Menu

Terug naar Actualiteit >Sterfte bij vleesvarkens onder de loep genomen

Alle regio's

Kevin Moyaert nam met dit artikel deel aan de Boerenbond Persprijs 2016. Met zijn masterproef onderzocht Kevin de oorzaken van sterfte bij vleesvarkens en bracht ze in kaart.

Iedereen is het erover eens dat vleesvarkens die opgroeien op een landbouwbedrijf dit in de best mogelijke omstandigheden moeten kunnen doen, waarbij het aantal sterfgevallen zo laag mogelijk moet gehouden worden. Het sterftecijfer is een van de zoötechnische kengetallen die varkenshouders in hun bedrijfsvoering opvolgen. Een sterftepercentage in de vleesvarkensafdeling lager dan 3% wordt algemeen als goed beschouwd. Het Vlaams gemiddelde ligt op 3,2%. Tijdens het onderzoek schommelde dit sterftecijfer rond bovengenoemde waarde. Bij het beoordelen van een sterftecijfer moet steeds worden nagegaan of euthanasie al dan niet wordt meegerekend in het aantal sterfgevallen. Ongeveer 30% van de sterfgevallen komt voort uit euthanasie. Sterfte wordt tot op vandaag nog te vaak bekeken over de hele periode dat de dieren zich in de vleesvarkensstal bevinden. In België gaat het dan meestal om een periode van ongeveer 17 weken. Uit het onderzoek bleek dat sterfte beter op weekbasis wordt bekeken om de algemene status (gezondheid van de dieren, agressief gedrag van de dieren, verloop sterfte tijdens het grootbrengen van de dieren …) op een varkensbedrijf te evalueren. Door het gebruik van een sterftecurve, opgemaakt per bedrijf en eventueel per stal, kunnen varkenshouders afwijkingen van de normale sterftecurve detecteren en ingrijpen waar nodig.

De oorzaak van sterfte op een varkensbedrijf is vaak een interactie tussen verschillende factoren.

Kevin Moyaert, deelnemer Boerenbond Persprijs 2016

Het belang van een sterftecurve

Een sterftecurve is een curve die de evolutie van sterfte weergeeft in functie van leeftijd of gewicht van het dier. Het sterftecijfer bij vleesvarkens moet hierbij zo laag mogelijk worden gehouden zonder andere kengetallen, zoals groei, negatief te beïnvloeden. Het economisch verlies van een gestorven vleesvarken hangt in de eerste plaats af van de leeftijd van het dier. Hoe ouder een varken, hoe groter het verlies bij sterfte. Daarnaast speelt ook de economische omgeving een rol in het verlies dat landbouwers lijden bij sterfte van hun dieren. Ter illustratie: een stijging van 1% sterfte in de vleesvarkensafdeling gaat gepaard met 0,93 keer de waarde van een geslacht varken. Deze verlieswaarde komt voor bij varkens die halfweg de afmestperiode sterven. Wanneer de varkensprijs ter illustratie 1,10 euro/kg bedraagt, dan komt dit overeen met een verlieswaarde van 0,93 x 1,10 euro x 115 kg = 117 euro per gestorven varken in de afmestafdeling.

Praktijktoepassing

Om de oorzaken te achterhalen werden enkele bedrijven gevolgd. Van elk dood dier werd de reden van sterfte bijgehouden. Nadien werden er per bedrijf sterftecurves opgemaakt. Een dergelijke sterftecurve in functie van de leeftijd is voor verschillende jaren van eenzelfde bedrijf te zien in figuur 1 en lijkt een lineair verband te vertonen.

Deze curve (zowel een cumulatieve sterftecurve waarbij sterfte naar 100% gaat als een sterftecurve waarbij naar het werkelijk sterftegewicht wordt gewerkt) kan door landbouwers praktisch gebruikt worden. De actuele sterfte vergelijkt de bedrijfsleider nadien met een bedrijfsspecifieke curve (of indien men nog nauwkeuriger wenst te werken met een stalspecifieke curve). Deze tweede curve is de meest aangewezen methode omdat ze gerichter werkt en korter op de bal speelt. Wanneer de actuele sterftecurve afwijkt van de stalspecifieke sterftecurve, wordt de varkenshouder hiervan op de hoogte gebracht. Dit helpt de bedrijfsleider om tot actie over te gaan en om op zoek te gaan naar de oorzaak van het hogere sterftecijfer om nadien de sterfte te kunnen reduceren. Wanneer deze werkwijze goed wordt toegepast, is het mogelijk de economische verliezen veroorzaakt door sterfte te beperken.

Oorzaak van sterfte vaak onduidelijk

Naast de sterfte werd ook de reden van sterfte verder opgesplitst in verschillende categorieën. In figuur 2 is te zien dat de redenen zeer specifiek werden opgesplitst om zo een zeer nauwkeurig beeld te verkrijgen van de oorzaken van sterfte.

De oorzaak van sterfte op een varkensbedrijf is vaak een interactie tussen verschillende factoren (ziekte, management op het bedrijf, omgeving …). Het sterftecijfer in de vleesvarkensafdeling is sterk plaats- en tijdsafhankelijk. Na het onderzoeken van de sterfte-oorzaak bij vleesvarkens blijft de onbekende oorzaak het grootste aandeel vormen. Zowel onbekende sterfgevallen in goede conditie (varkens die een goede conditiescore hebben en niet te mager zijn of geen andere fysieke beperkingen hebben) als in slechte conditie (dieren die mager zijn, uitgehongerd en een slecht algemeen voorkomen hebben) maken ongeveer 40% uit van de sterfgevallen genoteerd op een varkensbedrijf. Het toepassen van euthanasie moet uit economisch perspectief soms worden uitgevoerd op kreupele of ongeneeslijke varkens. De belangrijkste reden waarom euthanasie werd uitgevoerd zijn beenwerkproblemen. Elk varken dat geëuthanaseerd werd wegens beenwerkproblemen had een gewicht dat gemiddeld 15 kg lager lag dan het streefgewicht. Verder vormden luchtwegeninfecties, maag- en darmproblemen en een PIA-besmetting een belangrijk aantal sterfgevallen op dit bedrijf. Landbouwers moeten steeds aandachtig zijn voor ziektes aangezien deze op korte tijd veel sterftegevallen kunnen veroorzaken. Dit was het geval met de PIA-besmetting die op het einde van de afmestfase voorkwam. Het aantal dieren met een onbekende sterfte-oorzaak zou kunnen dalen door op ieder varken een autopsie uit te voeren. In theorie zou er dan van ieder varken een doodsoorzaak moeten worden gevonden, wat in praktijk niet het geval is omdat bij het uitvoeren van een autopsie er nog steeds verschillende aandoeningen of falen van meerdere organen wordt vastgesteld. Uit onderzoek bleek dat in 5% van de autopsieonderzoeken er nog steeds geen sterfte-oorzaak werd gevonden.