Menu

Hoe de landbouw Europa schiep en omgekeerd

Terug naar Actualiteit
Thema: 
Het MFK, het GLB, de brexit, het herstel na de corona-epidemie … Er staan de Europese Unie dit najaar zware beslissingen te wachten. Maar kan de boer door de bomen het bos nog zien? Op de Boerenbondwebsite zetten we al jouw Europavragen op een rijtje. In Boer&Tuinder laten we Jacques van Outryve aan het woord, want als iemand klaarheid kan scheppen in het Europese bos, is hij het wel.

Nele Kempeneers

Veertig jaar in de frontlijn

Jacques Van Outryve stond meer dan veertig jaar in frontlijn van de Europese landbouwberichtgeving. Hij kende de Europese wandelgangen als geen ander. Hij zag landbouwcommissarissen, landbouwministers en Europese Parlementsleden komen en gaan, reisde Europa en de wereld rond en rapporteerde zijn bevindingen in Boer&Tuinder en tijdens de vele voordrachten. Zijn laatste woorden over Europa en de landbouw zijn zeker nog niet zijn gezegd of geschreven.

Wat was de rol van de landbouw bij de oprichting van Europese Unie?

“Zonder landbouw zou er geen Europese Unie zijn geweest zoals we die vandaag kennen. Trouwens, de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957 verliep voor de betrokken bevolking geruisloos. Het was zelfs geen voorpaginanieuws. Ook in ‘De Boer’ van weleer vind je er maar een kort stukje over. En toch betekende deze gebeurtenis voor de landbouw een heuse ommekeer. Waarom voor landbouw? Omdat er bij de aanloop naar de EEG reeds een blauwdruk voor een gezamenlijk landbouwbeleid bestond. Bij de landbouwministers waren de geesten al gerijpt, tot verrassing van hun eigen regeringsleiders. Die waren niet weinig gelukkig dat er zo snel al met een concreet Europees beleid kon worden gestart waarvoor de nodige middelen en instellingen, een rechtstaat waardig, in het leven konden worden geroepen. Zo niet had het allemaal veel langer geduurd of was het bij een gewone intergouvernementele samenwerking gebleven en was het nooit tot een (h)echte Europese Gemeenschap, later Europese Unie, geworden. In die tijd maakte landbouw meer dan 80% uit van de Europese begroting! Vandaag is dat nog een goede 30%. Er was toen weinig anders. Bovendien klonk ‘Nooit meer honger’ goed als motivatie voor Europese samenwerking naast ‘Nooit meer oorlog’. En zo geschiedde.”

Vanwaar kwam die blauwdruk?

“Na de oorlog hadden de landen hun les geleerd. Het protectionistisch voedselbeleid werd snel opnieuw omarmd. Elkeen zat op zijn eiland. Denk aan de verhalen over de smokkel van Nederlandse boter. Mijn grootmoeder had een speciale brede rok om boter te smokkelen langs de kustlijn. Met een spannende jeansbroek zou dat niet gaan. Douaniers lieten vrouwen een uurtje in de zon staan om na te gaan of ze boter bij zich hadden. Fouilleren hoefde niet eens. Elk land op zich was op zoek naar een manier in zijn voedselzekerheid te voorzien.”

Het was elk voor zich. Waarom die roep naar samenwerking?

“Het klinkt misschien hard maar een landbouw- of voedselbeleid is niet bestemd voor de boeren maar op de eerste plaats voor de consumenten opdat zij over voldoende betaalbaar voedsel zouden beschikken. Zonder brood en spelen komt een volk in opstand. Dat wil elke overheid voorkomen. Voor brood heb je nu eenmaal boeren nodig. Pas op de tweede plaats is het landbouwbeleid voor boeren bestemd. Welke boeren? Boeren in eigen land of in het buitenland zoals het VK, dat zijn voedsel hoofdzakelijk vanuit zijn overzeese (ex)koloniën liet aanvoeren. De eigen grote boeren waren voor de Britten enkel een verzekering mochten de voedselschepen niet tijdig aanmeren. Echter, landen hebben van het ene landbouwproduct te veel en van het andere te weinig. Waarom niet de grenzen slopen en overschotten verhandelen of uitwisselen? Op dat principe zijn ook nu nog handelsakkoorden gebaseerd. Dat wordt ‘regionale specialisatie’ genoemd. Elk land produceert wat het het beste kan. Nieuw was dat tegelijk eenzelfde landbouwbeleid zou worden gevoerd onder verantwoordelijkheid van een supranationaal gezag. Dus een gezag dat boven de betrokken landen zou staan. Nederland was pleitbezorger van zo’n gezamenlijk landbouwmodel. Het land was enerzijds nog in de ban van de oorlogswinter van 1945, maar was anderzijds ook producent van overschotten. De Nederlandse landbouwminister Sicco Mansholt reisde Europa rond op zoek naar bondgenoten voor zijn plannen, ook wel ‘green pool’ genoemd. Het zal je niet verwonderen dat hij al snel de Franse landbouwminister op zijn weg vond. Uiteindelijk gingen ze op zoek naar een vehikel voor die samenwerking. De reeds opgerichte Raad van Europa was te groot. De Benelux, zonder Frankrijk, was dan weer te klein. De EEG met aanvankelijk zes lidstaten en een divers pakket aan landbouwproducten kwam als geroepen.”

Het landbouwbeleid werd in het Verdrag van Rome heel vaag beschreven. Waarom?

“Dat was een handige zet van Mansholt en de zijnen. Zij hielden het bewust sober zodat zij meester konden blijven over de uitwerking en niet hun regeringsleiders die van landbouw geen kaas gegeten hadden. Op amper vijf jaar tijd bouwden zij een volledig landbouwbeleid uit. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ging officieel in 1962 van start. Van het andere beleid is niets of pas veel later iets terechtgekomen. Denk aan het vervoerbeleid. Die vaagheid over landbouw is wellicht ook de reden waarom de tekst, zelfs letterlijk, alle herzieningen van het verdrag heeft overleefd.”

Er staat duidelijk in de tekst dat het GLB de boeren een redelijke levensstandaard moet verzekeren …

“… en consumenten redelijke prijzen. Dat is in bepaalde gevallen water en vuur verzoenen. Het GLB moet markten stabiliseren en de voedselvoorziening veiligstellen. Hoe? Door toename van de productiviteit door technische vooruitgang te bevorderen en rationele ontwikkeling van de landbouwproductie. Een dergelijke tekst kan slaan op elk landbouwbeleid waar ook ter wereld. Echter in de principes en praktische uitwerking zit het verschil. En die zijn met de tijd sterk geëvolueerd (lees: gemoderniseerd).”

Zaten alle partijen samen aan de onderhandelingstafel? 

“Het begon allemaal zeer eenvoudig. De landbouworganisaties, ook Boerenbond, zaten trouwens mee aan de tekentafel. Zo had de eerste landbouwcommissaris, diezelfde Sicco Mansholt, het ook gewild. Zo was hij verzekerd van draagvlak. Vandaar ook dat de hij erop aanstuurde dat slechts één enkele Europese koepel van representatieve landbouworganisaties zou worden gevormd, over alle sectoren heen, als enige gesprekspartner. Dat werd en is vandaag nog steeds het Copa waarvan Boerenbond een van de stichtende leden is. De volatiliteit van markten werd gestabiliseerd door minimumprijzen ter ondersteuning van het inkomen van de boer en maximumprijzen ter bescherming van de koopkracht van de consument. Deze prijzen werden op voorstel van de Europese Commissie jaarlijks herzien en aangepast aan de gestegen productiekosten, verminderd met de gestegen productiviteit. Tussen deze beide garantieprijzen bewogen zich de marktprijzen en kon ‘regionale specialisatie’ zijn gang gaan. Dergelijk systeem is slechts mogelijk wanneer de Europese Unie zich afsloot van de overschotten en/of tekorten op de wereldmarkt. Mansholt bouwde als het ware een beschermde baai rond de Europese landbouw, weliswaar met één bewuste constructiefout, het ‘Gat van Rotterdam’ genoemd. In tegenstelling tot andere producten mocht (Amerikaanse) soja zonder invoerheffingen worden ingevoerd. Het was een eis van de Amerikanen, anders zouden zij heffingen leggen op de Duitse Volkswagens. De wereld is niet veranderd. Vandaag gaat het conflict met de VS niet meer over soja en Volkswagens maar over Amerikaans vlees en Mercedessen en BMW’s. Deze constructiefout zindert nog na, ook al is de baai van Mansholt allang afgebroken. Het is inmiddels ‘bye baai’.”

Wat was er dan voor de boer zo eenvoudig aan dat beleid?

“Boeren moesten geen papieren invullen om premies of toeslagrechten aan te vragen maar eenmaal per jaar in Brussel gaan betogen voor hogere landbouwprijzen. Jaarlijkse legden de Europese landbouwministers tijdens een marathonzitting op voorstel van de Europese Commissie en na advies van het Europees Parlement de garantieprijzen voor een jaar vast. De betoging zette druk op de beslissing. Na de beslissing wist men perfect wat de prijzen voor het komende productieseizoen minstens zouden bedragen. Ook boeren die niet meeliepen in de betoging kregen hogere prijzen en dus een hoger inkomen. Syndicalisme zag er toen totaal anders uit.”

Het bleef bij dit markt- en prijsbeleid?

“Neen. Het markt- en prijsbeleid werd al snel aangevuld met een sociaal-structureel beleid van investeringssteun, uittredingsvergoeding en opleiding. Deze drie richtlijnen werden het fameuze ‘Plan-Mansholt’ genoemd. De besluitvorming had heel wat voeten in de aarde. De resten van dit beleid werden later in het plattelandsontwikkelingsbeleid ingekanteld. Denk aan de VLIF-steun en de vorming.”

Dat ‘Plan-Mansholt’ zegt de jonge generatie weinig, de oudere generatie des te meer. Waarom?

“De oudere generatie herinnert zich ongetwijfeld het verzet tegen het ‘Plan-Mansholt’ met de grote boerenbetoging van 23 maart 1971 in Brussel die fataal afliep. Volgend jaar is dat vijftig jaar geleden. Er was meer aan de hand. Er was een persoonlijk conflict gerezen tussen landbouwcommissaris Sicco Mansholt en Boerenbond. Mansholt had een eigen stijl en provoceerde graag politiek. Hij was als een Trump die Boerenbond en ons weekblad ‘De Boer’ van fake news betichtte. Debatten op televisie waren bitsig. Tien jaar voordien had hij nochtans constructief met Boerenbond, en meer bepaald met erevoorzitter Constant Boon, samengewerkt. Hij had Boon zelfs na de conferentie van Stresa, waar de principes van het GLB werden vastgesteld, voor zijn kabinet gevraagd. Het kwam echter nooit meer goed. Eind 1972, het jaar dat zijn structuurbeleid uiteindelijk afgezwakt werd goedgekeurd, verliet Mansholt de Europese Commissie na nog enkele maanden ook commissievoorzitter te zijn geweest. In die tijd bezon hij zich al over de genomen maatregelen en de gevolgen op het milieu van de ontwikkelingen in de Europese landbouw. Dat was mede onder sterke invloed van zijn directe entourage.”

Van vergroening was toen nog geen sprake?

“Ik denk, mocht Sicco Mansholt langer landbouwcommissaris zijn gebleven, er al een of andere vorm van ‘vergroening’ zou hebben plaatsgevonden. In 1990 hebben we Sicco Mansholt met Groene Kring, destijds onder voorzitterschap van Luc Vanoirbeek, uitgenodigd voor een debat met toenmalig Boerenbondondervoorzitter Noël Devisch in de Mantovani in Oudenaarde. We waren verrast dat naast leden van Groene Kring de zaal vooral was gevuld met oudere boeren die nog tegen Mansholt in Brussel hadden betoogd. Zij wilden hem twintig jaar na de betoging nog eens zien en horen. Er was geen rumoer in de zaal. Het bleef muisstil toen Sicco Mansholt zijn groene kritiek op zijn landbouwbeleid gaf.”

 

Inmiddels is vergroening een feit. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid werd meermaals aangepast. De aanleidingen hiervoor is stof voor ooit een volgend verhaal.

Meer weten over Europa? Bekijk het op boerenbond.be/europa

Meer informatie

Thema: