijke formele samenwerkingsverbanden zijn onontbeerlijk om de leefbaarheid van alle schakels te garanderen en tot bindende afspraken te komen. Zulke ontwikkelingen wil ik ten volle ondersteunen.”

Een bijkomende dreiging wordt de brexit. Er wordt gevreesd dat bedrijven de extra kosten bij export naar het Verenigd Koninkrijk zullen verhalen op de laagste schakel in de keten, dus alweer de landbouwers. Het VK is de vierde exportbestemming van onze agrovoedingssector.

“Onze export naar het VK heeft een handelswaarde van 3,5 miljard euro op jaarbasis. Daarvan is 20% een vers product (varkensvlees, kippenvlees, aardbeien, peren, sierteeltproducten) en 80% verwerkte producten (aardappelproducten, diepvriesgroenten, zuivel, fruitsap …). In het geval van een no deal, riskeren we jaarlijks 400 miljoen euro invoerrechten te betalen, met daarbovenop extra controles, douanecertificaten …

In november heeft de Vlaamse regering beslist om bedrijven die mogelijk getroffen zullen worden, te begeleiden. Er wordt ook specifieke informatie verspreid. We zetten nu al in op promotie en de zoektocht naar alternatieve markten, maar uit de Ruslandboycot hebben we geleerd dat dit niet onmiddellijk effect heeft op de markt. Daarom pleit Vlaanderen voor een afzonderlijk brexitfonds op Europees niveau, om sectoren toe te laten zich te herstellen of te heroriënteren. Het worden cruciale weken, want 29 maart is vlakbij.”

U had het al over het GLB na 2020. Hoe staat het met de onderhandelingen? De beslissing zal pas vallen na de Vlaamse en Europese verkiezingen, maar dat belet niet wat we ons kunnen voorbereiden. Vlaanderen krijgt met het nieuwe uitvoeringsmodel immers belangrijke sleutels in handen. Denk aan de keuze van en de controle op de (groene) randvoorwaarden.

“Het is momenteel nog koffiedik kijken in hoeverre de timing van dit dossier beïnvloed wordt door de Europese verkiezingen. In de dossiers van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en van het meerjarig financieel kader (MFK) pleiten we voor voldoende rechtstreekse ondersteuning van onze landbouwsector in de strijd tegen de klimaatverandering en op het vlak van milieu en hernieuwbare energie. Ook de ondersteuning voor onze jonge landbouwers en het stimuleren van innovatieve maatregelen op maat zijn voor ons prioritair. Tegenover jullie inspanningen moet een correcte vergoeding staan.”

Dat is dan genoteerd! Minister Van den Heuvel brengt op 6 maart enkele bezoeken aan land- en tuinbouwbedrijven (Scheers, Kontich), ondernemingen (BelOrta, Sint-Katelijne-Waver; Raf Patat, Geel) en onderzoekstellingen (Hooibeekhoeve, Geel). Op de rozenkwekerij van Wim Scheers ontmoet hij onder meer ook Boerenbondvoorzitter Sonja De Becker.

We vragen Vlaams landbouwminister Koen Van den Heuvel tot slot nog naar een boodschap aan de sector in het algemeen en aan Boerenbond in het bijzonder.

 “We hebben sterke troeven in handen om alle uitdagingen inzake ruimte, milieu en klimaat de baas te kunnen. De sleutelwoorden zijn gezond verstand, samenwerking en innovatie – ook op het vlak van land- en tuinbouw. We hebben gerenommeerde onderzoeksinstellingen en praktijkcentra zoals het ILVO. Zij zoeken continu naar efficiëntie- en techniekverbetering. We hebben inspirerende pioniers in de sector. We hebben sterke toeleveringsbedrijven en een exponentieel gegroeide verwerkende industrie. En last but not least hebben we goed opgeleide en competente landbouwers. Als we het daarmee niet redden, waarmee dan wel? Als iedereen, over de sectoren heen, de handen in elkaar slaat, is de plaats van de Vlaamse land- en tuinbouwsector in onze open ruimte verzekerd.”

Deel deze pagina: