Menu

Planten voortaan met nieuw Europees plantenpaspoort op stap

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Op 14 december wordt de nieuwe Europese plantengezondheidswetgeving van kracht. De Europese Unie wil door strengere preventieve maatregelen en grondig toezicht op het gehele Europese grondgebied de insleep en verspreiding van (nieuwe) plantenziektes en -plagen voorkomen. De belangrijkste veranderingen in de Europese wetgeving zijn de strengere invoercontroles en het gebruik van het nieuwe plantenpaspoort.

Jacques Van Outryve / Illustratie: Joris Snaet

Verhoogde waakzaamheid is immers nodig, gelet op de verregaande globalisering en de klimaatverandering, maar ook gezien de toename van verkoop van planten en plantenmateriaal op afstand, de zogenaamde internetverkoop of webshop.

Het Europees plantenpaspoort is niet nieuw. Het maakt reeds deel uit van de huidige Europese plantgezondheidsregeling. Deze regeling is gesteund op een Europese richtlijn met de ronkende naam: ‘Richtlijn betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor plantaardige producten schadelijke organismen (2000/29/EG)’. Een richtlijn heeft het nadeel dat ze door de EU-lidstaten nog in eigen wetgeving moet worden omgezet, met mogelijk grote verschillen tussen de lidstaten. De Europese Commissie kwam tot de conclusie dat een harmonisatie en een modernisering van deze wetgeving nodig was en onder impuls van toenmalig eurocommissaris Andriukaitis werd werk gemaakt van een verordening. Als gevolg van de globalisering reizen planten en plantaardig materiaal immers de hele wereld rond en met hen ook ziektes en plagen. De klimaatverandering brengt nieuwe ziektes en plagen op plaatsen waar die tot nog toe niet voorkwamen op de kaart. Voeg daar nog aan toe dat de bestrijding van ziektes en plagen steeds moeilijker wordt omdat het arsenaal van toegelaten bestrijdingsmiddelen afneemt onder politieke en maatschappelijke druk. Het is dan ook veel beter om ziektes en plagen te voorkomen dan te genezen. Dat is zeker het geval met de zogenaamde Europese quarantaine- of uitheemse ziektes en -plagen waarvan het binnenkomen, vestigen en verspreiden in de EU onaanvaardbare economische, sociale of milieugevolgen kunnen hebben voor het gehele grondgebied van de EU of delen daarvan. Zij worden veroorzaakt door zogenaamde quarantaineorganismen. Voorbeelden van plaagorganismen die Europa zijn binnengeslopen met alle gevolgen van dien voor het Europese plantenbestand, zijn de rode palmsnuitkever, de dennenhoutnematode en de bacterieziekte Xylella fastidiosa.

Gelet op de evaluatie van de huidige richtlijn werd deze, mede met het oog op deze nieuwe feiten en op uniforme toepassing, na lange discussies in de Raad van Ministers en het Europees Parlement in 2016 vervangen door een heuse verordening, genaamd ‘Verordening betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, (EU) 2016/2031.’ Een Europese verordening is in tegenstelling tot een Europese richtlijn meteen van toepassing in alle lidstaten. ‘Meteen’ moet echter met een korrel zout worden genomen. De Europese Commissie neemt na goedkeuring nog haar tijd om uitvoeringsbesluiten [MP1] en gedelegeerde handelingen uit te vaardigen. De nieuwe Europese plantgezondheidswetgeving uit 2016 wordt binnenkort, op 14 december, van kracht. De meest zichtbare verandering op vele plantaardige bedrijven wordt ongetwijfeld het nieuwe Europese plantenpaspoort.

Invoercontroles en plantenpaspoort

Zoals gezegd legt de nieuwe plantgezondheidswetgeving de nadruk op verstrengde fytosanitaire invoercontroles en op het gebruik van een nieuw plantenpaspoort. Zo moeten alle planten bij invoer uit derde landen, dat zijn landen die niet tot de EU behoren en na de brexit is dat ook het geval voor het Verenigd Koninkrijk, vergezeld zijn van een fytosanitair certificaat afgeleverd door het land van oorsprong. De invoer van een aantal hoogrisicoproducten wordt in afwachting van een risicobeoordeling verboden. Op basis van de ervaring met de handel en van gegevens over risico’s voor plaagorganismen kunnen planten of plantaardige producten worden vrijgesteld. Op het eerste gezicht is dat weinig nieuws, ware het niet dat – gelet op de verordening – dit nu over de hele EU meer op eenzelfde manier zal gebeuren. De wetgeving stelt ook vast wat gewone reizigers al dan niet in hun persoonlijke bagage mogen meebrengen van planten of plantaardig materiaal wanneer zij het EU-grondgebied betreden. Indien het van de sector afhangt, liefst zo weinig mogelijk, want het gevaar van ziektes en plagen loert om elke hoek! Dat hebben we recent ook in de dierlijke sector ervaren.

Wat nu met de mogelijke verspreiding van plaagorganismen op het Europese grondgebied zelf, tussen of binnen al dan niet beschermde gebieden? De verspreiding moet worden voorkomen met het plantenpaspoort dat verplicht wordt gesteld voor alle planten bestemd voor opplant, plantaardige producten en ander materiaal. Met ander materiaal wordt elk ander materiaal en voorwerp bedoeld dat drager of verspreider van een plaagorganisme kan zijn, met inbegrip van grond of zogenaamd ‘groeimedium’.

Uit de aanwezigheid van een plantenpaspoort bij elke plant of handelseenheid moet blijken dat is voldaan aan de bepalingen van de verordening ter voorkoming van verspreiding van plaagorganismen.

Wie wel en wie niet?

Het plantenpaspoort is op de eerste plaats verplicht voor alle voor ‘opplant bestemde planten’, met uitzondering van zaden. Voor opplant bestemde planten zijn planten die bedoeld zijn om geplant te blijven, uitgeplant te worden of opnieuw te worden geplant. Denk hierbij aan alle teeltmateriaal, maar ook aan alle eindproducten van de sierteelt en de boomkwekerij. Onder teeltmateriaal vallen ook aardbeiplantgoed en witloofwortelen. Voor aardappelpootgoed wordt het nieuwe plantenpaspoort opgenomen in het certificeringsetiket. Het krijgt echter een nieuwe vormgeving. Hoevepootgoed is niet plantenpaspoortplichtig.

Er is geen plantenpaspoort vereist voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen die rechtstreeks worden geleverd aan eindverbruikers, waaronder hobbytuinders. Die eindverbruiker kan een gewoon persoon zijn, een bedrijf, in bepaalde gevallen zelfs een openbaar bestuur[PT2]  [MP3] … Dat geldt dan weer niet wanneer de verkoop gebeurt door middel van een ‘op afstand gesloten overeenkomst’ (lees: internetverkoop, e-commerce, webshop).

Waarom niet? Wellicht omdat er moeilijk kan gecontroleerd worden bij wie het product uiteindelijk terechtkomt.

Er is ook geen plantenpaspoort vereist voor het verkeer binnen en tussen de bedrijfsruimten van dezelfde geregistreerde marktdeelnemer wanneer die zich dicht bij elkaar bevinden. Dat laatste moet de lidstaat omschrijven.

Geregistreerde marktdeelnemers

Het plantenpaspoort heeft de vorm van een etiket dat op een geschikte ondergrond wordt aangebracht, als het maar duidelijk wordt onderscheiden van alle andere informatie. Het heeft een uniforme vormgeving voor alle EU-lidstaten en wordt fysiek aangebracht op plant of kleinste handelseenheid. Dat kan een vrachtwagen, CC-kar, pallet, pallox, tray, bundel van planten of, zoals gezegd, een individuele plant zijn. Plantenpaspoorten worden afgegeven en dus aangebracht door erkende marktdeelnemers onder toezicht van de bevoegde overheid (FAVV), uitsluitend voor planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Meteen is gezegd dat men zich door het FAVV moet laten erkennen (erkenningsnummer) voor het afleveren van plantenpaspoorten voor je eigen planten (www.favv.be/professionelen/erkenningen/aanvraag). Om de erkenning te krijgen vindt een bedrijfsinspectie plaats en moet aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. Teelten moeten worden geregistreerd en men moet aantonen dat men over voldoende fytosanitaire kennis beschikt. Bedrijven die een erkenning aanvragen voor het afleveren van een plantenpaspoort krijgen minimaal eenmaal per jaar een bedrijfsinspectie van het FAVV.

(lees verder onder de tekening)

Traceerbaarheid

Traceerbaarheid is de rode draad in de hele nieuwe plantenwet. Het plantenpaspoort garandeert dat planten aan welbepaalde fytosanitaire eisen voldoen wanneer ze op de markt worden gebracht. Overigens, een erkende operator die een plantenpaspoort aflevert aan een partij planten verklaart hiermee dat ze veilig zijn om in de handel gebracht te worden. Het plantenpaspoort garandeert traceerbaarheid doorheen de handelsketen zodat elke oorzaak van besmetting snel kan worden opgespoord. Alle professionele operatoren in de keten moeten dan ook minstens drie jaar de traceerbaarheid van de verhandelde planten kunnen garanderen. Dat betekent dat zij een register moeten bijhouden waarmee voor elke ontvangen handelseenheid kan worden nagegaan wie deze heeft geleverd en waarmee voor elke verkochte handelseenheid kan worden nagegaan aan wie deze werd verkocht. Het plantenpaspoort moet de traceerbaarheid van de plant en/of de partij planten garanderen. Bij opsplitsing van een partij zal een nieuw paspoort moeten worden aangemaakt. Tot zover het verhaal.

En Boerenbond?

In principe kan men niet tegen een maatregel zijn om ziektes en plagen die grote economische en maatschappelijke gevolgen kunnen hebben, buiten de grenzen te houden. Maar, koken kost geld en wie moet dit betalen? Gelet op het belang van het nieuwe plantenpaspoort voor de sierteelt en boomkwekerij heeft AVBS, dé sierteelt en groenfederatie, aangesloten bij Boerenbond, zich van meet af aan ingezet om deze nieuwe verplichting uit te leggen aan de leden en leden te steunen bij de overgang naar het nieuwe plantenpaspoort, voorlichting die in feite door de overheid had moeten worden gegeven. Op 23 oktober vindt trouwens nog een informatiedag plaats bestemd voor siertelers, ook andere geïnteresseerden zoals aardbeikwekers die ook planten verkopen kunnen hierbij aansluiten.

Koken kost geld

Pieter Timmermans, adviseur Tuinbouw Studiedienst Boerenbond: "We leven in een geglobaliseerde wereld waar internationale handel nog steeds toeneemt. In combinatie met een veranderend klimaat zorgt dit ervoor dat onze leefomgeving zeer kwetsbaar is geworden voor de insleep van nieuwe (planten)ziektes, plagen en exoten. In deze context is het niet slecht dat er een duidelijk Europees kader komt om de risico’s op dit vlak in te perken en snelle, accurate interventies in de toekomst te vergemakkelijken. Onze land- en tuinbouwers worden hierdoor echter geconfronteerd met bijkomende lasten, zowel financieel, administratief als praktisch. In een normale keten worden dit soort kosten doorgerekend naar de eindklant. Logisch. De land- en tuinbouwsector is echter geen gewone sector en telers hebben het vaak moeilijk om gemaakte kosten en inspanningen te verrekenen in de prijs van hun eindproduct. Daarom betreuren we dat deze verplichting mee gefinancierd moet worden vanuit onze sector en niet geheel voor de rekening van de overheid komt. Het is toch in het algemeen belang dat de overheid op een efficiënte manier kan ingrijpen indien nodig?"

Deel deze pagina: 

Meer informatie

Sector: