Menu

Twintig jaar na de dioxinecrisis. Voedselveiligheid blijft een werkwoord

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Dag in dag uit werkt de voedingsketen aan voedselveiligheid, ook al hebben na twintig jaar andere maatschappelijke voedingstrends de aandacht voor voedselveiligheid ingehaald en achter zich gelaten – denk aan slow food, climate smart food, local food, vegan food, street food ...

Jacques Van Outryve / Illustratie: Joris Snaet

Waar was jij op 27 mei 1999? Die avond werd op radio en televisie bekendgemaakt dat er dioxines ontdekt waren in kippenvoer. Later bleek dat ook het geval te zijn in kippenvet. “Het nodige was gedaan om de situatie onder controle te krijgen.” Dit bericht was de start van een horrorverhaal dat het hele landschap van de landbouwsector zou veranderen. Toch zou de aandacht van Europa voor voedselveiligheid ook verscherpt zijn zonder dioxinecrisis, want de BSE-crisis had de neuzen al in dezelfde richting gezet. Maar er was meer nodig om de politiek tot besluitvorming te dwingen. Dat was de dioxinecrisis in ons land.  

Dag in dag uit werkt de voedingsketen aan voedselveiligheid, ook al hebben na twintig jaar andere maatschappelijke voedingstrends de aandacht voor voedselveiligheid ingehaald en achter zich gelaten – denk aan slow food, climate smart food, local food, vegan food, street food ... Die zijn nochtans niets zonder voedselveiligheid. Voedselveiligheid is ook na twintig jaar niet vanzelfsprekend, zoals ook voedselzekerheid nog steeds niet vanzelfsprekend is. Maar er wordt gedaan of ze dat wel zijn. Waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe?

Getuigen van het eerste uur noemen de dioxinecrisis een perfect storm, maar geen storm in een glas water. Daarvoor waren de gevolgen te ernstig voor de sector zowel als de politiek en de maatschappij in haar geheel. Er werden 7 miljoen kippen en 60.000 varkens afgeslacht. Tonnen voedsel werden uit de rekken gehaald en vernietigd. De consumenten waren verbaasd over het aantal producten in de rekken waar kip en/of eieren in zitten, van vol-au-vent en mayonaise, over koekjes, tot pralines. Maar ook de gezinnen maakten hun koelkasten en voorraadkasten leeg. De kinderen gingen zonder koekje naar school. Dat was nooit eerder gezien en het had uiteraard gevolgen voor de verkiezingen die zich aanboden. Twee ministers namen ontslag en de premier en vicepremier Dehaene en Van Rompuy trokken zich uit de verkiezingscampagne terug. Dehaene had zich in de campagne immers als ‘locomotief’ geprofileerd en moest wel het voortouw nemen van het crisisbeheer. Ook in Europa speelde profileringsdrang een rol. Na de BSE-crisis werd de landbouwcommissaris belangenvermenging aangewreven. De commissaris voor Volksgezondheid en Consumentenbescherming aasde op een herbenoeming.

In zijn memoires schreef Dehaene dat overhaast en op basis van een verkeerde inschatting beslist werd om producten uit de markt terug te trekken. “Het ‘spul’ was inderdaad geconsumeerd. Een controle op het niveau van de veevoeders had wellicht volstaan.” Het heeft ons land veel geld gekost. Het duurde ook jaren vooraleer de export opnieuw opgebouwd kon worden. Het vertrouwen in ons land was zoek. Ons land koos voor de vlucht vooruit. Het trok sneller dan Europa lessen uit de crisis, weliswaar op basis van ideeën die in Europa vorm kregen na de BSE-crisis (dollekoeienziekte). De verschillende controlediensten die onder meerdere politieke verantwoordelijken zaten, werden gebundeld tot het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV), zoals we dat vandaag kennen. De voedselketen werd voortaan als een geheel beschouwd. Tot dan toe vielen levende dieren en diervoeding onder landbouw. Zodra de dieren geslacht waren, vielen ze onder volksgezondheid (Instituut voor Veterinaire Keuring). Nadien volgde dan nog de eetwareninspectie (Volksgezondheid).

Van boer tot bord

Meteen na de verkiezingen van 13 juni 1999, die het politieke landschap grondig door elkaar geschud hadden als gevolg van de dioxinecrisis, werd in ons land een parlementaire onderzoekscommissie opgericht. Tegelijk werden de eerste voorbereidingen getroffen voor de oprichting van een federaal voedselagentschap. In Europa bogen staatshoofden en regeringsleiders zich in december 1999 in de Finse hoofdstad Helsinki over voedselveiligheid. De BSE-crisis had aangetoond dat lidstaten elkaars controles niet vertrouwden. Lidstaten geven de bescherming van hun burgers niet graag uit handen, of het nu over voedselveiligheid, over veiligheid tegen criminaliteit en terrorisme of over bescherming tegen een externe vijand gaat. In januari 2000 bracht de Europese Commissie haar ‘Witboek over Voedselveiligheid’ uit, dat op 28 januari 2002 leidde tot de zogenaamde general food law of algemene levensmiddelenwetgeving, voluit ‘Verordening tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden’.

Europa beschouwt voedselveiligheid sindsdien als veilig voor mens, dier én milieu. Dat is ruimer dan het eindproduct alleen. Voedselveiligheid geldt voor de hele keten, ‘van boer tot bord’. Alle aspecten van de voedselproductieketen worden als een geheel beschouwd, vanaf de productie van diervoeders, met inbegrip van de primaire sector, tot en met de verkoop aan de consument. De grote nadruk die de Europese wetgeving op diervoedergrondstoffen legde, is ongetwijfeld een gevolg van de BSE-crisis in het Verenigd Koninkrijk en de dioxinecrisis in ons land. Ook vervoer en distributie van veevoeders, planten en dieren valt immers onder deze wetgeving.

Risicoanalyse en voorzorgsprincipe

De Europese wetgeving wil gezondheidsrisico’s beperken, wegnemen of vermijden. Bij een risico gaat het niet over het gevaar, maar over blootstelling aan het gevaar. Vandaar dat veiligheidsnormen gebaseerd moeten zijn op risicoanalyse. Die bestaat uit risicobeoordeling, risicobeheer en risicocommunicatie. Europa erkent dat een wetenschappelijke risicobeoordeling in sommige gevallen onvoldoende gegevens biedt om daarop een (politieke) beslissing inzake risicobeheer te nemen. Ook andere factoren kunnen/mogen meespelen, zoals maatschappelijke, economische, traditionele, ethische en milieufactoren, maar ook de uitvoerbaarheid van de controle. Hierdoor komt het dat niet elke lidstaat eenzelfde risicobeheer voert en dat in Europa een level playing field (gelijk speelveld) ontbreekt. Denk aan de contaminatie met salmonella van diervoedergrondstoffen. Dat is een probleem in een eengemaakte markt. Daar komt nog bij dat voor gezondheidsbescherming in de EU het voorzorgsprincipe geldt, wat eveneens aanleiding kan geven tot belemmering van het vrije verkeer van goederen. Uit dat principe volgt immers dat voorzorgsmaatregelen genomen kunnen worden bij wetenschappelijke onzekerheid.

Een ander principe van de levensmiddelenwetgeving is de traceerbaarheid, ook een les uit de dioxinecrisis en de lege rekken in de winkels. Traceerbaarheid moet in alle stadia gewaarborgd zijn, ook bij ingevoerde producten. Omdat wetenschappelijke en technische vraagstukken met betrekking tot voedsel- en voederveiligheid steeds belangrijker en complexer worden, werd een Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) opgericht. Een autoriteit betekent een gezaghebbende persoon of instelling! Het EFSA moet een onafhankelijk wetenschappelijk referentiepunt zijn.

Tot slot wijzen we nog op de rapid alert, het feit dat elk probleem inzake voedselveiligheid snel aan Europa – en dus aan de andere lidstaten – gesignaleerd moet worden. Ook dat schortte bij de dioxinecrisis en vaak ook bij voedselcrisissen die nog volgden. Niemand signaleert graag fouten, omdat de gevolgen wat afzet en export betreft vaak niet te overzien zijn. Maar de dioxinecrisis heeft ons geleerd dat het uiteindelijk toch uitkomt en dan hou je het scenario niet meer zelf in de hand. Vandaar dat risico- en crisiscommunicatie sinds de dioxinecrisis van twintig jaar geleden sterk opgang gemaakt heeft. En toch knelt daar nog vaak het schoentje.

En Boerenbond

Els Goossens, diergeneeskundig adviseur bij de Studiedienst van Boerenbond, blikt voor ons terug op twintig jaar voedselveiligheid en duidt op een aantal pijnpunten. “De missie van het FAVV is sinds zijn oprichting niet veranderd en stelt nog steeds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant voorop. Overleg met alle sectoren en een heldere communicatie met de consumenten ondersteunen deze missie. Van beide zaken heeft het FAVV een prioriteit gemaakt en het heeft heel wat verwezenlijkt. Het beschikbaar stellen van checklijsten voor inspecties is daar een zeer goed voorbeeld van. Niettemin lijkt de afstand tussen het FAVV en de operator de laatste jaren toegenomen te zijn. De primaire sector heeft soms het gevoel dat het nooit goed genoeg kan zijn, ondanks een grote deelname aan gevalideerde autocontrolesystemen.”

Voedselveiligheid neemt gestaag toe
De barometer voor voedselveiligheid van het FAVV geeft een handig overzicht. Hij is gebaseerd op dertig indicatoren, waaronder de melding van voedselvergiftigingen, inspectieresultaten, maar ook diergezondheidsparameters zoals kalversterfte. Sinds zijn eerste gebruik in 2007 is er een positieve trend, met 2016 als enige uitzondering. De voedselveiligheid stijgt gestaag. Er worden minder overtredingen vastgesteld, meer operatoren sluiten zich aan bij een autocontrolesysteem en minder mensen melden kwaliteitsproblemen. Momenteel wordt er gewerkt aan een verbeterde versie van de voedselveiligheidsbarometer. Het FAVV heeft zulke barometers voor voedselveiligheid, dierengezondheid en plantengezondheid.

Meer info via www.favv.be/wetenschappelijkcomite/barometer

Deel deze pagina: