Menu

Groenbedekkers en gewasbescherming

Terug naar Actualiteit
Sector: 
Groenbedekkers behoren tot een plantkundige familie die vaak verwant is aan de cultuurgewassen die we zaaien of planten. Dat kan bepaalde risico’s inhouden wanneer we ze opnemen in een teeltplan. Onderzoekscentra hebben inmiddels al heel wat onderzoek gedaan naar de invloed van groenbedekkers op de reductie én vermeerdering van aaltjes. Ook onderzoek naar de invloed op bepaalde bodempathogenen en insecten is volop aan de gang.

Geert Verhiest, Sanac Fyto

Groenbedekker aanpassen aan teeltplan

Tabel 1 toont problemen die zich kunnen voordoen bij enkele cultuurgewassen die nog eens kunnen versterkt kunnen worden door groenbedekkers. Tot voor kort werd vooral rekening gehouden met aaltjes, maar steeds meer worden we geconfronteerd met bodemschimmels die door bepaalde groenbedekkers in stand gehouden kunnen worden. Groenbedekkers kunnen ook de cyclus van insecten voortzetten. Slakken hebben op hun beurt een uitgesproken voorkeur voor bepaalde groenbedekkers, wat kan leiden tot een populatieopbouw in volgteelten.

Schadelijke aaltjes

Op www.aaltjesschema.nl vind je heel wat informatie over de gevoeligheid van cultuurgewassen en de invloed van groenbedekkers. Tabel 2 geeft een overzicht van de vermeerdering van aaltjessoorten voor frequent uitgezaaide groenbedekkers. De laatste jaren vind je ook zonnebloemen en boekweit in AEG-mengsels, maar over deze nieuwkomers is er (nog) geen of onvoldoende informatie.

De bolletjes geven de waardplantenstatus aan. Een goede waardplant (waarop het aaltje zich kan vermeerderen) krijgt drie bolletjes. Eén bolletje is voor waardplanten die het aaltje slecht vermeerderen. Een streepje is dus teelttechnisch de beste opties, want het aaltje kan zich helemaal niet vermeerderen op deze waardplant. Bij gele mosterd en bladrammenas bestaan er resistente en gevoelige rassen. Die zijn aangeduid met de letter R. We gaan ervan uit dat telers vandaag alleen nog opteren voor resistente rassen. De kleuren geven aan of de groenbedekker zelf schade ondervindt van het betrokken aaltje.

Cysteaaltjes

Cysteaaltjes zijn heel waardspecifiek. Daarom hebben alleen aardappelen last van het aardappelcysteaaltje. Het bietencysteaaltje kan naast bieten ook kolen aantasten. Een teler die last heeft van zulke aaltjes, kiest het best voor een resistent ras. Resistente rassen hebben er iets minder last van en na de teelt reduceren ze zelfs het aantal. 

Wortelknobbel- en wortellesieaaltje

Het aandeel van de vrijlevende aaltjes is in Vlaanderen de laatste jaar toegenomen. In tegenstelling tot het cysteaaltje kunnen deze aaltjes allerlei gewassen aantasten. Ze hebben ook heel veel waardpanten waarop ze zich kunnen vermeerderen. In ons land zijn de groepen van de wortelknobbelaaltjes (Meloidogyne spp) en de wortellesieaaltjes (Pratylenchus spp) het belangrijkst. In Vlaanderen zijn vooral Meloidogyne hapla en Pratylenchus penetrans het frequentst. M. chitwoodi en M. fallax zijn quarantaine-organismen en het FAVV stelt een bewakingszone in rond besmette percelen. Meer informatie over deze quarantainemaatregelen vind je op de website van het FAVV.

Andere aaltjes

In Nederland komt het stengelaaltje (Ditylenchus dipsaci) heel vaak voor. Het is vooral gevreesd in de teelt van uien. De symptomen zijn misvormde en gezwollen bladeren. In een later stadium ontstaan gebarsten bollen, die nadien rotten. Bij ons komt dit aaltje gelukkig niet veel voor. In de groep van de vrijlevende wortelaaltjes is voor aardappelen voornamelijk Trichodorus spp. belangrijk. Op lichtere gronden vooral gevreesd als overbrenger van het tabaksratelvirus.

Het principe van een vanggewas

Een groenbedekker die dienst doet als vanggewas, lokt via de wortel – die plantensap en geuren afscheidt  – de aaltjes uit hun cysten of hun latente fase. De aaltjes die dan ontluiken, kunnen zich achteraf niet voeden aan de wortels, die ze anders al te graag zouden binnendringen. Wanneer de aaltjes dus geen ‘thuisbasis’ vinden, sterven ze af. Een waardplant daarentegen trekt aaltjes aan en laat die ook hun cyclus voortzetten.

Vroeg zaaien, voldoende planten

Om het gewenste effect te bereiken heeft een groenbedekker uiteraard tijd nodig. Daarom is een vroege zaaidatum nodig, maar ook voldoende planten en een intense doorworteling. De bodemtemperatuur is van kapitaal belang. Bij koud weer in het najaar valt de activiteit van de aaltjes stil en is het effect ook veel minder. Het witte bietencysteaaltje en het noordelijk wortelknobbelaaltje verliezen hun activiteit bij een bodemtemperatuur van acht graden. Door de late nazomers van de laatste jaren doen de groenbedekkers steeds langer hun werk.

Schadelijke bodemschimmels

Wetenschappers van het Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, een onderdeel van Wageningen UR, hebben een bodemplagenschema opgesteld dat je kan vergelijken met het al besproken aaltjesschema. In een praktisch leesbare tabel (zie tabel 3) kan je afleiden of een gewas (in dit geval een groenbedekker) al dan niet een bepaalde bodemschimmel kan vermeerderen. Net zoals bij de aaltjes kunnen bodemschimmels specifieke gewassen aantasten ofwel een brede reeks gewassen.

Rhizoctonia AG2

Rhizoctonia solani is een veel voorkomende schimmel die veel gewassen kan aantasten en gevreesd wordt door aardappeltelers. In de teelt van aardappelen wordt vaak een microgranulaat gebruikt tegen de aaltjes, maar deze nematiciden hebben een negatieve invloed op de natuurlijke fauna in de grond, waardoor goedaardige schimmeletende aaltjes en andere saprofytische organismen vernietigd worden. Een aardappelteler moet er dus zeker rekening mee houden dat het gebruik van een nematicide Rhizoctonia solani in de hand werkt.

Ook telers van bieten, mais en wortelen vrezen Rhizoctonia solani. Toch hoeft een aardappelteler geen vrees te hebben voor de rhizoctonia die voorkomt in bieten, mais of wortelen. Omgekeerd zijn deze teelten ook niet gevaarlijk voor aardappelen, want we onderscheiden eigenlijk twee anastomosegroepen, afgekort AG2 en AG3. De groep AG3 tast alleen aardappelen aan; AG2 heeft een veel breder aantastingsveld, namelijk bieten, mais, schorseneer, boontjes, erwten enzovoort. Gras heeft geen last van Rhizoctonia solani, maar vermeerdert deze bodemziekte wel sterk. Ook gele mosterd en facelia vermeerderen deze schimmel. Op gronden die gevoelig zijn voor rhizoctonia kies je het best voor een multiresistente bladrammenas. Melkveehouders die in hun teeltplan naast gras ook bieten en mais telen, hebben het meest last van Rhizoctonia solani (zwartrot). Gelukkig kan je kiezen voor tolerante rassen van mais, voeder- en suikerbieten.

Knolvoet

Op percelen waar kort na het planten veel neerslag valt, zien we vaak symptomen van knolvoet aan de wortel. De aangetaste wortels zijn opgezwollen en misvormd. Omdat de zieke wortels onvoldoende water kunnen opnemen, worden de bladeren van vooral oudere planten slap bij warm weer. Knolvoet wordt veroorzaakt door Plasmodiophora brassicae, een grondgebonden bodemschimmel. Kooltelers die toch willen kiezen voor een kruisbloemige groenbedekkers, is gele mosterd of bladkool geen goede keuze, bladrammenas wel geschikt.

Sclerotinia

Sclerotina, de gevreesde rattenkeutelziekte, is ongetwijfeld de meest polyfage schimmel. De lijst van gevoelige gewassen is dan ook zeer lang. Wanneer je bij grote infectiedruk niet op tijd ingrijpt kunnen boontjes volledig aangetast worden. Gevoelige gewassen zoals knolselderij, witloof en wortelen die op het veld matig aangetast werden, kunnen in de bewaring toch nog volledig verloren gaan.

De schimmel vormt in een later stadium zwarte sclerotiën of rattenkeutels, die jaren in de grond kunnen achterblijven en zich verder ontwikkelen bij gunstige omstandigheden. Zonnebloemen werden niet opgenomen in de tabel, maar na de winter vind je in de afgestorven planten vaak heel wat rattenkeutels, soms een handvol per plant.

Phytium violae

Worteltelers werden ongetwijfeld ooit al eens geconfronteerd met cavity spot. De naam verwijst naar de symptomen: cavity betekent holte en spot kan je vertalen als vlekje. Phytium veroorzaakt dus een ingezonken vlekje. De plant wordt meestal geïnfecteerd na veel regen, waarna de grond dichtslempt en er een tijdelijk zuurstofgebrek ontstaat. Grasgroenbedekkers zouden volgens de PPO-tabel een gunstige invloed hebben op de vermeerdering van de schimmel.

Fusarium oxysporum

Deze schimmel komt voor in uien. Hij kan de wortelbasis van de ui in die mate aantasten dat uiteindelijk de volledige ui wegrot. We zien deze ziekte het meest wanneer de structuur van de grond niet optimaal is. Uit onderzoek blijkt dat Japanse haver een waardplant is van deze gevreesde bodemziekte in uien.

Deel deze pagina: