Gewasbescherming steeds meer tandem met technologie

Door technologische ontwikkelingen kan gewasbescherming gerichter toegepast worden, een evolutie waarin de gewasbeschermingsmiddelenindustrie fors investeert. Twee drempels werken echter vertragend: enerzijds het hogere prijskaartje voor de eindklant en anderzijds het logge en trage toelatingskader om innovatieve middelen goedgekeurd te krijgen. 

Belplant, de federatie van de gewasbeschermingsindustrie plaatste tijdens haar algemene vergadering de innovatiegerichtheid van de sector naar voor. In België investeerden de Belplant-leden in 2020 176 miljoen euro in onderzoek, ontwikkeling en registratie. Een jaar later was dat met een vijfde gestegen tot 208 miljoen euro. De helft van de middelen die in 2021 in onderzoek en ontwikkeling werden geïnvesteerd gingen naar laagrisico- en biocontrolemiddelen. Ook dat was een stijging met tien procent ten opzichte van het jaar voordien. 

Veilig én snel

Alleen leiden deze bijkomende investeringen niet snel tot daadwerkelijk meer nieuwe producten op de markt. Zo werd in de Europese Unie tussen 1 april 2023 en 1 april 2024 geen enkele nieuwe stof goedgekeurd, terwijl er wel in diezelfde periode veertien actieve stoffen verdwenen. “In Europa is er nog geen definitie voor biologische bestrijdingsmiddelen, buiten Europa wel. Het maakt dat de time to market buiten Europa een pak sneller gaat dan in Europa. Belplant roept op om oplossingen te zoeken zodat deze biocontrolemiddelen op een veilige en snelle manier op de markt kunnen komen”, aldus Sylvain Moissonnier, voorzitter bij Belplant. Hij werd daarbij bijgestaan in het panelgesprek door Els Paesmans van Globachem. “Voor een product van biologische origine dat wij ontwikkeld hebben vroegen wij 1,5 jaar geleden een erkenning aan in Brazilië. Daar hebben we deze ondertussen. Voor Europa verwachten we deze erkenning in 2029. Dat is wel heel lang.” Ook kandidaat-Europees parlementslid Bram Van Hecke ziet dit met lede ogen aan. “Het voorzorgsprincipe is doorgeslagen en in zijn eigen nadeel gaan werken. Met een lat die net iets lager ligt zouden de procedures sneller kunnen.”
 

Moissonnier
Hloben
Geen geloof in drones

Moissonier vindt dat middelen die via precisietechnieken toegepast worden een streepje voor moeten krijgen in hun homologatie of in de verlenging van de erkenning. Volgens Peter Hloben van John Deere zijn de precisietechnieken die dit mogelijk maken er voor een groot stuk nu al (taakkaarten, gps, sectiecontrole…). Toch verwacht hij nog een grote ontwikkeling. “Tussen nu en een aantal jaar zal de volleveldstoepassing verdwijnen”, maakte hij een voorspelling. Zo verwacht hij nog bijkomende verbetering in de stabiliteit van de spuitboom (hoogte en hoek van de spuitdoppen). Cruciaal, zeker voor precisietoepassingen met camera’s voor individuele onkruidherkenning en -bestrijding. Die noodzaak voor een precieze positionering van de spuitdoppen ziet Hloben meteen ook als een van de redenen om niet in drones voor gewasbescherming te geloven. “Hopelijk gaat die manie van de drones snel weer liggen. Ook het voorkomen van drift is bij drones een probleem.”

"Hopelijk gaat die manie van de drones snel weer liggen."

Snelle rekenkracht

Technologische ontwikkelingen gaan echter snel. Door de stijgende snelheid en rekenkracht van chips bestaan er spuitmachines die toelaten om tegen 19 km/uur over een veld te rijden en met 36 camera’s zo een oppervlakte van 196 vierkante meter ogenblikkelijk te analyseren op onkruiden en passend te behandelen. Nog niet zo lang geleden duurde het twee seconden om één vierkante meter te beoordelen. “Dergelijke nieuwe spuitbomen zitten nog in testfase en kosten nog even veel als de hele machine. Dat zal een brede uitrol ongetwijfeld vertragen. Dit soort toepassingen is ook makkelijker voor gewassen in rijen zoals maïs en suikerbieten dan voor gewassen zoals tarwe.”
 

Gewasbescherming zal altijd geïntegreerd zijn

Prof. Geert Haesaert (UGent) gelooft in het potentieel van deze nieuwe technologieën om de input van gewasbeschermingsmiddelen te reduceren, maar plaatste een aantal kanttekeningen. Zo kan het sterk verlagen van dosissen door plaatsspecifiek te behandelen mogelijk leiden tot selectie op resistente onkruiden.  Daarnaast is deze technologie nog weinig toepasbaar voor bijvoorbeeld schimmelbestrijding. “Als je wacht op zichtbare symptomen bij Phytophthora in aardappelen kom je te laat.” 
Het inzetten van nieuwe technologie vereist ook bijkomende opleidingen voor eindgebruikers. “Voor de fyto-opleidingen moeten we meer werken naar opleidingen op maat voor kleinere groepen”, zo vond hij. Haesaert geloofde daarnaast in de ontwikkeling van plantversterkende middelen, bijvoorbeeld volatielen die het natuurlijke afweersysteem van de plant versterken of middelen voor een sterker wortelgestel, zodat wortelpathogenen minder schade kunnen doen. “Gewasbescherming zal altijd geïntegreerd zijn. Als de ziektedruk te groot is, heb je wel nog chemie nodig. Je moet altijd het ruimere plaatje beoordelen, en dat gebeurt vandaag te weinig. Vier keer door een veld rijden om een mechanische onkruidbestrijding uit te voeren is voor het milieu en het klimaat echt niet altijd beter dan één keer chemisch behandelen.”
 

Haesaert