Menu

Hoe zal het GLB er na 2020 uitzien?

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Regio: 

Europees commissaris voor Landbouw Phil Hogan heeft vandaag de wetgevende voorstellen voor het GLB na 2020 voorgesteld.

Hoewel pijler 1 met de rechtstreekse steun en pijler 2 met het plattelandsbeleid overeind blijven, worden ze samengebracht in één voorstel van verordening. Ook wat de maatregelen betreft, vallen er eigenlijk weinig verrassingen te noteren. Maar de lidstaten krijgen wel heel wat vrijheid om de middelen over de verschillende pijlers en instrumenten te spreiden. De modulatie (verschuiving) tussen pijler 1 en pijler 2 kan oplopen tot 15%, met een bijkomende mogelijkheid van nog eens tot 15% over te hevelen als die extra middelen specifiek worden ingezet op milieu- en klimaatuitdagingen. Dit moet zich op het niveau van de lidstaat vertalen in één strategisch plan GLB. Wie verwacht had nu al te weten waar hij na 2020 aan toe is, komt dus bedrogen uit.

Hieronder vind je een korte beschrijving van de verschillende maatregelen uit de toolbox waarmee de lidstaten straks aan de slag moeten om hun strategisch plan GLB vorm te geven. We staan stil bij de belangrijkste veranderingen, zowel wat de inhoud als de financiering betreft, en de aandachtspunten die we hebben geformuleerd bij de verschillende instrumenten.

Op het vlak van aansturing en verantwoordelijkheid kunnen we spreken van een Copernicaanse revolutie. De Europese Unie bepaalt louter het brede kader in termen van doelen, instrumenten en financiering en ziet toe op de eerlijke concurrentie en resultaatgerichtheid.

Het komt meer dan ooit de lidstaten toe verantwoorde keuzes te maken en resultaat te behalen. Met de verschillende maatregelen uit de toolbox moeten ze werken rond 9 specifieke doelstellingen:

  • Ondersteuning van leefbare landbouwinkomens en de weerbaarheid doorheen de Europese Unie ter ondersteuning van de voedselzekerheid;
  • Verbeteren van de concurrentiekracht en de marktgerichtheid;
  • Versterking van de positie van de boer in de keten;
  • Bijdragen aan het beheersen van en aanpassen aan de klimaatverandering evenals bijdragen aan duurzame energie;
  • Duurzame ontwikkeling en efficiënt gebruik van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht;
  • Bijdragen aan de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en behouden van habitats en landschappen;
  • Aantrekken van jonge boeren en faciliteren van bedrijfsontwikkeling;
  • Promoten van tewerkstelling, groei, sociale inclusie en lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden, inclusief bio-economie en duurzame bosbouw;
  • Beantwoorden van maatschappelijke verwachtingen rond voeding en gezondheid, duurzame voeding, voedselverlies en dierenwelzijn.

Onze vraag naar een toolbox en ruimte voor maatwerk wordt zo (te) ruimschoots ingevuld. Nu moet er vooral over gewaakt worden dat het strategisch plan GLB dat Vlaanderen en de lidstaten moeten uitwerken niet leidt tot een verstoring van het gelijk speelveld, een goed evenwicht aanhoudt tussen inzetten op economische en ecologische uitdagingen, blijft inzetten op geleidelijke overgangen van de huidige vormen van ondersteuning naar nieuwe instrumenten en de instrumenten zo uitwerkt dat ze aansluiten bij de landbouwrealiteit en -praktijk. Tenslotte blijft het GLB landbouwbeleid ter ondersteuning van de actieve boer.

Binnen de toolbox vinden we vier vakken: rechtstreekse steun, randvoorwaarden en advisering, sectorspecifieke maatregelen en instrumenten uit het plattelandsbeleid.

1. Rechtstreekse steun

De bouwblokken die bij de vorige hervorming in de rechtstreekse steun werden ingebouwd, blijven eigenlijk overeind. Rechtstreekse betalingen worden verlaagd vanaf 60.000 euro en worden afgetopt tot 100.000 euro per bedrijf. De (eigen) loonkosten mogen wel in mindering gebracht worden.

De definitie ‘actieve boer’ kan zelf uitgewerkt worden, maar moet natuurlijk de zegen krijgen van Europa. Niets lijkt erop te wijzen dat dit makkelijker zal worden dan in de huidige periode. Criteria moeten objectief en niet-discriminerend zijn, waardoor leeftijd al uitvalt. Daarenboven moeten de WTO-afspraken gerespecteerd worden. Koppeling aan inkomen uit landbouw wordt op die manier moeilijk, zo niet onmogelijk.

Met de inkanteling van de vergroening in de randvoorwaarden wordt de basisbetaling omgedoopt tot basisinkomenssteun voor duurzaamheid. Finaal komt dit neer op meer inspanningen voor minder noodzakelijke inkomenssteun. Het basisprincipe is dat elke subsidiabele hectare dezelfde hectarepremie ontvangt. Maar Vlaanderen kan beslissen verder te werken op basis van de betalingsrechten. Het is niet helemaal duidelijk of de bestaande betalingsrechten kunnen behouden blijven of dat opnieuw betalingsrechten moeten worden toegekend. De herverdeling tussen hogere en lagere betalingsrechten moet verder gezet worden, maar een vaste hectarepremie hoeft niet de finaliteit te zijn. Zo blijft het ‘Iers model’ dat we in vorige hervorming mee wisten te realiseren overeind.

Hoe dan ook moet een herverdeling van de rechtstreekse steun tussen grote en kleine boeren – in termen van areaal – doorgevoerd worden onder de vorm van een aanvullende, herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid. Al stelt zich de vraag hoe relevant dit is in een Vlaamse context. Dit herverdelingsmechanisme kan vrij worden ingevuld. Enige beperking is dat deze betaling niet hoger mag liggen per hectare dan de basisinkomenssteun.

Lidstaten moeten verder vrijwillig ecoschema’s uitwerken, zeg maar nieuwe vergroeningsmaatregelen, of agro-milieu-klimaatmaatregelen onder pijler 1 zo je wil. Kortom, verder interen op de noodzakelijke inkomenssteun. Hiervoor kan maximaal 40% van de totale rechtstreekse steun worden ingezet.

De aanvullende inkomenssteun voor jonge boeren blijft behouden maar wordt vrijwillig. Met dien verstande dat lidstaten verplicht zijn minstens een vooraf bepaald aandeel aan de doelstelling ‘aantrekken van jonge boeren en faciliteren van bedrijfsontwikkeling’ te besteden, maar dus niet noodzakelijk als hectaresteun. Een combinatie van maatregelen uit het plattelandsbeleid gericht op jonge boeren en hun bedrijfsontwikkeling kan ook. Zo kan samenwerking tussen uittredende boeren en jonge starters bijkomend ondersteund worden.

Ook de mogelijkheid om gekoppelde steun te voorzien wordt als optie behouden. Wat verder geen enkele garantie biedt op de continuïteit van de zoogkoeienpremie. In principe houden de bestaande schema’s op en moeten nieuwe schema’s worden uitgewerkt, al is hier nu wel expliciet een uitzondering op voorzien. Het is aan de lidstaten of de regio’s om te beslissen of de bestaande gekoppelde steun wordt voortgezet. Het aandeel gekoppelde steun wordt beperkt tot 10% van de totale rechtstreekse steun, waar Vlaanderen vandaag 10% voor de zoogkoeienpremie en 1% voor de kalverpremie voorziet.

2. Randvoorwaarden en advisering

De huidige randvoorwaarden blijven overeind. De vergroening wordt ingekanteld in de vereisten om subsidiabel areaal in ‘goede landbouw- en milieuconditie’ te houden, lees: in de randvoorwaarden. Vlaanderen kan de onderliggende maatregelen verder specificeren binnen de grenzen die de Europese Commissie verder zal uitwerken. Of de bestaande vergroeningsvereisten scherper worden, valt dus nog niet in te schatten.

Het bedrijfsadviessysteem (BAS) blijft behouden met bijkomend specifieke aandacht voor antibioticaresistentie duurzame bemesting, risicobeheer, innovatie en digitalisering.

3. Sectorspecifieke maatregelen

Opmerkelijk is de integratie van de GMO groenten en fruit in deze verordening. Inhoudelijk en qua ondersteuning valt weinig verandering te noteren in de GMO groenten en fruit, eerder een beperkte versterking, specifiek voor associaties en transnationale PO’s. Een positief signaal.

Structurele financiering van operationele programma’s van PO’s in andere sectoren wordt mogelijk gemaakt maar wordt budgettair sterk beperkt. Hiervoor kan maximaal 3% van de totale rechtstreekse steun gebruikt worden. Dit biedt mogelijkheden om nieuwe PO’s te ondersteunen in hun groei naar slagkrachtige PO’s.

Ten slotte moet een specifieke ondersteuning voorzien worden voor de bijenteelt.

4. Plattelandsbeleid (pijler 2)

De maatregelen plattelandsbeleid komen bekend voor.

De agro-milieu-klimaatmaatregelen worden herdoopt tot milieu, klimaat en overige verbintenissen. De specifieke steun voor biolandbouw wordt geïntegreerd in deze maatregel. Deze maatregel moet verplicht opgenomen worden in het Strategisch Plan GLB. De Europese Commissie kan bijkomende vereisten inbouwen.

Investeringssteun als maatregel blijft behouden als optie. De concrete uitwerking gebeurt in het Strategisch Plan GLB. Toewijzing van steun moet verder op basis van een call- en selectiesysteem. De commissie kan bijkomende vereisten inbouwen.

Ook de vestigingssteun voor jonge boeren en starters blijft als optie overeind. Deze steun moet forfaitair zijn en beperkt tot 100.000 euro. Toewijzing van steun moet verder op basis van een call- en selectiesysteem.

Risicobeheerinstrumenten kunnen verder ondersteund worden.

Verschillende vormen van samenwerking kunnen ondersteund worden. Hier wordt de bestaande steun aan Leaderprojecten, operationele groepen rond innovatiekwaliteitsschema’s en PO’s samengebracht. Maar verder wordt voorlopig veel vrijheid gelaten aan de lidstaten om elke vorm van samenwerking die bijdraagt aan de doelstellingen uit het Strategisch Plan GLB te ondersteunen. In principe is dus ook steun mogelijk voor branche-organisaties. Specifiek wordt verder verwezen naar samenwerking in het kader van bedrijfsovername.

Initiatieven die de uitwisseling van kennis en informatie bevorderen, kunnen ondersteund worden. Hier wordt de bestaande ondersteuning samengebracht rond begeleiding van innovatie, advisering, opleiding …

Budget. De impact van het vorige maand voorgestelde meerjarig financieel kader op het GLB  zal ongetwijfeld gevoeld worden. De aangekondigde korting van 5% lijkt zeer optimistisch voorgesteld door de Europese Commissie.

Rekening houdend dat het om een gemiddelde korting over 7 jaar gaat en geen rekening gehouden wordt met koopkrachtverliezen kan de eindafrekening uiteindelijk oplopen tot 20-25% verlies tegen 2027. Zo dreigen twee opeenvolgende hervormingen van het GLB de Vlaamse land- en tuinbouw in koopkrachttermen uiteindelijk tot de helft minder ondersteuning te bieden.

Met dit artikel hebben we getracht om je zo snel mogelijk informeren over dit belangrijke dossier. Vanzelfsprekend zullen we hier in de komende weken nog uitgebreid op terugkomen.