Oost-Vlaamse melkveehouders op zoek naar de beste graskuil

25 november 2021

Elke melkveehouder is ervan overtuigd dat een goed samengesteld ruwvoederrantsoen de basis is voor een economische melkvee-uitbating. Als de graskuil goed gelukt is, is de boer al een eind op weg. Maar dit voorjaar waren de weersomstandigheden niet evident om een goede graskuil te maken, wat blijkt uit de grote variatie in kuilanalyses. De melkveehouders van de Studiekring Gent-Meetjesland vergeleken de graskuilen. Adviseur melkveevoeding bij Aveve Domien Dobbelaere reikte aanbevelingen aan om hiermee aan de slag te gaan.

De nieuwe serrestal van Bram Maes in Aalter was de ideale locatie voor een eerste kringvergadering. Veel licht en lucht in de stal, een rijkelijk ingestrooide diepstrooiselbox en koeborstels: de koeien voelen zich duidelijk in hun sas in de nieuwe stal. Maar ook voor de melkveehouders vormden de strobalen een ideale vergaderruimte.

“We hadden de melkveehouders opgeroepen om hun kuilanalyse mee te brengen van de kuil die ze momenteel vervoederden. Daaruit bleek al snel hoe groot de variatie tussen de kuilen was. Het maaitijdstip was dit jaar dé bepalende factor”, aldus Domien. “Achteraf gezien was vroeg maaien (23-26 april) de ideale periode om een prima kuil te maken. Nadien zijn vaak natte graskuilen gemaakt, maar ook dan blijft het belangrijk om de veldperiode zo kort mogelijk te houden. Vanaf 20 mei konden weer drogere kuilen gemaakt worden, maar was de ruwe celstof opgelopen tot gemiddeld 28% RC, met een hoog percentage vezels (NDF). Ook het eiwitgehalte liep sterk terug bij de later gemaaide kuilen.”

Het zal er dit jaar op aankomen om de kuilanalyses van al je kuilen te kennen en in vele gevallen zal een combinatie van graskuilen nodig zijn. Ook de analyse van de maiskuil kan daarbij van belang zijn om de juiste combinatie te maken.” Domien wees ten slotte ook nog op een aantal aandachtspunten om het rantsoen goed gemengd te verstrekken aan de kribbe.

De gemiddelde resultaten van de graskuilanalyses die de leden meebrachten, waren 885 VEM en 66 DVE. Een topper kan je dit jaar zeker niet noemen. Maar vooral de grote variatie spreekt boekdelen: van 741 tot 1035 VEM en van 26 tot 94 DVE. Als je dat omrekent in voederwaarde maakt dit een enorm verschil in voederkosten om deze winter te melken.

De ‘topkuil’ met 43% DS, 1035 VEM en 91 DVE werd gemaakt door Luc Criel uit Sleidinge. Onder de leden die een analyse meebrachten, werden twee dosissen graszaad verloot. Dirk Mouton en Thomas Van De Keere gingen ermee naar huis.

Ook in de andere melkveekringen zullen we deze studievergadering herhalen en hopen we op de aanwezigheid van de leden, met hun kuilanalyses.

De toelichting van Bram omtrent zijn ervaringen met de serrestal was boeiend, en de koffie met gebak van de gastvrouw werden bijzonder gesmaakt.