Menu

Omzet zwaar onder druk door prijsdalingen en moeilijke afzet tijdens coronacrisis

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Begin april en begin mei kregen de Boerenbondleden de kans om een enquête in te vullen over de impact van de coronacrisis op hun bedrijf.

Bert Meulemans, directie-adjunct Landelijke Gilden, en Pieter Verhelst, lid Hoofdbestuur Boerenbond

Begin april en begin mei kregen de Boerenbondleden de kans om een enquête in te vullen over de impact van de coronacrisis op hun bedrijf. Vorige week presenteerden we de globale resultaten. In deze bijdrage analyseren we de cijfers meer sectorspecifiek. Achter het gemiddelde omzetverlies van 25% schuilen grote verschillen tussen en binnen sectoren. Tegelijk geven de cijfers aan dat de impact zich intussen breed laat voelen over de verschillende sectoren.

Land- en tuinbouwers ramen hun omzetverlies gemiddeld op 25,2%. Dat is een verdere daling met 3,7% in vergelijking met april (-21,5%). Tussen april en mei loopt het aantal bedrijven dat een terugval van maximaal een vijfde kent, of zijn omzet weet te behouden of te verhogen, terug van 66% naar 49%. Omgekeerd verdubbelt het aantal bedrijven met een omzetverlies tussen de 20% en 50%. Het aantal bedrijven waarvan de omzet meer dan halveert, blijft gelijk (13%).

Prijsdalingen (63%) worden als de belangrijkste oorzaak van de omzetdaling aangeduid. De moeilijkere logistiek en de teruglopende vraag vertalen zich in een breed gedragen en groeiend gevoel van ‘moeilijkere afzet’ (32%) als tweede belangrijkste oorzaak van de omzetdaling. Enkele specifieke producten bleven onverkocht, wat we duidelijk zien bij sierteelt (56%) en aardappelen (akkerbouw 18%).

Een mogelijk personeelstekort speelt uiteindelijk zeer beperkt. Zo’n 22% van de land- en tuinbouwbedrijven heeft een of meerdere werknemers in dienst en 23% maakt gebruik van seizoenarbeid. Van het vast personeel is 9 op 10 aan het werk gebleven, 7% is tijdelijk werkloos. Zelfs in de groente-, fruit- en sierteeltsector met een relatief belangrijke personeelsinzet duidt slechts z’on 10% ‘een mogelijk personeelstekort’ aan als een van de reden voor de omzetdaling. De genomen maatregelen om dit te vermijden, hebben hun effect dus niet gemist. Maar voor deze sectoren blijft de verdere beschikbaarheid van seizoenarbeiders later op het jaar een punt van zorg. De onrust is met 61% het grootst bij de fruittelers. Onder de groentetelers verwacht 39% een tekort, tegenover 20% bij de siertelers. Ruim twee op drie bedrijven wijst naar de geringe beschikbaarheid van buitenlandse arbeidskrachten. Volgens een op vijf zijn er tevens minder binnenlandse seizoenarbeiders beschikbaar. De verdere beschikbaarheid van voldoende arbeidskrachten blijft dus een aandachtspunt.

De omzetdaling zorgt ervoor dat ruim driekwart geplande investeringen uitstelt en bijna de helft liquiditeitsproblemen ervaart (40% in april). De liquiditeitsproblemen nemen dus toe. Het aantal bedrijven waar de liquiditeitsproblemen problematisch (dreigen) te worden op korte termijn, neemt gelukkig niet toe. Zonder kentering, zegt 17% maximaal drie maanden te kunnen overleven. In april was dat nog 23%. Het faillissementsrisico op zeer korte termijn blijft relatief beperkt, namelijk 4,2% (april 4,9%). Globaal blijft de bezorgdheid over de bedrijfsactiviteiten zeer groot (7,3 op 10 – ongeveer het dubbele van voor de coronacrisis), maar vertoont ook een licht dalende tendens (in april 7,5 op 10).

31% van de land- en tuinbouwbedrijven overweegt een beroep te doen op een of meerdere van de door de overheden uitgewerkte steunmaatregelen. Bij de sierteelt loopt dit op tot 68%. 10% geeft aan een beroep te (willen) doen op de Vlaamse compensatiepremie, 9% op een overbruggingskrediet, 7% op een betalingsplan voor socialezekerheidsbijdragen en/of belastingen, 6% op de Vlaamse hinderpremie, een derde van de siertelers op het Vlaams noodfonds en 2% op de Vlaamse VLIF waarborgregeling.

Grote verschillen tussen sectoren

Sierteelt

De siertelers zagen hun omzet in april door de sluiting van hun afzetkanalen meer dan gehalveerd. 13% legde zijn productie noodgedwongen stil. De heropening van tuincentra en bloemenwinkels zorgt intussen voor een voorzichtig herstel, maar het omzetverlies blijft aanzienlijk (-31%). Toch zijn er grote onderlinge verschillen. Terwijl een derde geconfronteerd wordt met een halvering van zijn omzet en de helft met een iets lager verlies, slaagt 12% erin zijn omzet op peil te houden. Het verschil hangt samen met specifieke afzetmarkten en producten. De Europese handel viel al midden maart snel terug en herstelt zich maar moeizaam. Azalea’s en snijbloemen ondervonden de grootste impact, samen met bloeiende en groene kamerplanten. Ook telers van perk-, terras- en balkonplanten kenden moeilijke weken maar konden vaak wat herstellen na het heropenen van de binnenlandse markt. Die heeft zich snel hersteld bij de heropening maar kan de traag herstellende export niet compenseren. De verloren weken met de specifieke voorjaarsverkopen van met name viooltjes, primula en deels plantgoed zijn niet meer in te halen. Geranium, petunia en andere eenjarigen kenden in mei wel een goede verkoop. Ook snijbloementelers kunnen de verloren feestdagen niet meer goedmaken. De sterke omzetdaling vertaalt zich in een bovengemiddelde melding van liquiditeitsproblemen (60%) maar gelukkig blijft het faillissementsrisico met 6% eerder beperkt.

Groenten

Ook voor groenten tekent zich een voorzichtig herstel af. In april zagen de groentetelers hun omzet nog met een kwart dalen. In mei ligt het omzetverlies 10% lager op nog 15%. De prijs op de versmarkt stond onder druk in de eerste weken na de afkondiging van de coronamaatregelen. Dit hing samen met logistieke vertragingen in de Europese handel en het omschakelen van afzet vanuit gesloten kanalen zoals horeca richting de nog open retail. De prijs herstelde zich daarna snel voor de meeste groenten, al zorgt de vertraagde Europese handel voor een meer volatiele prijszetting. Telers van meer specifieke groentesoorten met afzet naar de horeca ondervonden de grootste effecten. Hoewel alternatieve afzet werd gevonden, weegt dit toch op de prijs. De specifieke seizoensteelt van asperges kende een moeilijke start door de sluiting van de horeca en een gevreesd tekort aan seizoenarbeiders. Alternatieve afzet en de nodige helpende handen konden grote negatieve effecten vermijden. Ondertussen ligt voor bijna de helft van de groentebedrijven de omzet opnieuw op het niveau van voor de crisis.

Varkens

De varkenssector werd de afgelopen maand het zwaarst getroffen met een bijkomend verlies van 21%, bovenop de -14% van april. Het gemiddelde omzetverlies bedraagt zo 35%, ongeveer even hoog als dat van de sierteelt. Twee op drie varkensbedrijven schatten hun omzetverlies nu op 20% tot 50%; amper 2% kan zijn omzet op hetzelfde peil handhaven. Dat is het laagste van alle sectoren. De internationale handel loopt moeizaam en daarbovenop proberen verschillende exporteurs – waaronder de VS, Canada en Brazilië – de moeilijkere binnenlandse afzet te compenseren met bradeerprijzen richting de Chinese markt. Europa werd uit de markt geprijsd en door verdringingseffecten moesten de Europese varkensprijzen bijna 30% inleveren. Daardoor werden ook heel wat varkens doorgeschoven naar eind april, begin mei. Terwijl de afzet in april nauwelijks een probleem vormde (15%), rapporteerde begin mei 50% van de varkenshouders een ‘moeilijkere afzet’ en 14% ‘productie niet opgehaald’, wat het doorschuiven van varkens bevestigt. De grootste prijscorrectie lijkt nu achter de rug. De fel gedaalde prijzen zorgen ervoor dat het Europese varkensvlees weer wat concurrentiëler is geworden op de internationale markten en dat zorgt er, samen met de gefaseerde versoepelingen van de coronamaatregelen, voor dat er zich een voorzichtig maar broos herstel aandient.

Akkerbouw

Ook de akkerbouw kreeg de afgelopen maand rake klappen. Was het omzetverlies in april nog relatief beperkt (-15%), dan steeg dit in mei tot 28%. De akkerbouw is zeer heterogeen en ziet zich afhankelijk van het belang van specifieke teelten in het teeltplan geconfronteerd met een uiteenlopende impact op de omzet. 18% ziet zijn omzet meer dan gehalveerd (op de sierteelt na het hoogste), terwijl voor ruim een vierde de omzet op peil blijft. De graanprijs bijvoorbeeld weet zich te handhaven, maar de prijs voor vrije aardappelen is volledig gekelderd. De grootste verliezen vallen dan ook op te tekenen bij aardappeltelers. Voor suikerbietentelers is een meerprijs op basis van de verkopen essentieel, maar ook de suikerprijs is door de crisis fel teruggevallen. Hoewel de meest ingrijpende coronamaatregelen voor telers van industriegroenten buiten hun verkoopseizoen vallen, worden ze intussen wel geconfronteerd met volume-effecten. Afgesloten contracten voor het seizoen 2020 worden nog gekort omwille van onverkochte volumes diepvriesgroenten richting de Europese horeca.

Pluimvee

De pluimveesector kijkt tegen een omzetverlies aan van 26% (6% meer dan in april). Hoewel dit een klein aantal bedrijven in de enquête betreft, springt de scherpe tegenstelling binnen de sector in het oog: 39% kent geen omzetverlies, 15% een halvering. Vooral wie afzet op markten kende een zeer sterke terugval. Hoewel de prijs voor braadkippen zich aanvankelijk wist te handhaven door een goede verkoop via de retail, moest die uiteindelijk ook een flinke stap terugzetten door verdringingseffecten binnen de vertraagde Europese markt. De kortere productiecyclus laat de sector toe in te spelen op plotse vraagschokken. De lagere opzet in de voorbije periode zou zich in de komende weken moeten laten voelen in een dalend aanbod en aantrekkende prijzen. Bij de afzet van eieren speelt vooral het ‘eieren na Pasen’-effect waarbij de prijzen gebruikelijk een stap moeten terugzetten. Gelukkig liep de vraag naar eieren voor de versmarkt de afgelopen periode goed door, waardoor de verminderde vraag vanuit de verwerking grotendeels kon worden opgevangen.

Rundvee

De melkveesector vertoont net als de varkenssector een homogener beeld. Negen op 10 bedrijven zien hun omzet matig tot sterk dalen. Slechts 8% kan zijn omzet op peil houden (tegenover 19% voor de hele sector). De algemeen vertraagde internationale handel laat zich sterk voelen in de prijsvorming van boter en melkpoeder, waardoor de melkprijs goed 10% moest inleveren. De sterke prijsdaling voor nuchtere kalveren en de moeilijkere afzet van reforme koeien diepen het omzetverlies verder uit.

De vleesveesector doet het in april en mei net iets beter dan de melkveesector. De omzetverliezen situeren zich voornamelijk in de kalverhouderij. De moeilijkere afzet van het duurdere kalfsvlees, dat ook in belangrijke mate in de horeca en binnen de Europese markt wordt afgezet, heeft de prijs onder druk gezet met een prijsdaling tot 16%. De rundvleesprijzen kunnen recent een zeer lichte plus optekenen want Belgisch rundvlees vindt een goede afzet in de verse retailmarkt. Toch is de kloof tussen consumenten en producentenprijs verder toegenomen.

Fruit

Het aanvankelijke omzetverlies van goed 11% begin april voor de fruitsector in zijn geheel, is intussen weggewerkt. Vooral het opstartende seizoensfruit, met name aardbeien, vreesden problemen bij aanvang van de crisis. Fruittelers stonden voor een moeilijke start met de sluiting van de horeca en een gevreesd tekort aan seizoensarbeidskrachten. Alternatieve afzet en de nodige helpende handen konden grote negatieve effecten vermijden. Voor hardfruittelers vallen de coronamaatregelen buiten het hoofdseizoen. De versmarkt voor appelen en peren hield goed stand, ook de prijzen. De sector maakt zich wel wat zorgen over de oogst en vraagt zich af of er voldoende seizoenarbeiders beschikbaar zullen zijn.

Korte keten

Soms wordt er geopperd dat de coronacrisis een verschuiving in de afzetkanalen, een toename van de korte keten in het bijzonder, zal bewerkstelligen. 11% van de land- en tuinbouwers zegt een verschuiving waar te nemen en nog eens 12% verwacht een verschuiving. Uit de inschatting voor het eigen bedrijf, blijkt echter hoe 96% hetzelfde hoofdkanaal zal blijven gebruiken. Bovendien gaan de verschuivingen niet eenduidig naar de korte keten.

Aansluitend moeten we onderstrepen dat – tijdens deze coronacrisis – thuisverkoop bufferend werkt, terwijl hoevetoerisme en afzet naar de horeca, een bijkomende negatieve impact ondervinden. Bij de thuisverkopers bedroeg de gemiddelde omzetdaling 18%, voor een derde steeg of bleef de omzet gelijk, tegenover respectievelijk 3% en -39% voor bedrijven met hoevetoerisme. Het enthousiasme rond de positieve impact van deze crisis op thuisverkoop moet dus duidelijk genuanceerd worden.

 

Deel deze pagina: